Von Jawlensky schilderde het portret als een moderne ikoon beeldende kunst

T/m 27 nov. in museum Boymans-van Beuningen, Museumpark Rotterdam, di-za 10-17 uur, zo 11-17 uur. Cat. ¿ 59,50.

In de moderne, abstracte kunst in het begin van deze eeuw hebben de Russen een belangrijke, zo niet essentiële rol gespeeld. Exposities als 'De grote utopie' in Amsterdam en 'Europa, Europa' in Bonn, monografische exposities over Malewitsj, Kandinsky, El Lissitzky en Tatlin hebben het besef bijgebacht dat de moderne kunst er beslist anders had uitgezien wanneer de Oost-Europeanen niet zo'n voorhoederol hadden gespeeld.

Aan het hier genoemde rijtje kan nu ook Alexej von Jawlensky worden toegevoegd. Jawlensky, zoals hij kortweg wordt genoemd, maakte een oeuvre dat in dit land onbekend is. Zijn flirt met de abstracte taal, het voortdurend verkennen van een vormscala dat hoe dan ook betekenis moest hebben, zijn hang naar een expressieve uitdrukking met een symbolistische lading, het wordt op de met veel zorg samengestelde expositie in museum Boymans-van Beuningen expliciet verklaard.

Er zijn drie omstandigheden geweest die van Jawlensky de schilder hebben gemaakt die hij uiteindelijk is geworden. De eerste twee liggen in zijn jeugd. Als kind van tien liep hij eens een Poolse kerk binnen, waar hij bevangen werd door de schoonheid van de ikonen. Niet dat hij op dat moment de behoefte moet hebben gevoeld om zelf ook ikonen te gaan vervaardigen, maar het moment is hem altijd bijgebleven. In feite wilde hij pas schilder worden, toen hij in 1880 de Wereldtentoonstelling in Moskou bezocht en daar een groot aantal schilderijen zag. “Het was het keerpunt in mijn leven. Sindsdien was kunst mijn ideaal, het heiligste waarnaar ik met heel mijn ziel, met heel mijn hart verlangde,” zei hij er later over. Toch werd Von Jawlensky niet direct schilder. Hij koos aanvankelijk voor een militaire loopbaan die hem van een inkomen verzekerde. In dienst zorgde hij er wel voor om in de avonduren lessen aan de academie te volgen. Zijn grote voorbeeld was de in die tijd zeer populaire schilder Ilja Repin. Uit die tijd zijn overigens op de Rotterdamse expositie geen schilderijen te zien, de vroegste dateren uit 1901 en 1904, toen Jawlensky in een romantisch soort neo-impressionisme schilderde.

Pas toen hij het leger kon verlaten, koos hij definitief voor het kunstenaarsschap. Niet in Rusland, maar in München zou hij zich vestigen, de stad die een grote aantrekkingskracht op Russische kunstenaars had.

Jawlensky's werk uit zijn Münchner periode weerspiegelt zijn smaakvorming, zijn wisselende sympathieën voor schilders als Van Gogh, Cézanne en Gauguin. Zijn liefde voor Van Gogh komt in een van de eerste zelfportretten het duidelijkst naar voren: een markant neergezette kop onder een cylinderhoed, geschilderd met snelle brede toetsen in een warreling van kleuren en schaduwen. Het is een van de eerste keren dat Jawlensky diep in de menselijke geest doordrong.

Zwarte lijn Vooral aan Gauguin ontleende hij de hoekige vormentaal, kleurvlakken die door een zwarte lijn worden afgekaderd en ingesloten. In de jaren '10 raakte hij ook in de ban van het fauvisme. De feitelijke betekenis van de kleur ging toen al in zijn schilderijen verschuiven, getuige ook het portret van een lichamelijk gehandicapte vrouw dat hij 'De gebochelde' noemde.

Aan deze fauvistische periode kwam abrupt een einde, toen Jawlensky, met zijn Russische paspoort nog steeds op zak, bij het uitbreken van de eerste wereldoorlog Duitsland staande voet moest verlaten. Hij nam de wijk naar Zwitserland, waar hij onderdak kreeg bij vrienden. Had Jawlensky net als andere Russen voor Parijs gekozen, dan had de kunstgeschiedenis er heel anders uit gezien. Aan het Meer van Genève raakte hij in een isolement dat bepalend werd voor zijn schilderkunst. Aan het fauvisme had hij niets meer, een radicale breuk met het verleden moest het gevolg zijn. Waarschijnlijk als een van de allereerste schilders begon Jawlensky aan één thema, dat hij uitputtend zou behandelen. Zo keek hij voor een reeks landschappen niet verder dan het uitzicht dat zijn kamerraam hem bood. De natuur was nog slechts een geringe aanleiding om tot een reeks bijna-abstracte beelden te komen. Hetzelfde deed hij met de portretten. Waren de landschappen bonte lappendekens, samenstellingen van kleurige vlekken die elke betekenis hadden verloren, voor de portretten koos hij een vergelijkbare weg. Jawlensky deelde het 'landschap' van het gezicht op in een aantal verticale lijnen (de neus bijvoorbeeld als een haakvormige lijn, de wangen en het hangende haar), waaraan hij de amandelvormige ogen liet hangen. Symbolisch waren deze portretten wel, ze gaven blijk van Jawlensky's wisselende gemoedsstemmingen, zijn buien en zijn allesremmende verlammingsziekte.

Hoewel moeilijk bij een stroming in te delen, kunnen deze werken tot een authentiek abstract-expressionisme worden gerekend, met de voor hem zo typerende symboliek. Eigenlijk deed Jawlensky niets anders dan een nieuw soort ikoon te maken: het portret staat voor dé mens, de geest. Niet voor niets werd zijn werk in nazi-Duitsland entartet verklaard, het mooiste compliment dat hij kon krijgen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden