Volk in permanent gevaar

Alle Europese landen, te beginnen bij Duitsland, hebben in het reine moeten komen met hun eigen verleden van oorlogen, vervolgingen, concentratiekampen. En vroeg of laat stuiten ze allemaal op het ’Joodse vraagstuk’ – het probleem van het antisemitisme. Jorge Semprún noemt in zijn ’Nooit meer Auschwitz’-lezing erkenning van de eigen rol in de Holocaust een voorwaarde voor de toetreding tot Europa. Even dwingend is de erkenning van het bestaansrecht van de staat Israël.

„Voor Joden, zo concludeerde Heinrich Heine, is de doop hun ’kaartje naar Europa’. Dat was echter in 1825, toen de prijs voor de toegang tot de moderne wereld bestond uit het loslaten van een benauwende erfenis van Joods-anders zijn en isolement. Tegenwoordig geldt er een andere prijs voor toegang tot Europa. In een ironische speling, die Heine met zijn profetische aanzegging van „wilde, donkere tijden die op ons af stormen” meer dan wie ook zou hebben kunnen waarderen, moeten zij die aan het begin van de 21ste eeuw volledig Europeaan willen worden eerst een nieuwe en veel benauwender erfenis accepteren. Tegenwoordig is de relevante Europese aanbeveling niet de doop, maar de uitroeiing.”

Met deze woorden begint ’Na de oorlog. Een geschiedenis van Europa sinds 1945’, het laatste boek van de gerenommeerde historicus en politiek essayist Tony Judt. Hoewel niet het onderwerp van deze lezing, wijd ik graag een paar woorden aan dit magistrale boek, waarin Judt met een enorme kennis van feiten een haarscherpe analyse geeft van de recente Europese geschiedenis. Raak legt hij haar wezenkenmerken en tendensen bloot en schetst hij de tegenstrijdigheden die het naoorlogse Europa zowel lamlegden als verder deden ontwikkelen in een voortdurend dialectisch proces.

Judt meent dat de erkenning van de Holocaust het huidige toegangsbewijs voor Europa is. En met deze stellingname als uitgangspunt schetst de auteur het lange, complexe en moeizame historische proces dat de verschillende landen van de Europese Unie hebben afgelegd op weg naar deze erkenning.

We zouden drie aspecten kunnen onderscheiden in bovengenoemd historisch proces dat het Europa van de 20ste eeuw heeft doorlopen: van de verhulling of marginalisering van het Joodse vraagstuk en de Jodenvervolging naar de algemene en principiële erkenning van de Shoah als onmisbaar element in de democratische wederopbouw van Europa.

In de eerste plaats moeten we in herinnering roepen dat in de naoorlogse jaren in alle landen die waren bevrijd van het juk van de Duitse bezetter de neiging overheerste om het specifieke van de Jodenvervolging te verbloemen of zelfs helemaal te verbergen. Deze houding kan op verschillende wijzen worden verklaard, maar de belangrijkste reden is ongetwijfeld de volgende: na de lange vernederende oorlogsjaren, de jaren van de bezetting en van de omverwerping van alle democratische waarden en idealen, richtten de Europese landen hun blik vooral op de offers en de heldendaden van het verzet.

Daarom benadrukten de rechtse politieke krachten die tegen het nazisme hadden gestreden vóór alles de verworvenheden en de doelstellingen van de strijd voor onafhankelijkheid en de soevereiniteit van alle afzonderlijke landen. Het linkse politieke verzetskamp benadrukte vooral de waarden van het antifascisme, zeker wanneer ze het sociale gedachtengoed van hervormingen of revolutie belichaamden. Binnen deze context bleef er weinig ruimte over voor een nauwgezet en diepgravend onderzoek van het ’Joodse vraagstuk’.

Want de Joden in Europa werden niet vanwege hun daden uitgeroeid, maar om wat ze waren: om hun wezen. Dit fundamentele onderscheid is wat de genocide op het Joodse volk kenmerkt, een lot dat het deelt met de zigeuners; zij werden eveneens uitgemoord om redenen van ras en afstamming. Precies dit is wat de Joden in 1945 en in de jaren daarna uitsloot van de volksvreugde en euforie van herdenkingsbijeenkomsten en feesten.

In een tijd dat de Europese landen hun blik naar binnen richtten, zich opsloten binnen de eigen grenzen ten behoeve van de wederopbouw van de afzonderlijke nationale identiteiten, waren de Joden uitgerangeerd of in ieder geval veroordeeld tot de vergetelheid.

Aan dit objectieve feit, dat iets verklaart, maar niets rechtvaardigt, moeten we onmiddellijk een subjectief gegeven toevoegen. En dat is dat de Joodse gemeenschap die Auschwitz-Birkenau had overleefd, in de periode onmiddellijk na de bevrijding geenszins de weg van de herinnering en herdenking opzocht.

In die tijd beschouwden de Joodse overlevenden (zij die bij toeval ontsnapt waren aan hun uitroeiing, aan Hitlers Endlösung) zich als tweederangs slachtoffers, als een inferieur slag mensen. Ze hadden, zo dachten ze, geen recht op nationale eretekens. Omdat ze zich niet genoeg hadden verzet, en niet individueel en gericht waren opgepakt op grond van hun eigen persoonlijke daden of acties, maar collectief waren verdreven uit wijken of hele dorpen en gevangengenomen tijdens massale en onpersoonlijke razzia’s.

Maar er is nog een andere reden voor dit vergeten, of in ieder geval voor het zwijgen van de Joods-Europese gemeenschap over hun helse ervaringen.

De Holocaust sloeg onherstelbaar diepe wonden, liet de overlevenden lange tijd letterlijk zonder stem, kneep ze de keel dicht. Het bewust wegdrukken van de kwellingen, de pijn was veelal een individuele maar tegelijk ook collectieve therapie. Van deze overlevingsstrategie, de vitale behoefte om te vergeten, ook al was het maar tijdelijk, hebben vele schrijvers getuigenis afgelegd, in de Europese talen, het Jiddisch, het Hebreeuws.

Een naam die onmiddellijk bij me opkomt is die van Aron Appelfeld, een groot auteur, van wie ik hier graag een passage wil citeren. Appelfeld zegt in een van zijn essays over kunst en de Holocaust die hij gebundeld heeft onder de titel ’De naakte erfenis’:

„Dus leerden we ons te begeven in het rijk der stilte. Het was niet makkelijk om te zwijgen, maar voor ons allemaal was het de eenvoudigste manier om onszelf weer bij elkaar te rapen. En wat kon je ook eigenlijk vertellen? Alles begon meer en meer verzonnen te lijken, onwaarschijnlijk. Ook voor ons zelf. In onze stilte verschool zich tevens onze drang om te vergeten, de meest bittere herinneringen diep weg te moffelen, waar de blik van de buitenstaander niet kan doordringen. Zelfs de eigen blik niet.”

Wanneer wordt de stilte doorbroken? Wanneer is het Joodse volk in staat om de zware steen der vergetelheid op te lichten, de stilte die het had aanvaard en zich misschien zelfs tijdelijk had toegeëigend? Wanneer is het in staat zich ervan te bevrijden en zichzelf als entiteit in de toekomst te projecteren?

Dit belangwekkende vraagstuk is op zichzelf een grondige studie waard. Ik beperk me hier tot het formuleren van één antwoord, waarin de essentie besloten ligt.

De oprichting van de staat Israël bracht een omslag teweeg in de levenshouding en de politieke visie van de Joods-Europese diaspora na de Holocaust. Sinds dat jaar, 1948, sinds de eerste onafhankelijkheidsoorlog die leidde tot de unanieme Arabische afwijzing van de VN-resolutie, is deze mentaliteitsverandering langzaam in gang gezet. Ze voltrok zich over een periode van een kleine twintig jaar, vanaf de overrompelende overwinning van Israël in die oorlog, tot de consolidatie van de Israëlische macht in de Zesdaagse Oorlog van 1967, toen Israël de coalitie van de Arabische buurlanden een definitieve nederlaag bezorgde. Het was alsof deze militaire overwinningen van Israël en deze bekrachtiging van zijn gezag nodig waren om de slachtoffers van de Holocaust de verschrikkingen uit hun verleden rustig onder ogen te doen komen, om de gruwelen van de Endlösung in het collectieve bewustzijn te kunnen integreren. Niet als pijnlijke herinnering aan de vernedering en de nederlaag, maar eerder als een ervaring – hoe gruwelijk en weerzinwekkend ook – die dient als basis voor een gemeenschappelijk toekomstig project.

In welke eindconclusies een alomvattende studie over dit vraagstuk ook zou uitmonden, één ding is zeker: de oprichting van de staat Israël heeft een wezenlijke verandering bewerkstelligd in de benadering van het Jodendom in de moderne wereld, een thema dat door de Franse filosoof en socioloog Edgar Morin op intelligente wijze is uitgewerkt in een recent essay.

Die wijziging werd in de eerste plaats in gang gezet door de veranderende verhouding van het Joodse volk ten opzichte van zijn eigen toekomst. Nog steeds is het een volk in ballingschap, in diaspora, over de wereld en over alle nationale kleingeestigheden en eventualiteiten heen verbonden door een heilig geloof in dezelfde universele waarden en hetzelfde wereldbeeld. Israël blijft in deze traditie bestaan, maar tegelijkertijd is het sinds 1948 een staat die over zichzelf beschikt, onafhankelijk, soeverein. Het is een toevluchtsoord voor alle vervolgden, maar tevens strategisch grondgebied in de ingewikkelde geografische legpuzzel van conflicterende belangen die zo kenmerkend is voor de situatie in het Midden-Oosten sinds het uiteenvallen van het Ottomaanse rijk en het verdwijnen van de postkoloniale mandaten van Frankrijk en Groot-Brittannië in Syrië, Libanon en Palestina.

En zo bevindt zich voor de eerste keer in de geschiedenis een volk, een natie – een duidelijke afgebakende, herkenbare en classificeerbare eenheid binnen zijn eigen verscheidenheid – tegelijkertijd verspreid over de aardbol én verenigd binnen de eigen staatsgrenzen, hoe schuivend en problematisch deze ook nog zijn.

Dit volk bevindt zich tevens in een situatie van permanent gevaar. In de wereld is het uitgeleverd aan de dreiging – werkelijk, virtueel, onderhuids of uitgesproken – van het antisemitisme. En binnen de eigen nationale staat heeft het dagelijks te maken met de afwijzing, de ontkenning van de landsgrenzen en de vijandigheid van een groot deel, zo niet van de meerderheid van de Arabische buurlanden.

In deze context is het goed ons te herinneren dat de stichting van de staat Israël een van de laatste beslissingen van de VN-veiligheidsraad was waaraan zowel de Sovjet-Unie als de Verenigde Staten hun stem gaven. Je zou kunnen zeggen dat dit de laatste gemeenschappelijke actie was van de antifascistische alliantie, de laatste gezamenlijke overwinning in de oorlog tegen Hitler. Daarna zette de Koude Oorlog in.

Wij zijn hier samen om de Shoah te gedenken, en kijken tegelijkertijd met een zorgelijke en bedroefde blik naar de situatie in het Midden-Oosten, waar burgeroorlogen en regionale conflicten op de loer liggen, waar we zoveel dromen in rook hebben zien opgaan, zoveel realistische en mooie onderhandelingspogingen en akkoorden hebben zien sneuvelen. Juist daarom is het goed om terug te gaan naar de wortels van de staat Israël, naar de sleutelmomenten uit zijn bestaansgeschiedenis.

Nadat Theodor Herzl als correspondent in Parijs voor een Weens dagblad de dramatische en onterechte veroordeling van kapitein Dreyfus door een Franse rechtbank heeft meegemaakt, komt hij tot de conclusie dat het Europese regeringsbeleid, gericht op emancipatie, assimilatie en integratie van Joodse minderheden in de burgermaatschappij, mislukt was. Hij gaat nog een stap verder, zeer beslist en radicaal: het is nodig een eigen Joodse staat te stichten, dat een thuisland voor alle Joden moet zijn en een centrum van de Hebreeuwse traditie in de wereld. ’De Jodenstaat’, zo heet het boek waarin Herzl zijn zionistische beweging aankondigt.

In zijn prille beginfase lijkt het zionistische programma een utopie. En dat was het ook. Maar het is wel de enige utopie uit de twintigste eeuw die werkelijkheid geworden is.

Het zionisme is een nieuwe, originele beweging die de gebruikelijke patronen van denken en actievoeren van de sociaal-democratische partijen in Europa doorbreekt. Het gaat zelfs verder dan de strategie van de Bund, de Joodse arbeiderspartij in Polen en Rusland, die politieke autonomie van de Joden voorstaat, maar binnen de eigen nationale landsgrenzen.

Het zionisme staat iets anders voor ogen, nadat het de mislukking van de Europese assimilatiepolitiek na de traumatische Dreyfus-affaire in Frankrijk heeft kunnen aanschouwen. Vergeet hierbij niet dat de antisemitische golf die hierna in alle lagen van de gedemocratiseerde en geseculariseerde Franse maatschappij opkwam, de tragische opmaat vormde tot de Endlösung, een aantal decennia dus vóór de opkomst van de nazibeweging in Duitsland. Na deze historische gebeurtenis schetst het zionisme in de verbeelding van het Joodse volk het idee van een Joods ’thuis’, een eigen staat voor de Joden.

We moeten hier hoe dan ook constateren dat de zionistische oplossing op de werkelijkheid vooruitliep, al staat deze vaststelling een kritische benadering van de dagelijkse politiek van de Israëlische regering zeker niet in de weg. Die politiek is de historische uitkomst – en die is per definitie onvolmaakt – van dat utopische project van het zionisme. We hoeven ons evenmin gehinderd te voelen om met een rustige, analytische blik de complexe verhoudingen tussen de staat Israël en de Joodse diaspora te bezien. En te observeren hoe tegenwoordig de mogelijke – en wellicht onmisbare – tegenstrijdigheid tussen die Hebreeuwse nationale staat en de roep om een universeel Jodendom zich ontwikkelt.

Terug naar Tony Judt. Hij stelt dat als in Heines tijd de doop voor de Joden het ’kaartje naar Europa’ was, dat wil zeggen de toegang tot de moderne democratie, het toegangsbewijs nu de erkenning is van de uitroeiing van het Joodse volk.

Deze rake formulering is eigenlijk een prachtige metafoor die het wezen van de geschiedenis van Europa weerspiegelt en onderstreept. Want sinds ruim een halve eeuw, vanaf de oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en het Verdrag van Rome, is de idee van een Verenigd Europa gekenmerkt door een dubbele gedachte. Op weg naar samenwerking, bedoeld om beter in te kunnen spelen op de uitdagingen van de mondialisering, gingen de landen niet altijd gelijk op. Dat zorgde voor spanningen, irritaties en discrepanties in de uitvoering.

De eerste gedachte is die van een toekomst waarin het gemeenschappelijke en federale belang zwaarder weegt dan het nationale belang: een historisch project, omdat het juist de grenzen en beperkingen van de ’natiestaat’ overstijgt – een belangrijke Jakobijnse vondst, die nu meer en meer in onbruik is geraakt.

De tweede gedachte is juist het kritische onderzoek, zonder zelfgenoegzaamheid, van de eigen nationale geschiedenis.

Alle Europese landen, te beginnen bij Duitsland, hebben in meer of mindere mate in het reine moeten komen met hun eigen verleden, en ze moeten dat nog steeds. Burgeroorlogen, politieke vervolgingen, koloniale oorlogen, concentratiekampen: de verschillende Europese landen delen alle vormen van onrechtvaardigheid en onderdrukking, als ze hun eigen geschiedenis kritisch en objectief onder de loep nemen.

Sommige landen duiken sneller en dieper in het eigen verleden dan andere, en voeren dat kritische zelfonderzoek grondiger en consequenter uit. Maar geen enkel land is er helemaal klaar mee.

Welnu, welke strategie Europa ook kiest om de rekening met het eigen verleden te vereffenen, vroeg of laat stuit men altijd op het Joodse vraagstuk. Dat wil zeggen: op het probleem van het antisemitisme, deze oude, weerzinwekkende christelijke erfenis, die in de moderne tijden van handeldrijvende naties langzaam zijn religieuze karakter verloor. De oude haat jegens ’het volk dat God had vermoord’ kreeg meer en meer plebejische en populistische trekken, om ten slotte uit te kristalliseren in de virulente en paranoïde politiek van Hitler en zijn trawanten.

Daarom is het goed hier de stelling van Tony Judt in zijn schitterende betoog te onderstrepen. Niets is meer waar dan dat de toegang tot Europa tegenwoordig bepaald wordt door de erkenning van de uitroeiing van het Joodse volk gedurende de huiveringwekkende jaren van de Endlösung.

Bovengenoemde stelling behoeft aanvulling. De entree tot Europa vereist niet alleen de erkenning van de Shoah, maar even dwingend de erkenning van de staat Israël. Beide erkenningen kunnen niet los van elkaar gezien worden. En beide zijn op hun eigen manier voorwaarde voor de toetreding tot Europa.

Vertaling Ernestina van de Noort

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden