Volgend jaar gaan we écht kamperen Nederland kampeert

De ideale vakantie bestaat soms alleen in je hoofd. Is het verlangen naar een tent op een nette camping niet prettiger dan een échte tent op een nette camping?

Het is gelukt. Alles klopt. We zijn, zoals het hoort, in Frankrijk, in een streek met lichtglooiende zonnebloemvelden en middeleeuwse vestingstadjes met vierkante pleinen waar 's avonds in kraampjes goedkope sieraden, lavendelzakjes en heilzame kristallen worden verkocht. Er is een Hypermarché in de buurt. En we kamperen. Want dat wilde ik zo graag.

Nou ja: kamperen. De échte kampeerder zal zijn neus ophalen voor de ingerichte tent met alles erop en eraan die wij bij een Nederlands echtpaar hebben gehuurd in de tuin van hun verbouwde voormalige meisjesschool. Met een houten vlondervloer. Met bedden op pootjes. Met een kledingkast, een tafel en stoelen. Met zelfs, verderop op het terrein, voor ieder gezin een eigen badkamer met wc en douche. Glamping is het woord dat hiervoor in het leven is geroepen - een samentrekking van glamour en camping.

Het is het enige compromis dat ik met mijn wederhelft, de totaalweigeraar, heb kunnen sluiten. Die wil in zijn vakantie niet op een matje liggen, of rondlopen met een wc-rol. Mij kan het daarom niet zo heel veel schelen hoe nep of authentiek, luxe of basic dit is: het is al heel wat. Het enige wat ik wil is zoveel mogelijk buiten zijn, voeten in het gras, omslachtig koffie zetten, wortels schrappen met mijn survivalmes, mieren bestrijden en water halen in een jerrycan (nee, de tent heeft nog net geen stromend water).

De kinderen doen wat ze moeten doen: hangen in de hangmat, contact maken met leeftijdgenoten, eindeloos zwemmen, met tegenzin afwassen en tot diep in de avond met zaklampen verstoppertje spelen rond het oude schoolgebouw. So far so good.

Wij gingen niet kamperen, vroeger, mijn vader, moeder, zus en ik. Wij gingen naar hotels, appartementen. Van de eenvoudige soort, dat wel. Het dichtste dat we als gezin ooit bij kamperen zijn geweest, was een eenvoudig houten huisje ergens in Wales. Maar toen het na een week regen precies boven het kussen van mijn vader begon te lekken, zijn we acuut vertrokken.

Waarom kampeerden wij eigenlijk niet? Mijn vader had er begin jaren zestig, nog voordat hij mijn moeder trouwde, al het een en ander aan verre reizen opzitten. Dat was best bijzonder, in de tijd vóór de ontwikkeling van het massatoerisme en naar het zuiden doorlopende snelwegen. Met een vriend trok hij naar Spanje en Portugal, naar Italië, met de boot naar Israël, Egypte, Griekenland. Ze beleefden bonte avonturen. Van kamperen was geen sprake. Mijn vader vond zichzelf te lang. Weliswaar vouwde hij zijn 1,92 in een Fiatje 600 waarmee hij met vriend Cor duizenden kilometers aflegde, maar om zichzelf ook nog eens in een tentje te vouwen, nou nee.

Erg natuur-minded was mijn vader trouwens ook niet. Andere culturen, talen, steden, opgravingen en musea: ja. Aan het strand zitten, mensen kijken, een duik in zee: ook ja. De bossen of de bergen in, wandelen: nee.

Ik was er altijd van onvertuigd dat in mijn moeder wél een oerkampeerder school - net als in mijzelf trouwens. Buitenmens, opgegroeid op een boerderij, handig en praktisch. Ze draaide haar hand niet om voor fikkies stoken, messen slijpen, vissen van haakjes halen. En ze had jarenlang gekampeerd.

Maar toen ik haar eens vroeg naar haar kampeerervaringen met haar zus en oudere broers, vanuit Duitsland naar Zandvoort in de duinen, kwamen er niet bepaald idyllische herinneringen boven. Zij en haar zus, zo vertelde ze, werden door de twee oudere broers voornamelijk meegenomen als kok, afwashulp en verdere hulp in de huishouding: de kerels staken geen vinger uit. Voor de zussen was er van vakantie eigenlijk geen sprake: ze waren vooral hard aan het werk - net als thuis. De uitrusting van hun tent was ronduit primitief. Ze hadden geen echte kampeerspullen maar bij elkaar geraapte huisraad. Mijn moeder wist nog precies hoe het bedlaken dat ze bij wijze van luifel voor de tent spanden bij regen onmiddellijk in elkaar zakte, en natuurlijk geen druppel tegenhield.

Had ze de misère in de loop der decennia wat aangedikt? Zó erg kan het toch niet geweest zijn?

Per slot van rekening leerde ze mijn vader tijdens die vakanties kennen en herinner ik me vooral verhalen van dansavonden en feestjes. Maar ik heb haar ook nooit bij mijn vader horen aandringen op een kampeervakantie.

Voordat ik zelf ging kamperen was de middelbare school al voorbij. Met een Interrailkaart, een rugzak, een tentje en een toenmalige beste vriendin vertrok ik na het eindexamen naar Spanje, waar we op een oververhitte camping die veel te lichte Hollandse haringen maar niet in die veel te harde Spaanse rotsbodem kregen. Gelukkig waren er Britse buurjongens met een hamer, en thee met melk. Erg goed sliepen we niet, op onze veel te dunne matjes.

Daarna volgden de verkeringen voor wie vakantie geen vakantie heette maar 'reizen': een subtiel verschil. Als er gekampeerd werd dan echt, puur, basic. Niet op een verschrikkelijk burgerlijke camping maar in het wild, in de vrije natuur, in de achterbak van een zelfomgebouwde oude auto of in een tentje, ergens in een stil bosje - waar ik meestal geen oog dicht deed omdat ik bang was voor boze boeren, boze politiemannen of gewoon, mannen die onze kelen kwamen doorsnijden.

Ergens aan een Bretons strand mosselen zoeken en die 's avonds op datzelfde strand op een campinggasje koken en opeten - dat had wel wat. Maar toen we dat aan een Noord-Portugese riviermonding nog eens herhaalden met kreeftjes werden we ziek. Bovendien kwam die nacht de befaamde lokale mist opzetten. In een klamme tent moesten we de verschijnselen van een voedselvergiftiging te boven zien te komen, zonder wc of een kraan maar in de buurt.

In een wildpark in Oeganda lag ik een hele nacht wakker omdat een ranger had gezegd dat de nijlpaarden 's nachts vaak in de buurt van de tenten kwamen grazen. Nu zwiepte er iets langs de tent: ik was ervan overtuigd dat het het staartje van een nijlpaard was, dat achterwaarts grazend ons tentje omver zou duwen, en ons zou verpletteren. Het bleek, bij nadere inspectie door de verkering, een loshangend touwtje.

Kamperen, bedacht ik toen, dat doe je in Nederland, of in Frankrijk. Op een nette camping. Verder maar beter van niet.

Toen kwam de huidige verkering, er kwamen kinderen, vakanties. Kamperen deden we niet. De verkering piekerde er niet over. We gingen naar vakantiehuizen, het een wat luxer dan het ander.

Ondertussen bleef mijn verlangen naar die nette camping sluimeren, naar een vakantie waarin je verlost bent van afwasmachines, televisie, wifi en al die andere dingen die het doen lijken alsof je gewoon thuis bent. Vakantie, dat is buiten zijn, met je voeten in het gras.

Oké, goed dan, we probeerden het een keer. In mei. Naar die prachtige voorbeeldnatuurcamping nabij Ommen, met vrienden. Het was zeven graden en het regende. Vier dagen lang.

's Nachts vroor het bijna. Dat hielp niet echt.

We gingen ook eens naar een 'Beter Boerenbed'-camping, bij een boerderij in de Achterhoek. Voor een astronomisch bedrag sliepen we een paar nachten in een grote, zware tent, ingericht met zorgvuldig versleten meubels, een als houten poepdoos vermomde wc, een bedstee voor de kinderen, alleen maar koud water, geen douche en geen stroom.

Bij kaarslicht speelden we 's avonds spelletjes en 's ochtends moest ik vroeg op om het fornuis alvast op te stoken. De melk haalden we uiteraard in een bus bij de boer, terwijl de kinderen de koffiebonen maalden. Het weer zat mee, de kinderen vonden het fantastisch, het was heerlijk, maar ook een beetje vreemd: dat je voor de prijs van een riant vakantiehuis voor heel even eenvoudig mag leven. In een soort zelfverzonnen vroeger. En dat het werkte. Want aan het eind van die week vertrokken wij en alle andere bovenmodale tweeverdieners, met blozende wangen en een goed gevoel, in onze comfortabele gezinsauto's richting Randstad, tophypotheek en kookeiland.

In onze ingerichte tent in Frankrijk lijkt zelfs mijn wederhelft ondertussen best tevreden. Hij slaapt redelijk, is blij met zijn eigen badkamer.

Het duurt niet heel lang: het model 'riddertent' dat onze Nederlandse beheerders uitkozen, is in zijn ogen toch wel erg kinderachtig . We zijn toch niet van Playmobil? En dat het terrein grenst aan een provinciale weg waar het vrachtverkeer voorbijdendert, hadden ze er ook best bij mogen vertellen. Binnen een paar dagen heeft mijn man een vriend: een Nederlander met eveneens een laptop. Urenlang zitten ze tegenover elkaar aan een tafeltje dicht bij de voormalige meisjesschool. Want daar is wifi. Ze zoeken een vakantiehuis.

Volgend jaar ga ik écht kamperen, neem ik me voor. Hoe dan ook. Met een eigen tent, op een nette camping in Frankrijk. Maar waarom sta ik daar dan nu nog niet? Hoe zit het eigenlijk met die oerkampeerder die in mij schuilt? Wie of wat houdt me tegen? Ik ken ze heus wel, de horrorverhalen. Over noodweer, veel te kleine plaatsen, een animatieteam, wegbranden in de bloedhitte zonder schaduw terwijl er op de plaatjes op internet toch echt alleen maar groen te zien was, verwilderde kinderen die je nooit meer ziet, afijn, de bekende riedel.

De ideale vakantie bestaat soms alleen maar in je hoofd. Ik koester mijn verlangen zolang het onvervuld blijft. Vanuit een comfortabel vakantiehuis.

Reageren

Wat is uw ideale vakantie? Fantaseert u er alleen over, of heeft u 'm al beleefd? De komende weken ontvangen wij graag uw reacties, liefst in maximaal 150 woorden, in tijd@trouw.nl.

Populair
Deze zomer kamperen liefst 3,7 miljoen Nederlanders; 2,6 miljoen daarvan kiezen voor een kampeervakantie in het buitenland. Van alle kampeerders uit Europa is 25 procent afkomstig uit Nederland.

1,1 miljoen mensen blijven binnen de landsgrenzen. Het klinkt logisch: als het hier mooi weer is blijven mensen dicht bij huis. Regenen ze van de camping, dan reizen veel kampeerders de zon achterna.

Frankrijk is nog steeds de meest gekozen buitenlandse kampeerbestemming: 40 procent van alle Nederlanders trekt met tent (of caravan, die zitten ook in de cijfers) naar een Franse camping. Andere populaire bestemmingen zijn Duitsland, Italië en België - in die volgorde. Van de buitenlanders die in Nederland kamperen is meer dan de helft Duits, gevolgd door Belgen (10 procent), Fransen (8 procent) en Britten (7 procent).

Nederland kampeerde
Kampeerpaspoort

Vanaf de Tweede Wereldoorlog komt in Nederland het kamperen op. In 1950 waren er 100.000 kampeerders.

Je had de 'echte' kampeerders die een cursus bij de ANWB hadden gevolgd: kamperen was tijdens die wederopbouwjaren meer een sport dan een alternatieve vorm van vakantie.

Vanaf eind jaren zestig en begin jaren zeventig kwamen er steeds meer 'eigenwijze' kampeerders bij met goedkope tentjes en verkeerd geplaatste scheerlijnen. Geheel in overeenstemming met de tijdgeest werd in 1974 het verplichte 'kampeerpaspoort' afgeschaft.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden