Duizenden motten fladderend rond een lichtbron.

InterviewLichtonderzoek

Volgens deze biologen is kunstlicht een oorzaak voor insectensterfte

Duizenden motten fladderend rond een lichtbron.Beeld Getty Images

Nachtelijk kunstlicht speelt mogelijk een belangrijke rol in de achteruitgang van insecten, schrijven biologen. Dat maakt de oplossing relatief simpel.

Nederland, Duitsland, Engeland, Scandinavië, maar ook Puerto Rico en zelfs Costa Rica. Vanuit alle uithoeken van de wereld komen berichten over een dramatische achteruitgang in het aantal insecten. De lijst met mogelijke verklaringen is op al die plekken vergelijkbaar. Het landschap is te monotoon geworden, met te weinig bloemen en daarmee te weinig voedsel voor insecten. En vooral: er wordt veel te kwistig gespoten met insecticiden en ander gif.

Eén logische verklaring ontbreekt in de meeste onderzoeken: lichtvervuiling. En dat is vreemd, vond een internationale groep biologen onder leiding van de Amerikaanse ecoloog Brett Seymoure. Samen zochten zij alle wetenschappelijke literatuur bijeen die iets zegt over de effecten van licht op insecten. Na ruim honderdvijftig artikelen trekken zij in het wetenschappelijk tijdschrift Biological Conservation nu hun conclusie: ook kunstlicht is een belangrijke oorzaak voor de insectensterfte.

In de war gebracht

“Het negatieve effect van licht op insecten ligt ook eigenlijk wel voor de hand”, zo licht Seymoure telefonisch toe. “Met speciale lampen in stallen en soms zelfs met lampen in gewassen worden schadelijke insecten naar één plek gelokt om ze te doden. Ook insectenonderzoekers maken gebruik van lampen die ze op lakens laten schijnen, om te inventariseren welke insecten in een bepaald gebied voorkomen. Insecten oriënteren zich ’s nachts op de natuurlijke lichtbronnen en waarschijnlijk worden ze door sterk kunstlicht zo in de war gebracht, dat ze daar naartoe vliegen en er niet meer bij weg weten te komen. Maar dat betekent dus dat ze ook niet meer toekomen aan normaal gedrag, laat staan aan voedsel zoeken. Uit ons onderzoek blijkt dat de sterfte onder insecten bij een kunstmatige lichtbron binnen één nacht al rond de dertig procent ligt.”

Behalve de directe sterfte van insecten rond sterke kunstlichtbronnen, is er ook een effect op de voortplanting, zo schrijven de onderzoekers. Licht verstoort de geurstoffen die insecten uitscheiden om het andere geslacht te vinden. En zonder het andere geslacht geen voortplanting.

Seymoure benadrukt dat in een wijde omtrek rond bebouwing tegenwoordig kunstlicht te vinden is. Toch is het zeker niet dé grote oorzaak achter de achteruitgang van insecten. “Als we al het kunstlicht uit zouden doen, gaan insecten waarschijnlijk nog steeds hard achteruit door het gebruik van insecticiden en door de verarming van ons landschap.”

Keihard bewijs

Bioloog Kamiel Spoelstra van het Nederlands Instituut voor Ecologie, het NIOO-KNAW in Wageningen, was niet betrokken bij het onderzoek van Seymoure en collega’s. Hij kan zich wel van alles voorstellen bij hun conclusies. “Als ik mijn geld zou moeten inzetten op wel of geen rol voor lichtvervuiling in de achteruitgang van insecten, dan zou ik het absoluut inzetten op ‘wel’. Tegelijk brengen de collega’s het nu wel heel stellig. Alle mogelijke mechanismen die zij uit de literatuur hebben gedestilleerd, zijn zonder meer aannemelijk. Maar om aan te tonen dat de populaties van insecten ook echt daadwerkelijk achteruitgaan door lichtvervuiling, daarvoor heb je toch experimenteel onderzoek nodig. En dat is er tot op heden nog niet.”

Volgens Spoelstra is zo’n keihard bewijs voor een negatief effect van licht op insectenpopulaties ook lastig te krijgen. “Voor een goed vergelijkend onderzoek zou je twee dezelfde gebieden moeten hebben, een met en een zonder lichtvervuiling. Maar gebieden zonder enige lichtvervuiling zijn er bijna niet meer; in ieder geval niet in Nederland. Bovendien zijn er dus nog veel andere factoren die de insecten partenspelen. Die zijn lastig los te koppelen van licht.”

Met het project ‘Licht op Natuur’, heeft Spoelstra de afgelopen jaren wel het nodige onderzoek gedaan naar de verschillende effecten van diverse kleuren licht. “We hebben onder andere ontdekt dat vleermuizen zich niet storen aan rood licht, terwijl verschillende soorten vleermuizen wel wegblijven bij andere kleuren licht. Er zijn overigens ook vleermuizen die het licht juist opzoeken, omdat ze weten dat daar meer insecten te vangen zijn. Dat zijn vooral de snelle, wendbare soorten zoals de dwergvleermuis. Die hebben onder een lamp minder te vrezen van roofdieren dan tragere vleermuissoorten.”

Eerder eieren leggen

Spoelstra en collega’s vonden ook negatieve effecten van licht op bosmuizen en marterachtigen, zoals das en boommarter. In de buurt van experimentele lantaarnpalen die zij in natuurgebieden hadden gezet, vonden zij minder van deze dieren dan in delen van het bos die onverlicht bleven. “In dat geval konden we wel een een-op-een relatie leggen tussen het verlies van leefgebied voor deze dieren en de aanwezigheid van licht.”

Daarnaast bleek uit het onderzoek met lantaarnpalen in natuurgebieden dat koolmezen in het voorjaar eerder beginnen met het leggen van eieren wanneer er meer kunstlicht in de buurt is. “Vogels reageren op temperatuur en op daglengte als het op de eileg aankomt. Meer kunstlicht lijken de vogels dan ook te interpreteren als ‘langere dagen’ en blijkbaar eerder tijd om te gaan leggen.”

Dat mezen iets eerder gaan leggen in de buurt van kunstlicht hoeft overigens niet per se een probleem te zijn, denkt Spoelstra. “Door de verandering van de gemiddelde temperatuur is voor verschillende vogels al aangetoond dat er een mismatch ontstaat tussen de piek van hun voedsel, zoals rupsen, en de piek van hun eileg. Waar ze vroeger zorgden dat de eieren uitkwamen op het moment dat er maximaal voedsel beschikbaar was, loopt dat voor verschillende soorten steeds meer uit de pas. Wat de vervroeging van de eileg onder invloed van kunstlicht in dat verhaal betekent, is nog helemaal de vraag.”

Genoeg licht van de juiste kleur

Na de vergelijking van de effecten van verschillende kleuren licht op de natuur, willen Spoelstra en collega’s de komende jaren ook gaan onderzoeken bij welke lichtintensiteit er wel of geen effecten kunnen worden gemeten op het gedrag van verschillende diersoorten. “Op die manier zouden we in de toekomst een balans kunnen zoeken tussen genoeg licht van de juiste kleur om de veiligheid te garanderen, maar niet te veel om de effecten op de natuur te minimaliseren.”

Dat zijn Amerikaanse collega Seymoure in zijn artikel schrijft dat lichtvervuiling van alle schadelijke invloeden op insecten nog het makkelijkst aan te pakken is, durft Spoelstra overigens te betwijfelen. “Technisch gezien heeft hij gelijk: je zet gewoon een schakelaar om. Maar maatschappelijk blijkt het nog heel lastig om licht uit te krijgen. Dat Rijkswaterstaat op een gegeven moment de verlichting langs snelwegen ’s nachts uit heeft gezet – vanwege de besparing, niet per se vanwege de invloed op de natuur – was ook echt opvallend.”

Lees ook:

‘Insecten zijn aan het verdwijnen’

Voor het eerst is met harde cijfers aangetoond dat in Europa insecten op grote schaal aan het verdwijnen zijn. In 27 jaar is de hoeveelheid met meer dan 75 procent afgenomen, blijkt uit Duits-Nederlands onderzoek.

Minder landbouwgif? Dat is voorlopig niet aan de orde

Het gaat niet lekker met het kabinetsbeleid om de land- en tuinbouw milieuvriendelijker te maken. Uit onderzoek blijkt dat op vrijwel alle punten de situatie niet of nauwelijks is verbeterd.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden