Vogel mengt klassiek met jazz in kwartet

UTRECHT - Het toeval hielp Tjitze Vogel een handje bij het starten van zijn nieuwe groep Vogelkwartet. In de stapel onbruikbare composities, die hij de laatste jaren had geschreven, zaten enkele stukken die eigenlijk wel bij elkaar pasten. Ze waren geschreven voor een kleine kwartetbezetting en stilistisch waren ze zo uiteenlopend, dat ze juist daardoor samen weer een eenheid vormden.

KEES POLLING

“Met Vogelkwartet maken we geen klassieke muziek en ook geen volksmuziek. Maar het is eigenlijk ook geen jazz”, vertelt de van oorsprong Friese bassist in de studeerkamer van zijn Utrechtse benedenwoning. “Het is een heerlijk en spannend avontuur om met al die elementen die me boeien iets eigens te creëren.”

Dat eigene is hem goed gelukt. De muziek die hij met zijn kwartet brengt hoor je nergens anders. Er is geen groep die ook maar een beetje in de buurt komt.

De stilistische diversiteit, die Vogel in zijn muziek nastreeft, is daarvoor een voorname reden. Maar er is meer. Zo heeft hij gekozen voor de uiterst onorthodoxe bezetting van trombone, viool, basklarinet/sopraansaxofoon en contrabas, dus zonder reguliere ritmesectie.

Heel wat anders dan de 'gewone' bezetting van Vogelvijf, de voorganger van Vogelkwartet. Daarin speelde de bassist met twee saxofonisten, pianist en drummer.

“Het weglaten van een akkoordinstrument en slagwerk dwingt je juist in het improviseren geen standaardoplossingen te kiezen. Dat wordt vergemakkelijkt doordat elk instrument een dusdanig andere klankkleur heeft. Daardoor kan er veel tegelijk gebeuren, zonder dat het een brij wordt.”

Hoezeer deze 'rare' bezetting ook de klankkleur van Vogelkwartet bepaalt, belangrijker is wellicht nog de organische verhouding tussen compositie en improvisatie in de muziek. Veel musici hebben daar moeite mee. Zoniet de mensen met wie Vogel werkt: blazer Lothar Ohlmeier, violist Jasper le Clerq en trombonist Joost Swinkels. “Dat dat lukt”, beseft Vogel, “heeft alles te maken met hun kwaliteiten. En natuurlijk met mijn eigen muzikale achtergrond. De muziek die ik met hen speel, heeft veel weg van klassieke muziek, in de zin dat het thematisch materiaal uitgecomponeerd is. Maar dat wat in de klassieke muziek de doorwerking is, het verwerken van het materiaal en het ermee spelen, vind ik het leukst om met anderen op het moment zelf te doen.”

Waar die ontwikkeling uiteindelijk in resulteert, weet hij niet. “Mijn zoektocht gaat in essentie”, zegt hij hardop nadenkend, “over het verbinden en vermengen van uiteenlopende muzikale elementen. In mijn geval vind ik die in de muziek waarmee ik ben opgegroeid: Bartók, Stravinsky, Varèse. Klassieke muziek, maar ook volksmuziek. En in de structuurdiscipline en instrumentbeheersing die ik aan het begin van mijn carrière, begin jaren tachtig, geleerd heb door veel traditionele jazz te spelen.”

Traditionele jazz speelt Tjitze Vogel nog wel. Maar vooral in groepen waarvoor hij wordt gevraagd. “Nieuwe muziek en conventionele jazz zijn twee kanten van mijn muzikale spectrum. Ik vind het belangrijker een band te hebben met musici, dan dat ik kies voor een specifieke stijl. Als ik me ergens niet thuisvoel, stap ik eruit. Mijn eigen projecten bieden me de mogelijkheid om uitdagingen aan te gaan die ik in bestaande groepen niet tegenkom. Maar ook meer traditioneel ingestelde groepen bieden mogelijkheden.”

Een van die groepen, waarmee Vogel de laatste tijd aan de weg timmert, is Tois, het nieuwe trio van trompettist Angelo Verploegen. “Daarin speel ik met oude vrienden, met wie ik in jaren niet het podium had gedeeld.” Tois heeft ook enkele composities van Vogel op het repertoire. “In eerste instantie kom je bijeen en om met bestaande stukken de onderlinge connectie en het eigen verhaal te vinden die de samenwerking de moeite waard maken.”

Oude stukken werkt hij daarvoor om voor de nieuwe bezetting. “Ontwikkelt een groep zich verder, dan komt er vanzelf inspiratie om specifiek voor die bezetting en musici muziek te schrijven.” Enthousiast voegt hij daaraan toe: “Het is frappant dat de uitwerking van een oud stuk door andere groepen vaak zodanig is, dat ik er nieuwe aspecten in ontdek. Dat maakt ze voor mij weer fris en nieuw.”

De laatste tijd is hij meer gaan strijken; daar zit een geluid, waar hij nog veel mee kan. Zijn veelgeprezen sonore bastoon heeft Vogel, zo zegt hij bescheiden, hoofdzakelijk te danken aan zijn leraar John Clayton. Hij komt uit een muzikaal gezin en speelt bas sinds zijn zeventiende. Hij ontmoette Clayton “een Ray Brown-leerling, maar ook een voortreffelijk klassieke strijker”, toen hij in Utrecht muziekwetenschappen studeerde.

In die tijd schreef hij jazzrecensies voor het Utrechts Nieuwsblad, maar het liefst wilde hij zelf jazz spelen. Toen Clayton les ging geven aan het Haags Conservatorium, schreef Vogel zich daar in. Vogel kwam Clayton voor het eerst tegen in een amateur-symfonieorkest, waarin hij ook speelde. “Clayton liet doorschemeren dat hij ook jazz speelde. Een tijdje later hoorde ik op Tros Sesjun een bassist prachtig strijken. Dat bleek Clayton in een trio met pianist Monty Alexander.”

“ Drie weken later kwam ik hem weer tegen en vertelde hij dat hij van Los Angeles verhuisde naar Utrecht, waar zijn vriendin woonde. Toen wist ik: van die man wil ik les hebben. Hij woonde, geloof ik, nog geen half uur in Utrecht of ik stond al bij hem op de stoep met mijn bas.”

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden