Voor de rest van het leven?

Meervoudig moordenaar Hans van Z. na zijn veroordeling tot levenslange gevangenisstraf. Hij zou in 1986 na negentien jaar gevangenschap vrijkomen. Twaalf jaar later overleed hij. (Cor Out/ANP)

Levenslang, dat is gewoon voor de rest van het leven, zei Donner in 2004, toen hij minister van justitie was. De boodschap past in het harde strafklimaat van nu, maar is volgens de Groningse strafjuriste Wiene van Hattum slechts de halve waarheid.

Seriemoordenaar Hans van Z. kwam in 1986 vrij na negentien jaar gevangenschap. Hij was daarmee de laatste levenslang gestrafte die in Nederland het geluk had vrij te komen. Zijn dossier wilde juriste Wiene van Hattum, verbonden aan de vakgroep Strafrecht en Criminologie van de Rijksuniversiteit Groningen, in elk geval bestuderen. Daarnaast hield ze nog vier andere dossiers tegen het licht uit de geschiedenis van de straf, die in 1870 als vervanging van de doodstraf werd ingevoerd. Het viel nog niet mee dossiers te vinden, vertelt de onderzoekster. Levenslang en gratie zijn geen trefwoorden waarop justitie administreert. In het onlangs uitgekomen nummer van het juridische tijdschrift Delikt en Delinkwent citeert Van Hattum uit de vertrouwelijke dossiers die ze met toestemming van de minister mocht inzien.

Wiene van Hattum is voorzitter van het vorige zomer opgerichte Forum Humane Tenuitvoerlegging Levenslange Gevangenisstraf. De in het forum verenigde wetenschappers en juristen vinden de levenslange straf –die in Nederland in de praktijk betekent: tot de dood erop volgt– onmenselijk en bepleiten dat in de wet een toetsmoment wordt opgenomen, na pakweg vijftien jaar zitten, om uit te maken of de gedetineerde misschien op een goeie dag voor vrijlating in aanmerking komt. Het pleidooi leidde tot maatschappelijke en kamerbrede politieke verontwaardiging. Staatssecretaris Albayrak suste, en zei vooralsnog geen reden te zien voor een tussentijdse toets. Albayrak beloofde wel met minister Hirsch Ballin te kijken naar eventuele aanpassingen in de gratieprocedure. De vele levenslang gestraften –er zitten er nu 36– vergrijzen en krijgen lichamelijke gebreken. Een ministeriële werkgroep heeft de bewindslieden eind vorig jaar al geadviseerd hoe daarmee om te gaan, maar op de Kameragenda is het onderwerp nog niet verschenen. Komt door de gevoeligheid van het onderwerp, denkt Van Hattum die ook geen hoge verwachtingen heeft van een eventuele herziening van de gratieprocedure. „We leven in een tijdperk waarin de aandacht vooral naar slachtoffers en nabestaanden uitgaat. Men vindt dat vooral zij levenslang hebben.”

Hoe anders was het tot 1986, toen Hans van Z. als laatste het gevang uitwandelde. Van Hattum toont het haarfijn aan in haar onderzoek. Alle voorgangers van Van Z. kregen gratie. „Eentje niet, die ging naar een krankzinnigengesticht, waar hij niet meer uit kwam. Maar zeg voor het gemak maar 100 procent. En in 100 procent van de gevallen liep het goed af, voor zover ik weet.”

Gedetineerde B. kwam in 1961 na dertien jaar en vier maanden vrij, negatieve adviezen van het Hof en het OM ten spijt. Professor Kloek, de toenmalige eerste geneesheer van de Penitentiaire Observatiekliniek (nu Pieter Baan Centrum) had na twaalf jaar aangegeven dat twee jaar detentie het maximale was wat B. nog aankon. Hij moest een einddatum te horen krijgen. Zo niet, dan was aldus Kloek „desintegratie en vernietiging van zijn persoonlijkheid” het gevolg. De gevangenisdirectie schetste B. als wanhopig hulpzoekend mens die bang was krankzinnig te worden bij de gedachte in de cel te sterven. Diezelfde B. was aanvankelijk een rampzalig heerschap, manipulatief, nul schuldgevoel. Maar toen hij een therapeut had met wie het klikte, bleek hij „een gevoelig en buitengewoon begaafd musicus met hoog intellect en bijzondere affiniteit tot de theorie van de muziekwetenschap”. B. had plannen na vrijlating docent te worden.

Sinds de levenslange celstraf in 1886 officieel in de wet kwam, was het beleid erop gericht misdadigers, waar mogelijk, op zeker moment te laten terugkeren in de samenleving, stelt Van Hattum. In de wet zelf staat daarover niets, aldus de juriste, maar des te meer in een reeks beleidslijnen, rapporten en notities. Zo schreef het hoofd van de ministeriële afdeling gratie, Schravendijk, in 1957 een nota waarin zwart op wit stond dat al sinds de jaren 30 na vijftien jaar getoetst werd of de levenslange straf ’op jaren gesteld’ kon worden. Vervolgens verscheen de Samkaldenregeling –genoemd naar oud-justitieminister Samkalden– met een toets na tien jaar werkelijke straftijd.

Van Hattum signaleert in de dossiers een grote betrokkenheid van ambtenaren. Ze schrijft: „Zij komen uit de dossiers niet naar voren als pennenlikkers, maar als uiterst betrokken mensen, die waken over de psychische en lichamelijke gesteldheid van het individu wiens leven aan hen is toevertrouwd.” Een hoge ambtenaar schreef in 1946 dat levenslange gevangenisstraf onmenselijk is, erger dan de doodstraf.

In 1975 kwam huisarts O. uit Berkel, die maar liefst twee keer levenslang had, voorwaardelijk vrij, op voorspraak van de geneesheer-directeur van Rijksasiel Veldzicht die het gratieverzoek zelfs voor hem indiende. Veel eerder al had O.’s behandelaar laten weten alleen een behandeling te kunnen starten als de mogelijkheid tot terugkeer naar de maatschappij openstond. Maar het tegen gratie aanhikken van de samenleving was inmiddels begonnen. Drie jaar eerder had toenmalig justitieminister Van Agt zijn voornemen om de drie oorlogsmisdadigers van Breda te gratiëren onder druk moeten laten varen.

Staatssecretaris Glastra van Loon liet de vrijlating van O. vergezeld gaan van een brief aan de hoofdredacties van dag- en weekbladen en actualiteitenrubrieken. Of ze de berichtgeving sober wilden houden.

Van Hattum telt van 1889 (eerdere cijfers zijn er niet) tot 2000 56 levenslanggevallen, al waren er ook periodes dat de straf niet werd opgelegd en er maar één of twee zaten. Op dit moment zitten er 36 delinquenten levenslang achter de tralies; sinds 2000 zijn er 25 veroordelingen bijgekomen. Van Hattum noemt het een „spectaculaire stijging”, ook al zijn ze nog niet allemaal definitief.

De veroordeling van verpleegster Lucia de B. in 2004 door het Hof in Den Haag tot levenslang mét tbs leidde tot een reeks vragen van het toenmalige VVD-Kamerlid Griffith. Griffith rook onraad door de merkwaardige combinatie van die twee straffen. Tbs moest er wel op duiden dat de B. (die vanwege heropening van haar zaak op dit moment vrij is) weer buiten zou komen. Justitieminister Donner zei echter: „Levenslang, dat is gewoon voor de rest van het leven.”

Gratie was bij de sinds 1960 veroordeelden maar één keer verleend, voegde Donner er aan toe. Hij doelde op Hans van Z. Wiene van Hattum vindt dat de bewindsman met terugwerkende kracht ter verantwoording moet worden geroepen voor die woorden. „Donner sprak de halve waarheid en lichtte de Kamer verkeerd in.” De minister vergat dokter O. En nog erger, hij zei niets over de veroordelingen van voor 1960 waarvan iederéén gratie kreeg, voor zover niet in hechtenis overleden. „Ik mag aannemen dat de minister dat wist. Anders ontbreekt het hem wel erg aan historisch besef. Ik denk eigenlijk dat dit antwoord hem het beste uitkwam. Hij zette de Kamer bewust op het verkeerde been om geen lastige vragen te krijgen. Hij wilde de Kamer geruststellen. Ik stel daar nu honderd jaar gratiebeleid tegenover. Laat de minister maar eens uitleggen waarom dat beleid zomaar is verlaten.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden