Review

Voetstappen van wie? Van een gigantische hond!

Welke klassiekers moeten we in de 21ste eeuw nog lezen? In juni, de maand van het spannende boek, houdt Willy Wielek vijf klassieke thrillers tegen het licht. Deze week: 'The Hound of the Baskervilles'.

So please grip this fact with your cerebral

tentacle,

The doll and its maker are never identical.

Arthur Conan Doyle

December 1893 was een zwarte maand in Engeland. In Londen verschenen rouwbanden op straat, aan het hof was men, naar verluid, 'ontzet'. Wat was er gebeurd? Sherlock Holmes was dood! Tezamen met zijn aartsvijand, de megaschurk professor Moriarty, was hij in de watervallen van het Zwitserse Reichenbach gestort. Zijn schepper, Arthur Conan Doyle (1859-1930), kreeg stapels dreig- en smeekbrieven en zelfs een oplawaai met een koffer. The Strand, het tijdschrift waarin Doyle sinds anderhalf jaar zijn Sherlock-verhalen publiceerde (met illustraties van Walter Paget), verloor in één klap twintigduizend abonnees. Maar Doyle was niet te vermurwen. ,,Het is met Sherlock Holmes als met pâté de foie gras,'' zei hij. ,,Eens heb ik daar te veel van gegeten, nu word ik al misselijk als ik eraan denk.''

Nee, Conan Doyle had niet zo'n hoge dunk van zijn schepping, hij sloeg zijn andere werk, onder andere historische romans met als hoofdfiguren ene brigadier Gerard en Napoleon, veel hoger aan. Die worden nu nauwelijks nog gelezen, terwijl Sherlock Holmes zo ongeveer eeuwigheidswaarde heeft verworven. Doyle leek ook niet op de vermaarde speurder, uiterlijk noch innerlijk. Sherlock Holmes is

fijngebouwd, Doyle was zwaar en robuust en had handen als kolenschoppen; Holmes speelt, als hij niet aan het speuren is, bij voorkeur op zijn viool thuis in Baker Street 221B, gekleed in een purperen ochtendjas, Doyle blonk uit in vele sporten en reisde de hele wereld rond; Holmes haatte vrouwen, Doyle vereerde ze. En, last but not least, Holmes is een junk, zo nu en dan spuit hij met zijn magere, witte, nerveuze vingers cocaïne in zijn aderen. Nu moeten we wel bedenken dat er toen anders over werd gedacht dan nu: cocaïne en morfine waren vrij verkrijgbaar, ze werden aanbevolen als geneesmiddel voor zwakke zenuwen en zaten in hoestpastilles en gorgeldranken.

Maar toch... Arthur Conan Doyle wilde het liefst een Engelse gentleman zijn. Engels was hij niet, hij was in Schotland geboren en getogen uit een geslacht van Ierse kunstenaars, een gentleman was hij wel. Hij was eerlijk en integer, hij trok zich het lot aan van mensen die onschuldig waren veroordeeld, hij schreef woedende artikelen over de gruwelijke wantoestanden in de Belgische Congo, waar hij getuige van was geweest. Toen zijn vrouw Louisa tuberculose kreeg en lichamelijk verkeer verboden werd, bleef hij haar dertien jaar lang lichamelijk trouw hoewel hij verliefd werd op een andere vrouw. Hij was ook een fervent patriot, hij verdedigde de Boerenoorlog tot en met de concentratiekampen.

In het begin van zijn leven had hij althans het rationalisme met Holmes gemeen: hij brak reeds heel vroeg met het katholieke geloof, hij was zelfs zo consequent dat hij de hulp van zijn invloedrijke katholieke familie bij het opbouwen van zijn medische praktijk afwees. Maar later geraakte hij geheel in de ban van het spiritisme. Hij geloofde in geesten, ectoplasma en zelfs in elfjes. In 1917 beweerden een paar meisjes dat ze niet alleen met elfjes verkeerden, maar ze ook gefotografeerd hadden. Conan Doyle geloofde het onmiddellijk. Dat is verbazingwekkend, want die elfjes droegen niet alleen keurige schoentjes en kousjes, ze hingen ook overduidelijk met veiligheidsspelden aan elkaar.

Toen de meisjes heel oud waren en Doyle allang dood, biechtten ze op dat het allemaal een uit de hand gelopen grap was. Maar van Conan Doyle meenden velen sindsdien dat hij niet goed bij zijn hoofd was. Gelukkig had hij Sherlock Holmes weer opgewekt voor hij in handen van de elfjes viel. In 1901 verscheen hij in een verhaal dat tot het langste en beroemdste zou gaan behoren van Doyle's oeuvre: 'The Hound of the Baskervilles'. De schrijver hield eerst nog een slag om de arm: volgens hem was het een oud verhaal dat dr. Watson, Sherlock Holmes' ietwat domme, hondstrouwe gezel, in een doos had gevonden. Maar later liet hij hem echt herrijzen uit zijn natte graf.

De titel alleen al is een vondst: ijzersterk, intrigerend en toch eenvoudig, net als de plot. Net als elk goed verhaal. Op een gegeven ogenblik klopt ene dr. Mortimer aan op Baker Street 221B. Hij is een dokter in een dorp in Dartmoor, op de rand van de lugubere moors en hij vertelt hoe Sir Charles Baskerville, nazaat van een oeroud geslacht, is gestorven van schrik nadat hij is gevlucht voor een onbekend gevaar. Hij vertelt ook dat er een legende rondwaart in het dorp. Een slechte voorvader van sir Charles zou door een helhond zijn verscheurd en volgens de dorpelingen waart die hond weer rond. Midden in zijn verhaal aarzelt dr. Mortimer en Holmes vraagt of hij iets heeft gezien op de plaats van het ongeluk. ,,Voetsporen'', zegt dr. Mortimer. ,,Van een man of van een vrouw?'' ,,Van een gigantische hond!''

Welnu, op die uitdaging moet Holmes natuurlijk wel ingaan. Hij vertrekt naar de moors maar hij keert al spoedig naar Londen terug en laat dr. Watson verslag uitbrengen. De zoektocht naar de hond en de man achter de hond wordt bemoeilijkt door het feit dat er een gevaarlijke misdadiger is ontsnapt uit de gevangenis en dat de bedienden van de nieuwe Sir Baskerville, die beschermd moet worden tegen het lot dat hem wellicht wacht, zich heel vreemd gedragen.

Als ik aan 'The Hound of the Baskervilles' denk, zie ik natte koude mist en vuile koude regen die neerdaalt op een woestenij van rotsen, holen, hutten en heide. Hoogstwaarschijnlijk heb ik die beelden ontleend aan de diverse films die ik door de jaren heen heb gezien met het verhaal als plot, maar Doyle had het beeld niet nodig om een grimmige sfeer op te roepen: als je het boek nu leest, word je weer meegesleept en lopen de griezels je over de grauwen. Het donkere silhouet van een enorm lange man dat zich aftekent tegen het zwerk ... De immense, lichtgevende hond met blauwe vlammen uit zijn kwijlende bek.... 'The Hound of the Baskervilles' behoort tot ons cultuurgoed, dat is zeker.

Apropos: de beroemde uitroep 'Elementary, my dear Watson!' komt in geen van de Sherlock Holmes-vertellingen voor. Het is een uitvinding van de filmscenaristen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden