VOL TAND, TONG, LIP EN GEHEMELTE

“Immer zag ik het aan voor wat het was: de groteske van een prachtige liefdesgeschiedenis die zich afspeelt in een spirituele woestijn, bespikkeld met cokes, chewing gum, ice creams, plastic en chromium, want wat is, dat is.”Een nieuwe vertaling van Lolita - door Rien Verhoef, uitgegeven door De Bezige Bij - was voor Willem Brakman aanleiding de boeken van Nabokov te herlezen. Het werk van de schrijver Nabokov valt uiteen in boeken vóór en na Lolita. Lolita is geen geschiedenis waarin de moraal een hoofdrol speelt, niet vulgair en niet geschreven door een perverseling. Integendeel: “bij alles wat het ook verder is, het is een boek kuis als ijs.”

Zijn taal is er een van een directe presentatie, vol tand, tong, lip en gehemelte voor wat de fysieke kant betreft en waarin verder verwerkt een scherp oog voor het verdwaalde detail, de suggestie van overvloed, de poëzie van terzijdes, een onbezoedeld gevoel voor timing, een grote gevoeligheid voor de magie van 'topografisch' laatste zinnen en een onbeschaamd plezier in het woord, waarvoor geen betere term is te vinden dan lustbedingt. Het is een taal in staat de bijzondere poëzie aan te geven van een revolver, wat Humbert Humbert in Lolita dan ook doet als hij zijn dodelijk wapen chum doopt, een plechtigheid waarbij hij, in plaats van 'levend water', gin gebruikt.

Deze taal zet ons zonder omhaal midden in Nabokovs specifieke wereld, in hoge mate onder controle en geconstrueerd, vol verwijzingen en toespelingen, niet zonder bijterige wreedheid en met een besmuikt plezier in valkuilen, voetklemmen en lolligheden die hem soms verdacht dicht in de buurt brengen van de ergste soort mensen die ik ken, de practical joker.

Het werk van Nabokov valt voor mij uiteen in boeken vóór en na Lolita, een uitspraak waarvoor hij mij zou hebben vermoord maar niettemin hier bedoeld om het uitzonderlijke van dit boek aan te geven. De boeken vóór Lolita, grotendeels geschreven voor de exilanten in Berlijn en Parijs na de Russische revolutie, leveren al een staalkaart van zijn talenten; de overmacht van de taal, het vermogen aan kleinste gebeurtenissen diepe ervaringen op te doen, zijn enorme vindingrijkheid en vooral zijn monomanieën (vorm, schaken, kruiswoordraadsel, vlinderjacht) als bijzondere toegift van de Muze. De filosoof Sloterdijk meldt zeer terecht 'Philosophie ohne Manie ist ein Dreck' en dat geldt voor de literatuur niet minder. Vóór Lolita poseert hij al van hoog tot laag, van een draak Laughter in the dark, een overspelthema met als handenwrijvend hoogtepunt het bedrijven van de liefde in een vertrek waarin ook de blinde! echtgenoot en derhalve vol pornografische kneepjes der geruisloosheid, tot het hoogtepunt van The Gift. Dat laatste is een verbale citadel, een boek met als hoofdpersoon de literatuur en wel de Russische en dat is voor Nabokov Poesjkin en Gogol met Dostojevski als bête noire. Het is het boek dat een zekere Fjodor hoopt eens te zullen schrijven en dat onderwijl door Nabokov voor zijn neus wordt weggepend . . . doorvlochten met theorieën die de stelling bevestigen dat ook op wankele opvattingen prachtige boeken zijn te bouwen.

In The Defence leeft hij zich uit wat betreft zijn verknochtheid aan de vorm, de compositie, constructie, montage, spiegelsymboliek en dubbelgang. Het is het verhaal van een schaakmeester die ontdekt gevangen te zitten in varianten van een grondpatroon en uiteindelijk geen andere uitweg meer ziet dan van het schaakbord te stappen door uit het raam te springen.

Ook het werk ná Lolita tast de uitzonderlijkheid daarvan niet aan, noch het autobiografische Pnin waarvoor hij put uit zijn universitaire loopbaan in Amerika, noch zijn indrukwekkende biografie sec Speak Memory of zijn overgeconstrueerde Pale Fire hebben voor mij de nerf geraakt die deed schokken als bij Lolita.

Misschien is dit te plomp uitgedrukt en ligt het moeilijker. In verband met een joodse uitleg van de Wet las ik over de vraag 'Wat gebeurt er als de Messias komt'. Het antwoord was, dan wordt alles een heel klein beetje verschoven.

Dat zou ook een goede definitie kunnen zijn voor het zo ongrijpbare meesterschap; vergeleken met het mindere is daarin alles een ietsje verschoven, een heel klein beetje, maar dan wel alles . . . Dat laat ik ook gelden voor de plaats die Lolita inneemt in het geheel van Nabokovs werk.

Vorm, de vormende hand, het scheppen van eenheid in de onoverzichtelijke oppervlakte-structuur der werkelijkheid wordt bij Nabokov het speuren naar funderende patronen. Het is het geheim van zijn entomologische (insektenkundige) verrukkingen, het plezier van de ingewijde, dat hem bevangt als hij een insekt zich ziet verdedigen door het gedrag van zijn aanvaller na te bootsen. Het is de vreugde van besmuikte inzichten, een om de hoek kijken zoals in The Gift waarin een oude man die sterft de plotselinge zekerheid krijgt geschonken dat er geen leven is na de dood, een feit dat hij even zeker acht als dat het op dat moment buiten regent. Dat laatste blijkt echter een nuchter ritueel, het begieten van een bloembak door de bovenbuurvrouw.

Het blijft niettemin pikant, deze voorkeur voor een vastliggend patroon, dat wil zeggen een dwangsysteem te zien fêteren door iemand die weet had van een in zijn ontwikkeling zo snel ontspoord communisme, een systeem dat wel raad wist met variaties op een zeker grondpatroon.

In The Gift is het de tijd die onthuld wordt als een spiraal in plaats van een lineair proces, alle gebeurtenissen in een krul herhalen en verdichten zich naar het eind toe en vormen daar weer het begin van een volgende draai, zodat een oneindige reeks opstandingen ontstaat als een triomf over de sterfelijkheid van de mens. In The real life of Sebastian Knight, is het grondmodel iets dergelijks, de slang die in zijn eigen staart bijt.

Nabokovs vaste overtuiging en geloof liggen aan de kant van de vorm en hij fundeert deze niet in een formalistische esthetica maar in een Metafysiek. In het boek Pale Fire is de hoofdperoon een kenner van de achttiende-eeuwse Engelse dichter Pope, en als deze Pope gelooft hij, en volgens eigen zeggen Nabokov met hem, dat er geen ontwerpen zijn zonder een ontwerper aan te nemen. Achter alles hurkt iets of iemand: de Muze, het noodlot, de verteller of nog hoger en mogelijk een boosaardige potsenmaker. In Lolita heet deze verborgene McFate.

Natuurlijk is hier veel ironie aanwezig, hij blijft de goochelaar die, als men het hem te moeilijk maakt, zichzelf weggoochelt, wat even sterk als zwak is. Onmiskenbaar terugkerend in zijn boeken zijn de grondpatronen, microcosmen die zichzelf rechtvaardigen. De filosofische substantie ervan is echter die van de generaal Patton; eenmaal is toeval, tweemaal een samenloop van omstandigheden, maar driemaal is een vijandelijke actie. Zo ook zijn koketterie met het solipsisme, een even hardnekkig als flodderig spook in de wijsbegeerte en dat men bij Nabokov maar beter kan waarderen om zijn literaire mogelijkheden; het solus ipse, het opgesloten zijn in het eigen bewustzijn. Zo geformuleerd is dat natuurlijk een onmogelijkheid, dan zou het bewustzijn niets anders bevatten dan zichzelf, maar het is hier bedoeld als een autonoom bewustzijn dat bij machte is zich van zichzelf te distantiëren en daar men nu eenmaal niet een beetje autonoom kan zijn, is de bepaaldheid van zichzelf een absolute. Dit concept van het afgeronde bewustzijn opent een mogelijkheid van een spel met alles (de naam Humbert Humbert is in dit geval in Lolita ook niet zonder betekenis), een zich onderwerpen aan door zichzelf gestelde regels. Het kan het plezier schenken van de vondst, zoals de dwang van het rijm dat doet in de poëzie, er kan het avontuur in schuilgaan van de ontrafelaar, de ontdekker van patronen en daar tegelijk de al of niet herkende schepper van zijn, mogelijk een flirt met de schizofrenie, het handenwrijvend kneuteren om de charme van het zwaarteloos verbeelden puur.

Erin is de hum van de verzamelaar die allusies, dwarsverbindingen, taalvondsten, citaten, gebarsten en weer gelijmde woorden, invoegt bij het eigen geestesgoed, genietend ze verlost te zien van de vloek altijd maar nuttig te zijn. Maar het kan ook anders worden geformuleerd: als een goochelaarsnummer, tot in iedere seconde berekend en overwogen maar waarvan het resultaat ondergaat met, en dooft in het applaus. Er is in het werk van Nabokov een element dat zich tegen hem keert, nog niet eens zozeer een wantrouwen in beschreven geluk of ongeluk, maar een speuren naar waar de huisheer uithangt en met welke gelaatsuitdrukking. Zijn soms in de lucht hangend meesterschap, de gelaagdheid, dubbelzinnigheid, bijbetekenissen en inventiviteit kunnen niet alleen irriteren maar ook, en dat is veel erger, vervelen om het klink- en klaterspel, het vrijblijvende. Over de bladen, maar dat kan hier alleen maar met het grootste respect worden opgemerkt, hangt maar al te vaak de nauw merkbare maar toch duidelijke glans van de schaker die een gemeen zetje in petto heeft, of beter nog, van de kleptomaan die triomferend het pand verlaat met een trivialiteit in de broekzak en daarmee iedereen te slim af is.

Lolita - in dat werk handhaaft de gekwelde en getourmenteerde hoofdpersoon met de onnavolgbare naam Humbert Humbert zich in een wereld van woorden, hij leeft in een woordhypertrofie die, wonderlijk genoeg, nergens onecht aandoet en waarbinnen zich het epos ontwikkelt. Hier geen wurgende constructies van bovenaf ten koste van alles wat buiten het begrip uitsteekt, maar een ontwikkeling als het ware van onderaf, vanuit het amorfe, spontane, irrationele en impulsieve, kortom het bijzondere, en in deze zin neemt dit boek in het hele werk van Nabokov een uitzonderlijke plaats in.

Dit verhaal heeft mij nooit, geen moment, getroffen als een geschiedenis waarin de moraal een hoofdrol zou spelen, een soort Pilgrim's Progress. Alle anti-Amerikaanse perspectieven waren mij op slag wel dierbaar, maar zonder daarbij ooit te zijn uitgegleden naar een opvatting van een Europa zo vol cultuur, versus Amerika zo bol van onbegrip en zo vol van flinkerds. Immer zag ik het aan voor wat het was: de groteske van een prachtige liefdesgeschiedenis die zich afspeelt in een spirituele woestijn, bespikkeld met cokes, chewing gum, ice creams, plastic en chromium, want wat is, dat is. Tegen dit decor bemint Humbert Humbert zijn Lolita, als een man van het woord, een linguïst, een culturele introvert if ever there was one, ziek van erotische fantasieën en hunkerend te ontsnappen uit zijn verbale gevangenis. Van zijn kant wordt het een enchanted hunt die zijn object neurotisch vervormt maar daaraan tegelijk haar grote dimensies ontleent en haar magische kracht.

Als de fysieke zwaarte van de schrijver voor mij niet zo onhoudbaar in Humbert Humbert was overgegaan, dan zou de liefde van Poe voor zijn Annabel, waar in het boek op wordt gezinspeeld en waarin gevleugelde serafijnen, necrofilie en een Koninkrijk aan de zee zijn opgenomen, een betere hulplijn geweest. 'She had entered my world', zegt Humbert Humbert, 'umber and black Humberland, the shadowland of memory, a punning world where one shadow pursues another, and is destroyed in the process'.

Lolita - ontoelaatbaar aantrekkelijk voor een bijna middelbare, zo viriele introvert, een destillaat van verboden gedachten, zwaarteloos van gang en met een taaltje waarvoor Nabokov ernstig en verrukt studies verrichtte in een schoolbus. Zij komt van zeer diep, steeg al in hem op in een bevoorrechte jeugd met veel tijd, toen hij met zijn ouders op vakantie was aan het Rivièrastrand. Daar was hij juist op het punt, in een grot een prille vakantieliefde, zo eentje die door hopeloze en uitzichtsloze perspectieven uitersten bereikt, eens en voor eeuwig af te ronden toen zich het duistere silhouet van een volwassene in de ingang aftekende, een incident dat zich avant la lettre alvast nestelde in hoofdstuk vijf. 'Frustrated, childish sexuality, the sceptre of my passion' zegt Humbert Humbert daar en deze passie broeit in hem als een ziekte, zij voedt zich met Poe's Lenore en Annabel, Swinburne's Lady of Pain, en de zo destructieve Carmen, alles omvat en behoed door een 'intangible island of entranced time'.

Een hele literaire cultuur wordt door hem nageplozen op de archetypische nymphet en de grote Nympholeptici. Het tekent zijn leven en ook de wereld waarin hij leeft, want dodelijk is zijn blik op weelderige vrouwen van wie hij alleen de lagen vet ziet waarin de nymphet is weggezonken als in een graf. Het is dan ook geen wonder dat, als McFate hem eindelijk tot zijn Lolita voert, hij zijn verdoemenis verwelkomt als een verlossing.

Ongetwijfeld behoort Humbert Humbert tot de grote minnaars, als eindelijk de nacht der nachten aanbreekt. De gelegenheid, een motel, heet The Enchanted Hunter, een soort Disneyland House of Usher. Daar aangekomen lopen de mislukkingen alle kanten op, zoals dat hoort in de hoogste regionen. De nymphet is voor alle zekerheid verdoofd door slaaptabletten, de uiteindelijke akt masturbatie met daar omheen 'words, words, words, only words to play with' en derhalve veel beschouwingen, hocus-pocusmythologie; over de duivel en God, het kwaad en de zinnelijkheid en de smart over zichzelf als een Jean Jacques Humbert.

In het cruciale hoofdstuk 28 (Alfred Appel Jr. The annotated Lolita) is de in het boek immer aanwezige parodie niet minder sterk maar laat toch meer ruimte voor ontroering en geeft een ampel overzicht op Humbert Humberts gekweldheid; de vraag of hij een vervoerde is, een gegrepene in een wereld die geheel en geestloos in functionaliteiten is opgegaan, of een geestesgezonde in een waanzinnige wereld. Ik deel hem in bij beide soorten en gezien zijn grote voorkeur voor het spel als een bridger in een wereld van klaverjassers.

Dit spelelement verlaat hem nooit, ook niet op de meest saillante plaatsen in het boek. Als Humbert Humbert de eerste nacht met Lolita zal doorbrengen in The Enchanted Hunter bevindt hij zich al direct in zijn vertrouwde wereld: “there was a double bed, a mirror, a double bed in the mirror, a closet door with a mirror, a bathroom door ditto, a blue dark window, a reflected bed there, the same in the closet mirror, a glass topped table,. . .” In ieder geval reflectie overal en spiegels daar waar ramen hadden kunnen zijn, en wat een raam kon bieden, daarvoor kan Nabokov putten uit een prachtig beeld in Speak Memory, waar hij, in zijn jeugd verdroomd naar buiten starend, zijn vader beschrijft die hij in het venster van de eetzaal langzaam ziet rijzen en dalen, in horizontale houding. Na dat zo uiterst belangrijke momentje van onbegrip blijkt dat zijn vader buiten door dankbare boeren wordt gejonast.

Humbert Humbert weet van beide regio's, van de enorme, alzijdige mogelijkheden van een om zichzelf gecentreerd, rijk gestoffeerd bewustzijn en de ruimte daarbuiten. Aan de ene kant de taal, de geheimtaal en de verlossing die zij kan schenken: taal als verdediging, toeverlaat, vaudeville van onthullen en verbergen, de holle en bolle spiegels van de zelfparodie en met nooit het onzegbare zonder woord. Aan de andere kant de overmacht der abstracties, de algemeenheden, de donkere gestalten aan de ingang van de grot. Dat laatste is het terrein van de duistere Quilty, de dubbelganger en maker van pornografische films, parodie op Humbert Humbert maar toch ook het gebied van de vlindervanger en zijn denken in soort en geslacht. Beiden ontmoeten elkaar in de verbeelding waarin aan de werkelijkheid wordt hersteld wat haar buiten te kort is gedaan.

Het resultaat is een waarheidsmoment: 'aesthetic bliss, a sense of tenderness, kindness, ecstacy', maar van een hoog werkelijkheidsgehalte, omspeeld als dit wordt door een te stevige echtgenote, sex als summercamp-game, de horror der motels, vriendinnen, politie, jury, vonnis, Quilty, guilty! . . . de enchanted hunter is ook een hunted enchanter. Humbert Humbert is het bedreigde avontuur van de geest die zich in vervoering over zichzelf buigt, van de taal waarin hij alle sporen nagaat van zijn liefde tot in de meest verborgen hoeken.

Edmund Wilson, criticus, vriend van Nabokov en te boek staand als 'the last man of letters', vond het werk vulgair en de hoofdpersoon een perverseling. Dat is onjuist. Het is een ontroerend boek, de geschiedenis van een verliefdheid, een epopee van het geluk en het ongeluk een nymf, zo'n spriet tegen het lijf te lopen, een van die 'filles du feu' die bij machte zijn hemel en hel aan elkaar te naaien, als dat woord hier tenminste gepast is, want waarachtig, bij alles wat het ook verder is, het is een boek kuis als ijs.

Het is ook een werk waarbij men de hoed dient te lichten vanwege de soberheid ten opzichte van 'het hogere'. Daarvoor echter het hoge soortelijk gewicht van de aanwijsbare wereld van ons allen, maar betoverd door Humbert Humberts viriele treurigheid, zijn bereidheid zich te verliezen in en aan de dingen, het onthullen van dat wat in vertrouwdheden onder is gegaan, kortom tot fosforiseren gebracht door een baaierd van Messiaanse verschuivingen. De hoofdrol speelt hierin de verbaliteit, verrassend tot in de simpelste vondsten: als Humbert Humbert zijn gevecht met de duistere Quilty beschrijft, hoort men opeens dat Nabokov niet in zijn moedertaal schreef, en heel in de verte eens het vervoegen heeft moeten leren: “I rolled over him, he rolled over me, we rolled over us, they rolled over them . . .” Ach, waar geen taal is, daar is duisternis.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden