interview

Volgens bioloog Jelle Reumer zijn dieren helemaal niet lief

Jelle ReumerBeeld Werry Crone

Feest voor Jelle Reumer: vandaag verschijnt een nieuwe bundeling van zijn rubriek ‘Jelle’s Weekdier’. Tijd voor een gesprek over liefde voor dieren en voor mensen. 

Jelle Reumer heeft een nieuw woord verzonnen. Hij kondigt het aan met een twinkeling in zijn ogen, maar hij meent het bloedserieus. “Zombienatuur”, zegt hij dan. “Zo zou ik de natuur op het platteland in Nederland willen noemen. Een zombie lijkt te leven, maar is dood. Als je het mij vraagt, geldt hetzelfde voor de Nederlandse natuur.”

Welke aanwijzingen Reumer heeft voor zijn stelling? “Onlangs moest ik naar de Noordoostpolder. Later die week reed ik naar Twente. Beide keren kwam ik terug in Utrecht met nauwelijks een dood insect op de voorruit van mijn auto. Een jaar of vijftien geleden was dat echt heel anders. De insecten zijn er niet meer. Je ziet ze niet en je hoort ze niet meer. De ‘silent spring’ die biologe Rachel Carson in de jaren zestig aankondigde voor de vogels is er niet gekomen, maar voor de insecten inmiddels wel.”

Reumer, bioloog en paleontoloog, schrijver van de wekelijkse Trouw-rubriek Jelle’s Weekdier, zit op een bankje in de Amsterdamse dierentuin Artis. “Hoor je de mussen tsjilpen?”, vraagt hij. “Het zijn er echt heel veel.” Maar het getsjilp wordt overstemd door kindergekwetter. “Dierentuinen zijn best leuk”, zegt Reumer. “Vooral als je de kinderen wegdenkt.”

Jelle Reumer heeft iets te vieren. Onlangs verscheen de tweehonderdste aflevering van zijn rubriek in deze krant, en van zijn stukjes verschijnt vandaag een nieuwe bundeling. Reden genoeg om hem eens door de dierentuin te loodsen. Welke beesten prikkelen zijn fantasie en wat ziet hij als geoefend kijker wat de argeloze bezoeker niet ziet?

Ruim tweehonderd weekdieren… Gefeliciteerd met uw jubileum.

“Ja, dank je. Ik doe het sinds 2013. Eigenlijk was het de bedoeling dat Midas Dekkers de rubriek ging verzorgen, maar die had naar verluidt niet zo’n zin. Toen ben ik het maar geworden. In de rubriek gaat het elke week over een dier, maar dat dier dient altijd als opstapje naar een groter onderwerp, zoals landschapspijn of het nut van camouflage. Ik probeer er altijd… hé, kijk daar, achter je! Een nijlgans met acht jongen. Dat fokt maar door, ze doen flink hun best, die exoten. En zie je zijn poten? Die kleur, dat is net mensenhuid. Het lijkt wel een handje van een negentigjarige.”

U wilde zeggen dat u in uw rubriek altijd probeert…?

“Ik probeer mensen op een andere manier te laten kijken. Doordat ik het bijvoorbeeld opneem voor de kakkerlak. Of de rat, ik ben gek op ratten. Verder probeer ik duidelijk te maken hoe antropomorf wij denken: we projecteren onze eigen ideeën en emoties op dieren. Maar dat is een misvatting. Dat een dolfijn naar boven gekrulde mondhoeken heeft, betekent namelijk niet dat hij lacht. Dieren lachen niet. Ze zijn ook niet arrogant, zoals van kamelen wel wordt gezegd, dat ze zo’n hautaine blik hebben. Dieren zijn niet lief, dat willen wij alleen maar in ze zien. Net zoals we in een wolk een ijsbeer ontwaren, en denken dat die vlek op een tosti het gezicht van Jezus is. Mensen doen dat om… verrek, wat komt daar nou aangevlogen? Een ooievaar! Kijk nou, wat een mooi beest.”

Waarom projecteren we menselijke eigenschappen op dieren?

“Dat is een aangeboren trekje. We willen duiding geven aan de wereld om ons heen. Dat biedt ons een vorm van controle.”

“Zeg, we zitten hier nu wel in de dierentuin, maar ik heb heel ambivalente gevoelens bij het fenomeen dierentuin. Het is heel bijzonder om al die verschillende dieren te zien, maar je haalt ze wel uit hun natuurlijke habitat. Niet dat ik denk dat die leeuw die daar ligt nu zo ongelukkig is, maar wat moet die hier eigenlijk? Hij wordt in het wild helemaal niet bedreigd, dus je hoeft er niet in gevangenschap mee te fokken om de soort in stand te houden. Het blijft een beetje negentiende-eeuws, zo’n verzameling dieren, en… allemachtig wat maken die apen daar een herrie, zeg. Het lijkt wel het Turkse parlement.”

Kost zo’n wekelijkse rubriek u moeite? Steeds een ander dier als aanleiding voor een betoog of een overpeinzing.

“Het komt in het geheel niet uit mijn tenen. Ik blijf mij verbazen over wat er allemaal bestaat. Aan ieder dier is wel iets wat gek, raar, irritant, vrolijk of smerig is. Er zijn geen dieren waar niets over te zeggen valt. Zie je trouwens dat die kinderen daar meer aandacht hebben voor de mussen dan voor de leeuw?”

Heeft u voor elk dier sympathie?

“Oh nee. Niet voor honden. Honden stinken. Het zijn gedweeë, volgzame kuddedieren die het karakter van hun baas overnemen. En dat is meestal geen compliment. Een kat heeft tenminste nog zelf karakter. In mijn studententijd had ik een bijbaan als postbode. In die tijd heb ik de hond echt leren haten. Dan had je een brievenbus met zo’n harde borstel erachter, en daar moest dan een slappe envelop van de giro doorheen. Dat lukt alleen als je je hand door de bus stak. Voor je het wist hing er dan een hond aan je vingers.

Later kwam ik vaak honden tegen tijdens het hardlopen. Dan riep de baas “hij doet niks, hoor”, en vervolgens beet zo’n beest je in de kuiten. Nee, tussen mij en honden is nooit meer goed gekomen.”

De spitsmuis daarentegen…

“… Is een schitterend, fascinerend diertje. Ik ben op de spitsmuis gepromoveerd. Dat wil zeggen: de fossiele spitsmuis. Het voordeel van fossielen is dat ze dood zijn. Ze lopen of vliegen niet weg. En je hoeft ook niet aan een ethische commissie te vragen of je er wel onderzoek naar mag doen.”

En de mens?

“Als je denkt dat ik als bioloog alleen in dieren ben geïnteresseerd, heb je het mis. Ik ben beëdigd als babs, buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand. Ik mag mensen in de echt verbinden. Ik heb dat nu een keer of twaalf gedaan. Je bent dan deelgenoot van een geluksmoment van mensen. Geluk dat ik ze gun. Je moet een aantal formaliteiten afwerken en daarna kun je als babs een persoonlijke speech houden. Dat ligt mij wel. Een praatje houden, iets vertellen – daar houd ik veel van. Of het nu is voor studenten op de universiteit of ouderen van de seniorenacademie. Ik kan ervan genieten. Mijn rubriek in Trouw past daar ook bij, het is een kans om een verhaal te vertellen. Ja, volgens mij is dat wat ik in wezen ben: een verteller.”

Lees hier de afleveringen na van de rubriek van Jelle Reumer in Trouw, Jelle's weekdier.

Jelle Reumer (Hilversum, 1953) 

Reumer studeerde biologie in Utrecht en was bijna dertig jaar directeur van het Natuurhistorisch Museum Rotterdam. Sinds 2015 is hij hoogleraar Vertebrate Paleontology aan de Universiteit Utrecht. Sinds januari 2013 schrijft hij elke zaterdag in Trouw de rubriek ‘Jelle’s Weekdier’, stukjes die volgens hem evenzeer over mensen als over dieren gaan. Vandaag verschijnt ‘De getijgerde lijmspuiter & 99 andere beesten’, een bundel van honderd ‘weekdieren’.

Uitgeverij Lias, 240 blz. € 17,95.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden