Voor 'buitenkampkinderen' is de oorlog nog niet voorbij

Meer informatie over de ontmoetingsdag en de Werkgroep Buitenkampkinderen van de KJBB is verkrijgbaar onder de telefoonnummers 0543016957 en 033725993.

Hij heeft zelf om aandacht gevraagd voor de activiteiten die hij met een paar medestanders organiseert voor, wat hij 'een vergeten groep' noemt. Norel is voorzitter van de 'Werkgroep buitenkampkinderen' van de 2 000 leden tellende vereniging 'Kinderen uit de Japanse bezetting en de Bersiap 1941-1949', kortweg KJBB. Een 'buitenkampkind' is een kind dat de bezetting van het toenmalige Nederlands-Indie niet in een Japans kamp heeft doorgebracht, maar wel een vader had die door de Japanners gevangen werd gehouden. "Negentig procent van de buitenkampkinderen heeft gemengd bloed; een Nederlandse vader en een Indische moeder" , verduidelijkt Norel. "Indische vrouwen die met een Nederlander getrouwd waren, werden meestal niet geinterneerd. Maar ook voor die vrouwen en hun kinderen was de Japanse bezetting en vooral de periode daarna, toen de nationalisten zich begonnen te manifesteren, een verschrikkelijke tijd."

Zelf is hij als volbloed Nederlander, geboren uit Friese ouders, niet representatief voor de groep van tienduizenden buitenkampkinderen die nu in Nederland leven of in Indonesie zijn achtergebleven. "Eigenlijk hadden ook mijn moeder en ik geinterneerd moeten worden" , zegt Norel. "Mijn moeder was weliswaar Nederlandse, maar ze leed aan rheuma en had bovendien tbc. En voor besmettelijke ziekten waren de Jappen als de dood. Die tbc heeft ons buiten het kamp gehouden." Norel zegt dat het te ver gaat om te stellen, dat het achteraf gezien misschien beter was geweest dat hij en zijn moeder ook maar achter het prikkeldraad waren verdwenen. Daarvoor waren de ontberingen, die Nederlandse moeders en hun kinderen in de kampen hebben meegemaakt, te groot. "Maar bij de kinderen die de oorlog wel in een kamp hebben doorgebracht, was er in elk geval sprake van lotsverbondenheid. Ze konden in het kamp tegenover elkaar hun verdriet en emoties kwijt. Ik heb dat nooit gekund. Dat is me toen ik ouder begon te worden opgebroken. En mij niet alleen. . . ."

Okke Norel is tien jaar oud als Nederlands-Indie door de Japanners wordt bezet. Zijn vader, sergeant in het Koninklijk Nederlands Indisch Leger (KNIL), wordt als krijgsgevangene naar Burma getransporteerd om er als dwangarbeider aan de beruchte spoorweg te werken. Okke Norel en zijn zieke moeder blijven achter in Magelang op Midden-Java. De oorlog werpt moeder en kind terug in een isolement. "We hoorden nergens bij. Ik heb drie jaar lang een constante dreiging gevoeld. Vrijwel alle blanken waren geinterneerd en de Indonesische bevolking, die al lang genoeg had van het koloniale bewind, moest ons niet. Voor de Indo-kinderen, wier Nederlandse vaders geinterneerd waren, gold hetzelfde. Zij werden bovendien nog als verraders gezien."

De Japanse capitulatie op 15 augustus 1945 betekent voor moeder en zoon Norel niet de bevrijding, maar het begin van een nieuwe periode vol angst. "In september begonnen er steeds meer opgeschoten jongens met aangepunte bamboes op straat te verschijnen. Ze hadden het voorzien op alles wat Nederlands was of met een Nederlander getrouwd was. We werden door niemand beschermd. Toen kwamen er Engelse militairen, die in Semarang gelegerd waren. Ze brachten ons en 2 000 andere Europeanen die in Japanse kampen hadden gezeten en 2 500 Ambonezen, Menadonezen en Indo's onder in het zendingsziekenhuis in Magelang, de enige plaats waar we veilig zouden zijn. Omdat er een onhoudbare situatie ontstond, het ziekenhuis was overvol en er waren slechts twintig mililairen om ons te beschermen, zijn we op 21 november 1945 in vrachtwagens overgebracht naar een kamp in Ambarawa. De Ambonezen, Menadonezen en Indo's moesten achterblijven in het ziekenhuis. Van hen zijn er 460 vermoord, hoorde ik later.

Hereniging

In december 1945 volgt de overtocht naar Bangkok. Onder de tribunes van de drafbaan van de Thaise hoofdstad, waar de vluchtelingen worden gehuisvest, vindt de hereniging met vader Norel plaats. Hij heeft de dwangarbeid in de Burmaanse jungle wonderwel overleefd. Na de repatriering naar Nederland, doorloopt Okke Norel met goed gevolgd de HBS en de Academie voor lichamelijke opvoeding in Groningen.

De psychische problemen openbaren zich als hij zich begin jaren tachtig niet meer in staat voelt om zijn werk als leraar lichamelijke opvoeding aan een LBO-school in Winterswijk doen. "Ik was moe. Zo vreselijk moe, dat ik me absoluut niet in staat voelde om nog te werken. De oorlog had meer aan me gevreten dan ik altijd gedacht had. Vijf jaar later kreeg ik echt last van emotionele uitbarstingen en raakte zwaar overspannen. Ik kwam bij een psychiater terecht, die probeerde me meer inzicht te geven in m'n eigen situatie. Mensen die ingrijpende ervaringen hebben meegemaakt, schijnen een afweermechanisme op te bouwen. Naarmate je ouder wordt, kost het steeds meer energie om die pantsering in stand te houden. Er hoeft dan maar iets te gebeuren dat je emotioneel aangrijpt, in mijn geval was dat het overlijden van mijn vriendin, of je krijgt last van depressies."

Via de 'Vereniging kinderen uit de Japanse bezetting en de Bersiap' komt Norel in contact met buitenkampkinderen die ook psychisch in de knoei zijn geraakt.

Norel: "Wat vrijwel alle buitenkampkinderen gemeenschappelijk hebben, is dat ze het eigen leed kleineren. Als je in Indie hebt gewoond en tijdens de oorlog niet in een kamp hebt gezeten, ben je per definitie al verdacht. Dan hoor je de mensen soms denken: dan zullen z'n ouders wel gecollaboreerd hebben. En in het gezelschap van de kampkinderen, die je binnen de vereniging ontmoet, voelde ik me ook niet thuis. Als die over hun eigen kampervaringen beginnen, wordt het verhaal van een buitenkampkind al snel niet meer serieus genomen."

Vandaar de oprichting van een eigen kongsi (praatgroep) in 1987 en het organiseren van ontmoetingsdagen voor buitenkampkinderen. Voor morgen staat er weer een dergelijke ontmoetingsdag op de agenda. In het Protestants Militair Tehuis in Ede kan er van elf tot zes uur niet alleen Indisch worden gegeten en naar Indische muziek worden geluisterd, enkele buitenkampkinderen zullen bovendien hun eigen levensverhaal vertellen. Daarnaast houdt antropoloog dr. Van Dijk een lezing met als titel 'De Indische Nederlander voor, tijdens en na de oorlog'.

"Van de 200 buitenkampkinderen die bij ons bekend zijn, hebben zich er al 90 aangemeld voor deze ontmoetingsdag" , zegt Norel. "We zijn in 1987 binnen de werkgroep met acht mensen begonnen. Het ledental is sindsdien jaarlijks ongeveer verdubbeld en het eind van de groei lijkt nog niet in zicht. Ik denk dat je dan best van een vergeten groep mag spreken."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden