Voor de doorzetter: een opera vol verrassingen

Der Schatzgräber De Nederlandse Opera

Opera

Als een ekster is Els belust op de betoverde, glimmende sieraden van de koningin. Diefstal, moord en andere ellende in 'Der Schatzgräber' van Franz Schreker vormen de ingrediënten van de seizoensopening bij De Nederlandse Opera (DNO) - best gewaagd, zo'n volstrekt onbekend werk als binnenkomer.

De volgende constatering is dat er flink aan is getrokken om een van Schrekers grotere opera's, deze is uit 1918, op de bühne van het Amsterdamse Muziektheater te krijgen: een zorgvuldig bij elkaar gezochte cast - met sterke en iets minder sterke zangers - en een bijzonder resultaat in de orkestbak onder leiding van Marc Albrecht.

De keuze voor Schreker is, gezien Albrechts staat van dienst, niet verrassend. De dirigent gaat zijn tweede seizoen in als chef van het Nederlands Philharmonisch Orkest (NedPhO) en van DNO - en is vertrouwd met Schreker, heeft een band met het werk. Een kwarteeuw geleden leerde hij de partituur kennen toen hij de zangers inzeepte bij een productie in Hamburg.

Nieuwe ronde, nieuwe kansen dus voor de schatgraver. Ivo van Hove werd gevraagd de regie te voeren, zijn derde bij DNO na Tsjaikovski's 'Iolanta' en 'De zaak Makropulos' van Janácek. Van Hove kreeg een sprookje voor volwassenen op zijn bord, zoals hij het zelf noemt. Maar wel tamelijk stugge kost die zich pas vanaf de derde akte losweekt van het slepende begin - ook onder Van Hove's hoede.

Even stug is het ouderwets lichtbruine podiumbeeld (decor en licht: Jan Versweyveld) met twee identieke openingen in de vorm van een huis, waar telkens andere decorstukken in gemanoeuvreerd worden. Van de kroeg met ordi types en langharig getatoeëerd volk via de kale ruimte met strop tot de berghut waar Els haar laatste uren slijt met de nar, blijft de toeschouwer hunkeren naar iets moois.

En dat komt overeen met de muziek die je niet een-twee-drie bestempelt als bevallig: een ruig klank-amalgaam waar geen einde aan lijkt te komen, slingert het gemoed heen en weer met behulp van jubelende akkoorden, wrevelige lijnen en zoete maten.

Schreker schreef zelf het complexe libretto - die houdt van die, die vermoordt die, enzovoort. De diepere lagen dienen zich niet vanzelf aan. Meer emotie openbaart zich, zoals gezegd, rechtstreeks in de muziek, met een groots hoogtepunt tijdens de liefdesnacht van Els en Elis, de schatgraver met zijn wonderluit. Daar valt ook het beeld op z'n plaats en worden we de beleving ingezogen: de gefilmde scènes tegen het staande decor verbeelden de extase.

Om de dooie dood geen makkie voor de zangers, dit opus. Manuela Uhl, die de rol van de verknipte Els vertolkt, heeft een zware partij waarin ze zich knap staande houdt: groot geluid, soms op het randje van loepzuiver. Een goed tegenwicht voor Raymond Very (Elis), met een prima, maar bleekneuzerige tenor. De nar, gezongen door Graham Clark, sneert daar lekker tussendoor. Voor de schout is bariton Kay Stiefermann aangetrokken - fraaie keuze - en de koning is in goede handen bij Tijl Faveyts. Ook het koor van DNO levert een voorbeeldige bijdrage.

Conclusie? Een opera voor doorzetters, met muzikale verrassingen onder de slagvaardige baton van Albrecht: het NedPhO speelt het vuur uit de sloffen met een resultaat dat er wezen mag.

Frederike Berntsen

'Der Schatzgräber': t/m 23 september in het Muziektheater, Amsterdam. Uitzending: 15 september om 19.00 uur via Radio 4. Info: www.dno.nl

Akademie für Alte Musik Matthäus Passion

Klassiek

Gezien de hoeveelheid publiek zaterdagavond in Vredenburg Leidsche Rijn (een tijdelijke locatie) blijkt het haalbaar Bachs Matthäus Passion buiten de week voor Pasen te houden. Voorwaarde lijkt wel dat zo'n uitvoering ingebed is in een drukbezocht evenement als het Utrechtse Festival Oude Muziek.

Een unicum was deze passie-uitvoering buiten het seizoen niet. Ooit verplaatste Willem Mengelberg zijn jaarlijkse Matthäus naar januari, omdat hij in de paastijd in Amerika moest optreden. Verder wordt in het Festival Oude Muziek vanouds kerkmuziek buiten een liturgische context en 'verkeerd' in het kerkelijk jaar geprogrammeerd.

Deze concertzaaluitvoering had als voordeel dat het grote ensemble breed opgesteld kon worden op het ruim bemeten podium. Links zaten koor I en orkest I (24 zangers, 12 instrumentalisten) en rechts op een extra verhoging koor II en orkest II (12 zangers, 13 instrumentalisten). Deze opstelling zorgde voor een prachtig stereofonisch effect in de dubbelkorige delen.

De akoestiek bewerkstelligde perfecte verstaanbaarheid van koor en solisten, maar werkte nadelig op de balans: de orkestklank werd bevoordeeld ten opzichte van die van koren en solisten. Vooral in het openingskoor en sommige aria's werden vocale prestaties overspeeld door de instrumentale begeleiding. Gaandeweg de uitvoering, toen de zangers ingezongen waren en de oren van de luisteraar beter ingetuned raakten, verdween dit probleem grotendeels.

Deze kwalitatief hoogstaande uitvoering was - uiteraard op dit festival - geënt op de verworvenheden van de barokke uitvoeringspraktijk. Daar stonden de solisten, de Akademie für Alte Musik Berlin, het Rias Kammerchor en hun leider, barokspecialist René Jacobs garant voor. Op de oude instrumenten en dankzij de barokke speeltechnieken klonk deze uitvoering expressief en helder gearticuleerd.

Toch waren er aspecten die in Bachs tijd anders waren. Jacobs dirigeerde bijvoorbeeld vanaf de bok en niet zoals Bach als maestro al cembalo; Bach speelde op een groot kerkorgel en niet op kistorgel, het Rias Kammerchor is een gemengd koor en geen jongenskoor en de hoge solostemmen (op één uitzondering na) werden door dames gezongen in plaats van mannelijke falsetzangers.

René Jacobs hield er flink de vaart in door alle delen zonder onderbrekingen op theatrale wijze met elkaar te verbinden. Behoudens in het intens en verwachtingsvol vertolkte openingskoor waren zijn tempi meestal hoog. Soms te. De akoestiek kon dit aan, maar het wijd opgestelde ensemble niet altijd, met ongelijkheden tot gevolg (in de basaria 'Mache dich, mein Herze, rein').

In het slotkoor leidde niet zozeer het hoge tempo als wel het opgeruimde musiceren tot enige ontgoocheling na de vele aangrijpende momenten die deze uitvoering had gekend. Daarin hadden orkestsolisten een belangrijk aandeel. De twee eerste violisten schitterden respectievelijk in de aria's 'Erbarme dich' en 'Gebt mir meinem Jesu wieder'. Heel sfeervol was 'Komm, süsses Kreuz', waarin Jacobs de solo voor viola da gamba op de luit liet spelen.

Van de vocale solisten viel evangelist Werner Güra op door zijn plastische, lichte verteltrant, en 'Christus' Johannes Weisser door zijn ongepolijste, dramatische stemgeluid. Rank, helder en lieflijk zongde jonge sopraan Sunhae Im. Ook de overige solisten (met name tenor Topi Lehtipuu en bas-bariton Konstantin Wolff) voldeden uitstekend in deze dankzij de Nederlandse boventiteling toegankelijke Matthäus-uitvoering.

Christo Lelie

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden