Volhouder geeft de regie uit handen

Hij veroorzaakte een schok met de door hem geleide parlementaire enquête naar de WAO en werd daarna als voorzitter van het LISV verantwoordelijk voor de vernieuwde uitvoering van diezelfde WAO. Flip Buurmeijer is de sociale zekerheid.

Nu, bijna tien jaar na de parlementaire enquête, geeft hij de regie uit handen over de oplossing van een van Nederlands hardnekkigste sociale vraagstukken: hoe de groei van het aantal arbeidsongeschikten te stuiten. Want ook Buurmeijer heeft niet kunnen veranderen dat deze werknemersverzekering nog steeds geldt als het manke been van de Nederlandse verzorgingsstaat. Sinds enkele jaren stijgt het aantal WAO'ers weer, iets wat Nederland onlangs nog een schrobbering van de Europese Commissie opleverde.

Buurmeijers vertrek is niet toevallig: het valt samen met de opheffing van 'zijn' LISV. In een traditie die hij maar al te goed kent en zelf ook in gang heeft gezet, wordt er binnenkort een nieuw instituut (en weer een nieuwe afkorting) aan de sociale zekerheid toegevoegd: het Uitvoeringsorgaan Werknemersverzekeringen (UWV), waarin de huidige uitkeringsinstellingen Gak, Cadans, Uszo, Guo en SFB opgaan.

Maar Buurmeijer doet niet mee aan een nieuwe ronde. Op zijn 61ste is het mooi geweest, vindt hij. Hij brengt zijn werkweek terug naar drie dagen. De scheidend voorzitter houdt zich dezer dagen vooral bezig met het uitzoeken van zijn persoonlijk archief en overdragen van dossiers. Per 1 januari neemt de directie van de nieuwe uitkeringsinstantie haar intrek in het lichte, bescheiden kantoor in Buitenveldert. De dozen staan nog niet in de gang, maar aan de muur hangt wel een oproep aan medewerkers om een bijdrage te schrijven voor de laatste editie van het personeelsblad.

Hij stopt er niet helem l mee, verzekert Buurmeijer bijna onmiddellijk aan het begin van het gesprek. In een aantal adviesfuncties blijft hij zich bemoeien met zaken rondom de WAO, WW en de arbeidsmarkt. Buurmeijer kan het gewoonweg niet laten. De zoon van een fietsenmaker uit Leens was vanaf het begin van zijn loopbaan ge-fascineerd door de positie van mensen die niet konden meekomen in de maatschappij. Dat ontdekte hij in zijn diensttijd, waar hij een strafcompagnie leidde met ontspoorde jongeren uit de grote steden. In zijn eigen dorp kwam dat niet voor. Iedereen kende elkaar en de gemeenschap ving haar eigen problemen op.

,,Na de kweekschool werd ik daarom geen onderwijzer maar ging ik het vormingswerk in'', vertelt hij. ,,Daar kreeg ik te maken met werkende jongeren die op school niet te handhaven waren, de drop-outs van het onderwijs. Dat heb ik altijd gehad, als mensen écht met de rug tegen de muur staan, moet je voor ze opkomen.''

Buurmeijer werd lid van de PvdA omdat hij zich realiseerde dat je ,,voor structurele oplossingen bij de politiek moet wezen''. Na een periode bij de sociale dienst in Rotterdam - onder leiding van oud-minister wijlen Ien Dales - werd hij in 1979 kamerlid voor de Partij van de Arbeid.

Daar trok hij meteen een gevoelig dossier naar zich toe: minderheden. Nederland kreeg te maken met een grote toevloed aan Tamils (Buurmeijer: ,,We wisten in die tijd niet eens dat die bestonden'') die evenwel geen asiel kregen. Het was de tijd dat voor het eerst bedden met protesterende asielzoekers in de Mozes en Aüronkerk in Amsterdam stonden. ,,Voor de minister van sociale zaken (in het kabinet van VVD en CDA, red.) was dat toen helemaal geen kwestie'', vertelt Buurmeijer. ,,Ik begon voor deze mensen op te komen. In die tijd kon je het het kabinet buitengewoon moeilijk maken door op de onmenselijke aspecten te wijzen.''

Buurmeijer had snel door dat hij zich als kamerlid in de oppositie goed kon profileren op het onderwerp. ,,Aan het begin van mijn kamerlidmaatschap was me al duidelijk gemaakt dat ik niet op alle onderwerpen de strijd aan moest gaan, maar er een paar krenten uit moest pikken. Dat heb ik gedaan. Met behulp van het CDA, die toen te maken had met een groep dissidenten in de fractie, kon ik zo moties indienen die net een kamermeerderheid haalden. Uiteindelijk hebben we een grote groep asielzoekers binnenboord gehouden.''

Hij ging daarin behoorlijk ver, zo vindt hij zelf achteraf. ,,Tijdens die Tamil-kwestie kwam toenmalig CDA-minister Brinkman met de zogeheten bed, bad- en broodregeling. Ze konden huisvesting en voeding krijgen en dat was het. Ik riep toen dat iedereen recht op een bijstandsuitkering had, dus ook asielzoekers. Dat is onhoudbaar gebleken. Achteraf gezien heb ik Brinkman te zwaar geattaqueerd.''

Het pleidooi paste echter bij de ideeën in de PvdA. In de partij bestond nog de overtuiging dat de bomen tot in de hemel moesten groeien. Ook de ingrepen in de sociale zekerheid, die het eerste kabinet-Lubbers (1982-1986) voorstelde, stuitten op massief verzet van de sociaal-democraten.

,,In de jaren tachtig zijn we te soft geweest'', blikt Buurmeijer terug. ,,We konden niet accepteren dat de verzorgingsstaat zijn grenzen had bereikt. Een les voor mij is geweest dat je alleen voor mensen kunt opkomen als je tegelijkertijd de sociale regelingen in de hand houdt. In de tijd dat Wim Kok aantrad en Joop den Uyl wegging, rond 1986, werd ik binnen de PvdA beleefd als de rechtervleugel.''

Hij kon desondanks niet voorkomen dat zijn partij in 1989 met open ogen in de val liep, toen het van het CDA een tekst in het regeerakkoord accepteerde waarmee het CDA/PvdA-kabinet verplicht werd het aantal WAO'ers niet verder te laten oplopen. Er waren toen 756 000 arbeidsongeschikten. Buur- meijer: ,,Het overgrote deel van mijn fractie dacht: dat probleem is mooi afgeserveerd. Ze hadden niet door wat die formulering eigenlijk inhield. De partij wilde ook wel erg graag weer meeregeren. Ik zag echter de onderstroom in de WAO, de enorme druk die daarvan uitging. Maar je werd bijna als van een andere planeet beschouwd als je zei dat er iets moest gebeuren.''

De PvdA liet zich destijds nogal ophitsen door de vakbeweging, die onder haar leden veel WAO'ers had. ,,Al in 1981, toen er moest worden bezuinigd, vond ik het aanvaardbaarder om in te grijpen in de Ziektewet dan te moeten nadenken over alternatieven. Anders was je uitgekomen bij de bijstand en dat is het echte minimum. Maar de vakbonden liepen ontzettend te hoop tegen de ingreep in de Ziektewet. We hebben toen bakzeil moeten halen. Door de vakbeweging viel het kabinet-Van Agt/Den Uyl. Toen bleek opnieuw de algemene regel te gelden dat de macht van de werkenden groter is dan van de mensen die al uit dat circuit zijn.''

,,Juist om die wetmatigheid tegen te gaan vond ik ook de WAO-ingrepen begin jaren negentig acceptabel. De WAO was relatief de beste regeling. Er waren nog geen herkeuringen en mensen kregen 70 procent van het laatstverdiende loon. Toen in juli 1991 Lubbers en Kok aankondigden hoogte en duur van de WAO-uitkering aan te pakken, kon ik dat billijken.''

De situatie van werklozen was toen veel schrijnender, vond hij. ,,In de jaren tachtig moesten in de bouw grote groepen mensen na de WW de bijstand in. Zij moesten hun eigen huis opeten, dat vond ik onacceptabel. Dat waren mensen die met bloed, zweet en tranen zelf hun huizen hadden gebouwd.''

Toch kreeg hij later de PvdA niet mee. ,,Ik had mijn fractiegenoten en de buitenwacht meer moeten doordringen van de noodzaak van een WAO-ingreep'', erkent hij. ,,Maar ik was iemand van het interne debat. Ik vertoonde niet graag dissidentengedrag.''

Het keerpunt voor Buurmeijer was toen hij in 1991 een rapport van de Rekenkamer onder ogen kreeg waarin duidelijk werd dat het toezicht op de werknemersverzekeringen faalde. De vakbeweging en werkgevers bestuurden de toenmalige bedrijfsverenigingen en konden zo directe invloed uitoefenen op individuele WAO-keuringen. De WAO-uitkering was de gouden handdruk voor de gewone man geworden. ,,Het probleem zat hem in de uitvoering'', zegt Buurmeijer. Een conclusie die in 1993 in schrille termen bevestigd werd in de parlementaire enquête.

Mede als gevolg van de enquête werd vooral de uitvoering van de WAO aangepakt. Zo werden de keuringen aangescherpt en kwam er een onafhankelijk toezicht. Maar vooral: de sociale partners kregen minder invloed op de WAO door de aloude bedrijfsverenigingen op te heffen.

Op een aantal punten kan Buurmeij-er dus tevreden zijn. En ook al heeft het lang geduurd, zijn afscheid valt samen met het sluitstuk om zijn belangrijkste aanbeveling van destijds uit te voeren. Met de instelling van één staatsuitkeringsfabriek (UWV) worden vakbeweging en werkgever op nog grotere afstand gezet van de uitvoering van de sociale zekerheid.

Maar tegelijkertijd moet Buurmeijer bijna tien jaar na dato constateren dat Nederland nog steeds met een groot sociaal probleem kampt. Sinds 1996 neemt het aantal arbeidsongeschikten weer toe. ,,Dat vind ik persoonlijk wrang'', zegt hij. ,,Terwijl we met de enquête de oorzaken van de WAO-instroom naar bovenhaalden, hebben we het probleem niet opgelost. Inmiddels is de WAO ook een ander probleem geworden. In de jaren tachtig was het een macro-probleem, een arbeidsmarktkwestie: overbodig personeel werd geloosd met behulp van een ruime WAO-uitkering. Nu is het een micro-probleem geworden. Het heeft te maken met niet goed functioneren, met arbeidsomstandigheden, met werkdruk en wat al niet meer. In feite is de WAO alleen maar een ingewikkelder vraagstuk geworden.''

Daarmee is een deel van de oplossingen van de enquêtecommissie ook achterhaald. ,,Maar een deel ook niet'', zegt Buurmeijer fel. ,,Sterker, wij hebben aanbevelingen gedaan die nu, tien jaar later, weer naar voren komen.'' Hij wijst naar de commissie-Donner, die het kabinet dit voorjaar adviseerde alleen nog volledig arbeidsongeschikten een uitkering te geven. ,,Wij zeiden in 1993 al dat alleen mensen die twee derde of meer van hun arbeidscapaciteit kwijt zijn, in aanmerking moeten komen voor WAO. De andere groep moet aan het werk blijven. Dat viel toen erg slecht. Mijn eigen fractievoorzitter (Thijs Wöltgens, red.) was woedend. Maar daar zat al de gedachte achter dat je de glijbaan naar de WAO zo krap mogelijk moet maken.''

Donners voorstellen hebben als breekijzer gewerkt, denkt Buurmeijer. Ook de sociale partners broeden nu in de Sociaal-Economische Raad op een nieuw WAO-stelsel. En ook zij vinden dat gedeeltelijk arbeidsgeschikten (langer dan nu) in dienst moeten blijven van de baas. Dat betekent alleen WAO voor volledig arbeidsongeschikten.

,,De vakcentrale CNV heeft als eerste de stap gezet. En nu heeft ook de FNV het door'', zegt Buurmeijer. ,,Het heeft lang geduurd. Maar ik ben een volhouder.''

Buurmeijer mag een volhouder zijn, de PvdA ook. In het nieuwe verkiezingsprogramma staat geen letter over wat de sociaal-democraten met de WAO willen. Dat zou erop kunnen duiden dat men het niet weet bij de partij. Buurmeijer heeft zichtbaar moeite daarover zijn ergernis te onderdrukken. Uiteindelijk weet hij het op een relatief mild oordeel te houden: ,,Ze zijn buitengewoon voorzichtig. Ik had het plezieriger gevonden als ze meer aandacht en visie hadden getoond. Het is een gemiste kans dat ze niet aanwezig zijn in het debat.''

Flip Buurmeijer neemt vandaag afscheid als voorzitter van het Landelijk Instituut Sociale Verzekeringen (LISV). Buurmeijer is de verpersoonlijking van het pijnlijke - en volgens velen late - besef binnen de PvdA dat het uit de hand liep met de verzorgingsstaat.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden