Voor altijd dansen in je blootje

Ethicus Frits de Lange blikt vooruit op het thema van de komende Boekenweek: de Derde Leeftijd. De vergrijzende babyboomers, schrijft hij, lijken betoverd door het zwitserlevengevoel. Om de aantrekkingskracht daarvan te begrijpen, schieten gewone verklaringen tekort. We moeten het hogerop zoeken. In de theologie.

De Belgische filosoof Raoul Vaneigem schreef in 1967 het pamflet van de babyboomgeneratie: ’Traité du savoir-vivre à l’usage des jeunes générations’. Tegenover de onderworpenheid van de bourgeois bezingt hij „de roes van het mogelijke, de duizeling van alle genietingen die iedereen binnen bereik heeft”. Met dit vitalistisch hedonisme is de generatie van mei 1968 grootgeworden. Hun ouders was het massakapitalisme nog pardoes overkomen, de babyboomers stileerden het, en maakten er een instrument van voor individuele zelfontplooiing.

Zijn ze onderwijl veranderd? De roes van de geestverruimende middelen is nu samenlevingsbreed beschikbaar in de kick van ’een leuk leven’. De Duitse socioloog Gerhard Schulze beschrijft onze samenleving als een Erlebnisgesellschaft. In andere tijden stond het bestaan in het teken van overleven, van dienst en plicht, van godsvrucht en zelfopoffering. Voor ons staat het in het teken van de zinnelijke beleving. Natuurlijk, de een gaat voor topprestaties, de ander voor gezelligheid, een derde voor spanning. Wie zweert bij Jantje Smit en Frans Bauer heeft niets met Stan Getz of Dave Brubeck. En toch delen we met elkaar de basisovertuiging dat het leven pas de moeite waard is als je ervan kunt genieten. Fijnbesnaard of plat – we zijn allemaal hedonisten geworden.

De grijzende babyboomer richt daar zijn leven op in. Het zwitserlevengevoel kan met triviaal amusement, maar ook met een sensationele kick of een diepe gedachte worden nagejaagd. Bieden de Spaanse costa’s een zwitserleven voor het volk, de hoogopgeleide haalt daar zijn neus voor op, en boekt een cultuurreis of cursus.

Niet dat het altijd even leuk is, dit project van het schöne Leben. Het wordt begeleid door de angst om iets gemist te hebben, de onzekerheid of het wel écht leuk zal zijn, en de teleurstelling achteraf. Is that all there is? En als categorische imperatief is ’Richt je leven zo in dat het je bevalt’ even onverbiddelijk als de kantiaanse plichtsethiek die hij heeft afgelost.

„We werden geboren om nooit oud te worden, om nooit te sterven”, schreef Vaneigem in zijn pamflet uit 1967. Dat eerste mislukte, dan nu maar alles in het werk gesteld voor het tweede: eeuwig blijven leven, en wel onmiddellijk.

Iedereen weet dat het zwitserlevengevoel een vorm van illusoir geluk is. Maar wie is er ongevoelig voor de sirenenzang van Kees Brusse of Chris Zegers, voor de zon, de luxe hotels met diepblauwe zwembaden, de verre stranden die zij beloven? Gebruinde, leeftijdsloze lijven van gezonde mannen en vrouwen lijken aan de tijd ontheven. Hun leven is zonder geschiedenis, zonder moeizaam verleden of onzekere toekomst. Hun levensverhaal heeft geen ander plot dan de extase in het hier en nu. Zij genieten niet alleen de aardse geneugten, maar ook de hemelse tijdrekening waarin een dag een eeuwigheid duurt.

Waarom is dat visioen zo verleidelijk, terwijl we weten dat het een illusie is? Voor het begrip van de zwitserlevenfantasie is een cultuursociologische analyse als die van Schulze niet genoeg. Ik denk dat we het hogerop moeten zoeken. We hebben er theologie bij nodig.

De Duitse historicus Arthur E. Imhof heeft een verrassende kijk op de toegenomen levensverwachting. Natuurlijk, het is een ongehoord feit dat in anderhalve eeuw tijd de mensen ongeveer eens zo oud worden. Maar Imhof zet ons op het andere been. Volgens hem leven we niet dubbel zo lang, maar oneindig veel korter dan ooit tevoren.

Tot ver in de achttiende eeuw twijfelde nagenoeg niemand aan het hiernamaals. Je werd dan wel gemiddeld slechts veertig, je kon al in de wieg of in het kraambed, aan de pest of van de honger overlijden – er wachtte hoe dan ook een eeuwig leven. Nu worden mensen gemiddeld tachtig, maar ze geloven nauwelijks nog in een leven na de dood. Het hiernamaals werd van een collectieve zekerheid een individueel twijfelgeval, waarop sommigen nog wel hopen (’Er zal toch wel iets zijn’), maar waarop weinigen meer hun bestaan bouwen. Door het verlies van de eeuwigheid, concludeert Imhof, leven mensen dus oneindig korter. Wat zijn die enkele tientallen jaren winst aan deze zijde, tegenover de ontelbare die ons ooit wachtten aan gene zijde?

Het wegvallen van het hiernamaals uit de collectieve geloofsbeleving heeft ingrijpende gevolgen. De tijd verliest perspectief. De levensloop is geen reis meer vol beproevingen op weg naar de eeuwigheid, zoals voor de puritein John Bunyan in zijn ’Pilgrim’s Progress’ (1678). Elk moment verwijst naar zichzelf, en heeft geen transcendente betekenis meer. Wij vormen onze eigen horizon. Alleen gelaten met zichzelf moet de mens alles opnieuw leren: geboren worden, opgroeien en ouder worden.

De hedendaagse geloofsarme senior vreest zijn einde en vlucht naar achteren. Hij omarmt de Derde Leeftijd als zijn tweede jeugd en probeert de tijd stil te zetten in het hemelse genieten van het afzonderlijke moment. Met zijn eigen eeuwigheidsconstructie – een zwakke karikatuur van de religieuze – wil hij twee vliegen in één klap vangen: de dood buiten de deur houden én de eeuwigheid beleven.

Een illusie, allebei, maar het lijkt voor even te werken. De tijd wordt betoverd en stilgezet. Dezelfde strategie lijkt te zitten achter de onvermoeibare reisdrang van sommige pensionado’s. De koffers van hun ene reis zijn nog niet uitgepakt, of ze hebben alweer geboekt voor de volgende. Zij reizen, als alle moderne toeristen, niet om landen of culturen te leren kennen of mensen te ontmoeten, maar om belevenissen op te doen. Zij bewegen zich door tijd en ruimte, maar zonder ander doel dan om daaraan even ontstegen te zijn. Zij hechten zich nergens, committeren zich aan niemand, maar wensen alleen de sensatie dat zij in al hun poriën voluit leven.

Daarom is het reizen op leeftijd misschien zo populair: het geeft je de illusie dat je bent ontsnapt aan de beperkende condities van dit bestaan. Je leeft even eeuwig. De klok die thuis gewoon doortikt, staat voor je gevoel stil. De confrontatie met je eigen eindigheid is weer een moment buiten de deur gehouden.

Voeg bij deze eeuwigheid het zorgvuldig gecultiveerde paradijselijke imago van het zonnige vakantieland, en de zwitserlevensenior waant zich voor een ogenblik in de illusie van een hemels geluk.

In de christelijke religie wordt de hemel uitgesteld tot na de dood. Racen tegen de klok hoeft niet. Wel heeft het geloof in zijn leer van de laatste dingen (de eschatologie, van eschaton, laatste) altijd een onderscheid gemaakt tussen deze houding van uitstel en de plaatjes die we erbij verzinnen. De eschatologie gaat ook niet in de eerste plaats over het geloof in het hiernamaals. Christenen stellen zich weliswaar de hemel voor als gelukzalige verblijfplaats van de gestorvenen, maar dat is niet meer dan een aardige bijkomstigheid in hun toekomstverwachting. De komst van het rijk Gods, daar gaat het eigenlijk om: de verwachting van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, aan het einde der tijden. De eerste schepping – de lijdensgeschiedenis – zal voorbij gaan, er zal een tweede komen, een herschepping, met alles wat goed was in de eerste er weer in, maar nu hernieuwd, rechtgezet, gelouterd.

Hoe te leven met zo’n toekomstverwachting? Zij zet de beleving van de geschiedenis enorm onder spanning. Christenen hadden dat niet van zichzelf. Ook in de joodse traditie hield de messiaanse verwachting de hoop op betere tijden levend. Over de oude dag waren de verwachtingen hoog gestemd: „Zie, ik schep een nieuwe hemel en een nieuwe aarde”, staat er in Jesaja 65.

„Geen zuigeling zal daar meer zijn die slechts enkele dagen leeft, geen grijsaard die zijn jaren niet voltooit; want een kind zal pas sterven als honderdjarige, en wie geen honderd wordt, geldt als vervloekt. [*] Want de jaren van mijn volk zullen zijn als de jaren van een boom; mijn uitverkorenen zullen zelf genieten van het werk van hun handen. Zij zullen zich niet tevergeefs afmatten en geen kinderen baren voor een verschrikkelijk lot.”

Dat kun je met recht een zwitserleven noemen. Maar zal het er ooit van komen? Christenen geloofden er steevast in, temeer omdat ze er een voorproefje van zagen in Jezus’ leven, sterven en opstanding uit de doden. Maar de spanning tussen vervulling en verwachting bleek moeilijk uit te houden.

Of christenen popelden zo van ongeduld om het vrederijk binnen te treden, dat ze niets liever deden alsof het al was aangebroken– zie de wederdopers in het Münster van 1534. Of het Rijk leek zo ver weg dat ze zichzelf een hemel droomden voor huis-, tuin- en keukengebruik. De hooggestemde verwachting van een nieuwe aarde en nieuwe hemel werd dan omlaag geschroefd naar een aards paradijs, binnen de horizon van de geschiedenis.

In de Middeleeuwen kreeg die droom een naam: Cocagne of Luilekkerland. Het is het zwitserlevenideaal van de middeleeuwer. Cocagne is een ver land, ergens op de aardbol (het zou ten westen van Spanje kunnen liggen), en het leven is er ideaal. Je hoeft er niet te werken, en je kunt er eten en drinken naar hartelust. Wijn vult er de rivieren, en de ganzen vliegen er gebraden rond. Je hoeft je mond maar te openen en ze vliegen naar binnen. Het is er altijd zonnig, de lente duurt maar voort. De lust vergaat niet en de liefde raakt niet uitgeput. In Cocagne blijf je jong en vitaal, dankzij de Fontein van de Eeuwige Jeugd.

Lucas Cranach de Oude (1472-1553) schilderde die als een soort wonderbad waaruit gerimpelde vrouwen als dartele meisjes tevoorschijn te komen. Zij vieren het leven weer in een groen, lenteachtig landschap. Zij minnen, dansen en genieten van een feestelijke dis.

Cocagne is een wat platvloerse versie van het Koninkrijk Gods. Een wereld weliswaar zonder kunst, cultuur en religie, maar met een dampende keuken. Het land van Cocagne is ook wel poor man’s heaven genoemd, een armeluishemel waaraan een beschaafd mens voorbijloopt, als aan het restaurant waar hij onbeperkt spareribs eten kan. De bijbelse verbeelding vermengde gemakkelijk met fantasieën over een Gouden Tijdperk uit de Oudheid, ver achter ons in de geschiedenis. De even verlokkende als onbereikbare fantasie moest de frustraties compenseren van het harde leven, dat vaak eenzaam, arm, akelig, wreed en kort was.

In alle voorstellingen van Cocagne keren twee kernelementen terug. Niet meer werken. En: leven in een eeuwige jeugd. „Wat sullen wij in den ewigen leven doen?”, vroeg de befaamde prediker Johannes Brugman zich in een van zijn preken af. „Daer en sullen wij niet arbeiden ende noch geen werck doen. Wat sullen wij dan doen? Daer en sullen wij anders niet doen dan gapen ende kieken.”

De droom van een eeuwige jeugd vervolgens, moest de angst bezweren voor een vroege dood. Ieder zou in het paradijs de aardse eindleeftijd van Christus (hij werd drieëndertig) benaderen en hem behouden tot in eeuwigheid.

Dezelfde Lucas Cranach geeft op zijn schilderij ’Het gouden tijdperk’ (rond 1530) zijn visie op dit middeleeuwse zwitserleven. In een ommuurde tuin – met in de verte een stad – vlijt een koppel zich neer in het bebloemde gras, deelt een ander stel een tros druiven, wordt er een verfrissend bad genomen (de bron van de Eeuwige Jeugd?) en voeren weer anderen een reidans uit rond een vruchtdragende appelboom. Iedereen huppelt er paradijselijk, schaamteloos naakt rond. Mens en dier leven in perfecte harmonie, het hert en de leeuw leven – net als in de messiaanse profetie van Jesaja – vreedzaam tezamen.

Maar Cranachs voorstelling is ontdaan van de eschatologische spanning waarvan de Hebreeuwse profetie doortrokken is. De voorstelling zindert niet van heilsverwachting, maar van sensualiteit. De ommuurde tuin lijkt eerder een tuin der lusten dan een Hof van Eden.

Het zwitserleven is het hedendaagse Cocagne. Met dit verschil: het is werkelijkheid geworden. De eschatologie is gerealiseerd. Cocagne ligt om de hoek. „Tijdens een all inclusive zonvakantie in Turkije geniet je van zon, zee en strand maar ook van massages, lekker Turks eten, goedkope kleding en andere zaken”, meldt een touroperator. Poor man’s heaven. Alle afbeeldingen die de toerist thuis op internet naar een boeking moeten lokken, laten steevast een diepblauw zwembad zien (de bron van Eeuwige Jeugd), met mooie, gezonde mensen, in de veilige beslotenheid van een lieflijke plaats, achter een palmenhaag of aangelegde rotsformatie, terwijl op de de achtergrond het buffet al wacht.

Cocagne is niet langer onbereikbaar, maar ligt op twee uur vliegen. Je bent er voor een moment aan de tijd ontheven, er is even geen vroeger en geen later.

Het is de gerealiseerde eschatologie van de tweede, eeuwige jeugd. Gestript van elk militant engagement en ontdaan van het profetisch perspectief waarin de toekomstverwachting in de christelijke geschiedenis is opgenomen. De brede blik op de cultuur, de gespannen verwachting van wat de geschiedenis brengen zal – ze zijn ingezakt en afgevlakt tot de omtrek van het persoonlijke welbevinden, het Gouden Genieten in de Derde Leeftijd. De spanning is eruit.

„Ieder zal zitten onder zijn wijnrank en onder zijn vijgenboom, door niemand opgeschrikt”, voorzag de bijbelse profeet Micha. Is Kees Brusse, onderuitgezakt in een luie strandstoel onder een parasol, met een cocktail onder handbereik en zijn hoed over zijn ogen getrokken, niet de perfecte moderne belichaming van deze eindtijdverwachting? De zorgeloze senior, die zijn geloof in een hiernamaals is kwijtgeraakt, gelooft in zijn zwitserleven zoals een christen in zijn hemel.

Zonder deze theologische dimensie valt de hardnekkige illusie dat het pensioen een en al genieten is, moeilijk te begrijpen. We hebben hier niet alleen te maken met een wens, verwachting of stille hoop, maar met een geloof, een quasi-religie. En, zoals bij elk geloof, is daar nauwelijks kruid tegen gewassen.

Word je er gelukkig van? Ik vermoed net zo weinig als Cranachs tijdgenoten gelukkig werden van zijn wat armzalige voorstelling van het Gouden Tijdperk. Je moet er niet te veel bij dóór denken. Zou het niet heel vervelend zijn om eeuwig zo in je blootje te moeten dansen? Het christelijk geloof heeft altijd het besef levend gehouden dat plaatjes van het paradijs niet al te letterlijk moeten worden genomen. Daar komen ongelukken van (zie Münster) of ze lopen uit op teleurstellingen (Cranach). Eschatologische teksten moet je lezen als analogieën en metaforen. De plaatjes verwijzen naar verrukkingen die elke verbeelding te boven gaan. Ze beelden uit, niet af. Met menselijke verbeeldingskracht wordt een gooi gedaan naar het gelukzalige leven, in het volle bewustzijn dat we er ons geen voorstelling van kunnen maken.

De geseculariseerde, oneindig korter levende tijdgenoot weet zich slecht raad met het onvervulbare verlangen, het zich terugtrekkende geluk. Het authentieke religieuze denken daarentegen laat de verlossing niet samenvallen met de menselijke geschiedenis. Cocagne blijft onvindbaar op de kaart van Europa. Het verlangen blijft eindeloos.

We dorsten naar God zonder ooit enige verzadiging te vinden, schreef de kerkvader Augustinus in zijn traktaat ’Over het gelukkige leven’ (De beata vita). We moeten „erkennen dat we, zolang we nog zoeken en we ons nog niet aan de bron zelf en, om dat woord te gebruiken, aan de volheid zelf voldoende gelaafd hebben, nog niet tot onze Maat zijn gekomen. En daarom zijn we, hoewel God reeds zijn bijstand verleent, toch nog niet wijs en gelukkig.”

Hield Augustinus dan niet van het leven? Wist hij niet wat genieten was? Meer dan menigeen, de zinnelijkheid ligt bij hem voor het oprapen. Maar hij drukt in zijn theologie het besef uit dat geen mens voltooid sterft. We zijn nooit ’klaar met leven’, ook al zijn we op. In Augustinus’ spreken over geluk blijft altijd een reserve. Niet omdat hij iemand zijn geluk niet zou gunnen, integendeel. Maar om hem ervan te weerhouden genoegen te nemen met te weinig.

Met behulp van de voorstelling van een hemel (in de ruimte) of een te verwachten Rijk God (in de tijd) heeft de christelijke traditie geprobeerd deze terughoudendheid in beeld om te zetten. Het blijft natuurlijk behelpen, beelden ontwerpen bij een religieuze intuïtie. Voor je het weet wordt het beeld stilgezet in een plaatje en het plaatje opgevat als beschrijving van een werkelijkheid.

Dan is het van belang om in de voorstelling van een verre toekomst of een hoge hemel weer de spankracht te proeven van een diep, onstilbaar verlangen naar menselijke voltooiing. Een verlangen dat met weinig geen genoegen neemt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden