Volmaakt onuitstaanbaar

In Nederland is hij een onbekende: de Amerikaan Frederick Seidel. Menno Wigman prijst deze egocentrische, steenrijke en barbaarse dandy. Het vertalen van diens poëzie is 'onbegonnen werk', maar is volgens Wigman de moeite waard. "Een gedicht als dit heeft u nooit eerder gelezen."

Eind vorige eeuw vertelde een vriendin dat ze zich wel eens afvroeg hoe een werkdag van een 'hedendaagse dichter' er eigenlijk uitzag. Ze stelde zich voor dat hij zittend aan een slechtverlicht bureau naar een stuk of zestig woorden zat te staren, na lang peinzen een komma plaatste en vlak voor het slapengaan die komma weer verwijderde.

Hoe dichters tot hun gedichten komen: we zullen het nooit precies weten en het kan haast niet anders of het zal per dichter, waarschijnlijk zelfs per gedicht anders zijn.

Toch heb ik de indruk dat de werkdagen van onze dichters eigenlijk maar weinig van elkaar verschillen.

Natuurlijk, ze zullen zich vast nog wel eens in schemerige kamertjes afzonderen om zichzelf tot grote hoogten op te zwepen, sommigen zullen ongetwijfeld wel eens drie kwartier over een komma hebben nagedacht of lussen in een touw zijn gaan leggen als een tijdschriftredactie weer eens een dubbele punt heeft verminkt, maar het leven voor dat ene, juiste, onwrikbare woord is allang niet meer hun enige bezigheid.

Wie zich tegenwoordig ook maar even op het wereldwijde web begeeft, stuit vroeg of laat op een doorzichtig weblog waarop een van onze duizenden en duizenden dichters zijn werk zit aan te prijzen. Zoals Gerrit Komrij al eens schreef: 'Mijn bibabundel verschijnt aanstaande september bij uitgeverij de Kwetterende Kat. Lees hier alvast pagina 7 t/m 12 (de 'oercyclus')!'

Of al die onvermoeibare zelfreclame ook maar één dichter aan een tweede druk heeft geholpen - je hart staat haast stil als je er ook maar langer dan vijf seconden over nadenkt.

Ik heb me vaak afgevraagd waarin de poëzie van deze eeuw verschilt van die van de twintigste eeuw, maar ik zou het niet weten. Tot ik een jaar of wat geleden deze uitspraak van een kandidaat-Dichters des Vaderlands las: "In januari verblijf ik als dichter een tijd in Zuid-Afrika. Ik ben erg benieuwd wat ik daar zal aantreffen. Nadeel is dat ik dan geen campagne kan voeren. Misschien dat ik een marketingmanager in de arm moet nemen."

Kijk, dacht ik, hier begint de poëzie van onze eeuw, of beter: het eenentwintigste-eeuwse dichterschap toch echt nieuwe vormen aan te nemen. Een dichter die erover denkt, nee, hardop de gedachte uitspreekt de hulp van een marketingmanager in te roepen: zoiets was in de tijd van Bloem en Roland Holst toch echt ondenkbaar. In de tijd van Lucebert of, nog recenter, Hans Faverey trouwens ook.

Het probleem met dichters is niet dat ze zo slecht gelezen worden - niets, maar dan ook niets wijst erop dat het vroeger allemaal veel zonniger was - maar dat ze zich gaandeweg deze eeuw als kleinzielige koopmannen zijn gaan gedragen waaraan werkelijk niets poëtisch meer te ontwaren valt.

Had ik het over al die duizenden weblogs waarop onze muzenzonen hun handelswaar zitten aan te prijzen? Ik vergat Facebook, die warme, altijd open kroeg waar juist dichters zich van hun meest hoerige kant laten zien.

Vroeger belandden mislukte dichters nog wel eens op een reclamebureau. Nu is het alsof ze na jaren van copywriting de wereld van de poëzie aan hun voeten willen krijgen.

Je vraagt je af wat erachter zit. Van de verkoop van een bundel zal geen dichter ooit rijk worden. Daar gaat het ook niet om. Het gaat om de economie - mijn god, wat haat ik dat woord toch - van de aandacht. En om het verkrijgen van zoveel mogelijk optredens. Dat vooral. Want alleen daarvan valt te leven - mits je geen auto, geen hypotheek en kinderen hebt en nooit een vakantie boekt.

Wat een leven.

Al met al maken die beperkingen en ontzeggingen het bestaan van een dichter maar vlak en armzalig, word je haast wee als je aan al dat voorspelbare leed denkt. Laat ik het daarom eens hebben over een dichter die in niets lijkt op de duizenden stakkers die deze eeuw een hoopje drukwerk de wereld in hebben geslingerd. Te zeggen dat met hem de eenentwintigste-eeuwse poëzie eindelijk een nieuwe wending heeft genomen zou wat voorbarig zijn, maar nog nooit in zijn leven heeft hij, voor wat voor honorarium ook, zijn gedichten voorgedragen. Hij heeft het simpelweg niet nodig. Hij is miljonair.

En hij kan schrijven. Zo goed zelfs dat ik twee jaar geleden zijn gedichten begon te vertalen - al bleek dat, zoals bij alle dichters van formaat, eigenlijk onbegonnen werk.

Ik zou niet weten of iemand in Europa al eens eerder over hem heeft geschreven. In zijn eigen land vinden sommigen hem maar een beklagenswaardige oplichter. Ze vinden zijn gedichten onaangenaam, verontrustend, onbetamelijk en ongeremd. Iemand had het, nogal overspannen, over 'de meest beangstigende Amerikaanse dichter ooit'. Iemand anders noemde hem 'de Darth Vader van de hedendaagse poëzie'.

Aan de andere kant zijn Billy Collins, Benjamin Kunkel en Jonathan Franzen vurige bewonderaars van zijn poëzie. Michael Hofmann schreef een recensie over zijn werk waarin hij God dankte dat hij bestond. En Adam Kirsch noemde hem 'wellicht de beste Amerikaanse dichter van vandaag'.

Wat je ook tegen hem in kunt brengen, vervelen doet hij nooit. Het fascinerende aan zijn poëzie is dat die soms volmaakt onuitstaanbaar is. Frederick Seidel - de zoon van een Joodse kolenmagnaat uit St. Louis, 75 jaar oud en tussen al zijn reizen naar Londen, Parijs, Rome, Tokio en Singapore wonend in een van de duurste wijken van Manhattan, een dichter die nog nooit een vinger heeft uitgestoken om zijn werk 'onder de mensen te brengen', die zich sinds zijn vijfentwintigste niet meer met andere dichters heeft ingelaten en het liefst in het New Yorkse Carlyle Hotel met een bevriend diamantair of Diane von Furstenberg dineert - deze Frederick Seidel schrijft alsof het hem allemaal niks kan schelen.

A naked woman my age is a total nightmare.

A woman my age naked is a nightmare.

[Een naakte vrouw van mijn leeftijd is een complete ramp. / Een vrouw van mijn leeftijd, naakt, is een ramp.]

Zo begint zijn gedicht 'Broadway Melody', geschreven toen hij zeventig was. Sterke regels. Niets op aan te merken.

Dat vond Seidel ook, want een paar gedichten later gebruikte hij ze opnieuw, dit keer in een gedicht over explosieve seks - My dynamite penis / Is totally into Venus) - en zuurstoftenten.

A naked woman my age is just a total nightmare,

But right now one is coming through the door

With a mop, to mop up the cow flops on the floor.

She kisses the train wreck in the tent and combs his

white hair.

[Een naakte vrouw van mijn leeftijd is echt een complete ramp, / En uitgerekend nu komt er een de kamer binnen / Om met een dweil de drek van de vloer te dweilen. / Ze kust het wrak in de tent en kamt zijn witte haar.]

Explosieve seks en zuurstoftenten. Of, zoals de dichter het ziet, de keuze tussen de Mount Everest of de dood. Wat maakt het ook uit?

The young keep getting younger, but the old keep

getting younger.

But this young woman is young. We kiss.

It's almost incest when it gets to this.

This is the consensual, national, metrosexual

hunger-for-younger.

[De jongeren worden almaar jonger, maar de ouderen worden almaar jonger. / Maar deze jonge vrouw is jong. We kussen. / Het is nog net geen incest als het ervan komt. / Noem het de vrijwillige, nationale, metroseksuele honger-naar-jonger.]

Als het goed is merkt u al iets van Seidels rijmdwang. Toen ik voor het eerst 'Ooga-Booga' (2006) las - nooit eerder kocht ik een bundel met zo'n stompzinnige titel - begon ik me al snel te ergeren aan Seidel. Niet alleen bleek hij soms zo ingenomen met een regel dat hij die maar al te graag weer in andere gedichten gebruikte, ook leek hij af en toe op een onvolgroeid kind dat net het rijm had ontdekt. Geen dichter die vandaag de dag nog zulke regels zal durven schrijven:

If you consent to life, as I do, condescendingly,

It seems you get to fuck unendingly.

The woman in my bed plays Mozart heartrendingly.

I drank too much last night - as usual -

mind-bendingly.

[Als je, zoals ik, vol minachting het leven aanvaardt, / Lijkt het haast alsof je altijd wat te neuken hebt. / De vrouw in mijn bed speelt hartverscheurend Mozart. / Gisteravond dronk ik - zoals elke avond - mijn hoofd aan scherven.]

Seidel zelf zal het allemaal een zorg zijn. Trouwens, sprekend over zijn rijmende kwatrijnen zegt hij ergens gewiekst: Mine don't rhyme. En als hij het voor de zoveelste keer over zijn veroveringen, zijn uitgelezen wijnen of de speciaal voor hem vervaardigde Bugatti-motoren heeft, schrijft hij: I repete my themes - om een paar gedichten later, in precies diezelfde woorden, doodleuk te herhalen dat hij zich herhaalt.

Hoe miezerig een zuurstoftent ook mag ogen (iets zegt me dat de dichter er amper vertrouwd mee is), godzijdank is de wereld van Seidel beduidend groter. In zijn gedichten laat hij ons keer op keer weten dat hij een vaste tafel in het New Yorkse Carlyle Hotel heeft, worden we regelmatig verteld over Hotel Baglioni in Bologna, krijgen we te horen over zijn diamantair aan het Parijse Place de Vendôme, reizen we met hem mee naar de fraaiste hotels in Frankrijk, Japan en Indonesië, keren we terug naar zijn favoriete plek in het Carlyle en raakt de dichter niet uitgepraat over zijn aristocratische vriendinnen en naamloze meisjes voor een nacht.

Toch spookt het in zijn schedel. En goed ook. Wanneer hij in het donker wakker ligt 'met mijn jetlag en mijn kindertijd' is de kosmopoliet die zichzelf 'een boulevard van elegantie' noemt, de dichter die beweert dat zijn brein de omvang heeft van een walvis, een en al angst en ontreddering. No one my age can go on living for long, dichtte Seidel in 2009. Drie jaar eerder beweerde hij in 'Ooga-Booga', onbetwist een van de beste en betoverendste bundels van het afgelopen decennium: I spend most of my time not dying. / That's what living is for. Een obsessie die Seidel almaar meer, en almaar indringender doet dichten.

Drank, dood en rijmdwang, dat zijn de zwarte drijfveren van Seidels dichterschap. En diepe zelfliefde, dat ook. Alleen iemand als Seidel schrijft een gedicht dat 'Frederick Seidel' heet. En alleen iemand als Seidel begint zo'n gedicht met:

I live a life of laziness and luxury,

Like a hare without a bone who sleeps in a pâté.

Don't put me out of my misery.

[Ik leef een leven van luiheid en luxe, / Als een haas zonder botten die slaapt in een paté. // Verlos me niet uit m'n lijden.]

Lachen mag. Het maakt Seidel toch niks uit. Als het aan hem lag, schrijft hij ergens, was hij met zichzelf getrouwd.

Wat doet het er eigenlijk toe te vertellen dat Seidel miljonair is? Veel. In Amerika, waar vrijwel alle dichters, net als in Europa, uit de middenklasse komen, wordt vaak al bij voorbaat neergekeken op zijn werk. Hetzelfde overkwam Harry Crosby (1898-1929), de excentrieke, aan drank en opium verslaafde zoon van een steenrijke bankier die zijn geschriften in oogverblindende privé-uitgaven uitgaf. Maar Crosby kon niet schrijven. Voltaire, D'Annunzio en Nabokov, alle drie toevallig ook miljonair, konden dat wel. Seidel ook. Niet voor niets werden zijn verzamelde gedichten uitgebracht door een van de meest vooraanstaande uitgevers van Amerika.

Ik zou niet luidkeels willen beweren dat Frederick Seidel de poëzie van deze eeuw een nieuw gezicht heeft gegeven. Wel is hij de eigenzinnigste, grilligste en vooral brutaalste dichter die ik sinds de millenniumnacht heb gelezen. De meeste dichters zijn gewoon saai en middelmatig, of goed en niet meer dan dat, maar Seidel is verheven, kinderachtig, lyrisch, onmatig, geraffineerd en briljant tegelijk. Wie Seidel leest, zit aan tafel met een welgemanierde heer met de meest zonderlinge en barbaarse gewoonten, een dandy die elk gevoel voor proporties heeft verloren, een snob die alleen nog maar naar zichzelf lijkt te luisteren.

En toch laat deze Baudelaire van de eenentwintigste eeuw ons in al zijn rijkdom en cynisme meer zien en beleven dan wij, armlastige dichters met onze treinabonnementen en Facebookpaginaatjes, ooit zouden kunnen. Zolang er dichters als Seidel bestaan is de poëzie nog lang niet aan een zuurstoftent toe. Een gedicht als dit heeft u nooit eerder gelezen:

For Holly Andersen

What could be more pleasant than talking about

people dying,

And doctors really trying,

On a winter afternoon

At the Carlyle Hotel, in our cocoon?

We also will be dying one day soon.

Dr. Holly Andersen has a vodka cosmopolitan,

And has another, and becomes positively Neapolitan.

The moon warbling a song about the sun,

Sitting on a sofa at the Carlyle,

Staying stylishly alive for a while.

Her spirited loveliness

Does cause some distress.

She makes my urbanity undress.

I present symptoms that express

An underlying happiness in the face of the beautiful

emptiness.

She lost a very sick patient she especially cared about.

The man died on the table. It wasn't a matter of

feeling any guilt or doubt.

Something about a doctor who can cure, or anyway

try,

But can also cry,

Is some sort of ultimate lullaby, and lie.

[Wat is er prettiger dan praten over mensen die doodgaan, / En dokters die heus wel hun best doen, / Op een winternamiddag / In het Carlyle Hotel, in onze cocon? / Ook voor ons zal snel het laatste uur slaan. // Dokter Holly Andersen neemt een wodka cosmopolitan, / En neemt er nog een, en wordt waarachtig geil. / De maan kweelt een liedje over de zon / Terwijl we op een sofa in het Carlyle zitten / En nog een tijdje stijlvol in leven blijven. // Haar levendige charme / Brengt me wat van slag. / Ze kleedt mijn wellevendheid uit. / Ik vertoon symptomen van / Een onderhuidse vreugde in het aanschijn van een schitterende leegte. // Ze verloor een ernstig zieke patiënt om wie ze veel gaf. / De man stierf op de operatietafel. Het was geen zaak van schuldgevoel of twijfel. / Iets over een dokter die kan genezen of dat op z'n minst kan proberen, / Maar die ook kan huilen, / Is een uiterste vorm van sussen, en bedrog.]

Menno Wigmanis dichter, vertaler en essayist. Dit is een bewerking van zijn lezing tijdens het Antwerpse Felix Poetry Festival. De vertalingen op deze pgaina zijn van zijn hand. Wigmans laatste boek is 'Red ons van de dichters' (uitgeverij Prometheus, ISBN 9789044614930 ), een bundel beschouwingen, reportages en 'Berlijnse dagboekbladen'.

Frederick Seidel: 'Ooga-Booga', Farrar, Straus & Giroux, New York, 2006

Frederick Seidel: 'Poems 1959-2009', Farrar, Straus & Giroux, New York, 2009

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden