Voetremmen in een donderbui

afzien | De Tour de France van 1926 was de langste ooit. Maar hoe bar waren de omstandigheden echt, en wat is mythevorming? Trouw-redacteur Koos Schwartz zocht het uit en schreef er een boek over.

Als de renners 's morgens om drie uur 's uit Nice vertrekken, is het aangenaam weer. Haast maken de 43 overgebleven coureurs niet. Met vier cols en 275 kilometer voor de boeg - het is de op een na kortste etappe in deze Tour - hebben ze geen zin in gejakker. Pas op de tweede berg, de Col d'Allos, ontbrandt de strijd. Vlak voor de top is er het gebruikelijke beeld. De knoestige Vlaming Lucien Buysse rijdt voorop. Buysse (33), die in zijn wielerleven vooral als knecht heeft gediend, is dit jaar in de bergen verreweg de sterkste.


Dan knapt zijn voorrem.


Dat komt beroerd uit, want de afdaling van de Allos is lang, bochtig en gevaarlijk. Buysse peutert aan zijn rem. Van fiets wisselen mag hij niet. Dat mag alleen als een fiets zo zwaar beschadigd is dat verder rijden onmogelijk is. Met een defecte rem is te rijden, stelt het Tourreglement.


Als Buysse zijn rem probeert te repareren, rijdt de Italiaan Bartolomeo Aimo hem voorbij. Buysse moet voorzichtiger dalen dan normaal, maar er is nog niets verloren. Aimo staat in het klassement bijna twee uur achter hem. Zijn enige rivaal, de Luxemburger Nicolas Frantz, is op de Allos achteropgeraakt. Zijn achterrem doet het nog en die is in de afdaling belangrijker dan zijn voorrem. Beneden, in Barcelonnette, ligt Aimo twee minuten voor op Buysse.


Het is warm geworden, drukkend warm. Als de renners aan de Col de Vars beginnen, komt er onheil in zicht. Donkere wolken pakken zich samen. Aimo rijdt sterk. Dan knalt het. Als de Italiaanse klimmer bijna boven is, barst de hemel open. Het dondert, het bliksemt en het begint te hozen.


Tourchef Henri Desgrange ziet het vanuit zijn volgwagen. 'Het was een ware zondvloed', schrijft hij in zijn sportkrant L'Auto. 'De renners zijn totaal verkleumd.' Coureurs kloppen bij boerderijen aan en kopen tafelkleden. Ze scheuren er een gat in en duwen daar hun hoofd door. De Fransman Georges Cuvelier krijgt van een sergeant een jas en een broek. In dat 'uniform' zal hij vele uren later in Briançon finishen.


Aimo rondt de Col de Vars als eerste, Buysse als tweede. Dan slaat het noodlot echt toe. Zijn achterrem breekt. Remmen kan hij nu alleen door zijn voet op de grond te zetten of zijn schoen tegen zijn achterband aan te drukken - en, als het even kan, tegen zijn voorband. Het is glad, de weg zit vol kuilen, overal liggen losse stenen. Door lawines eerder in het jaar zijn veel relingen afgebroken. Voetremmend gaat Buysse naar beneden. Een stuurfout en hij ligt in een ravijn.


Nu verliest Buysse wel veel tijd. Renners passeren hem. In het dal ligt hij een kwartier op Aimo achter. De Italiaan rust bij de ravitaillering even uit. Hij eet twee eieren en een banaan, en neemt een slok uit een flaconnetje dat hij in de zak van zijn trui draagt. Buysse heeft inmiddels prettig gezelschap gekregen. Zijn broer en ploeggenoot Jules heeft hem bijgehaald.


Samen beginnen de broers aan de laatste klim, de gevreesde Col d'Izoard. Weer bewijst Buysse hoe sterk hij is. Met zijn broer haalt hij renners in. Ze klimmen sneller dan Aimo. Het dondert, het bliksemt, het giet en er is hagel. Ook l'Auto trekt in zijn wedstrijdverslag alle registers open. 'Op de Izoard is het een ijskoude chaos van gletsjerspieken, van bitterkalk, van afgronden waarop stortbuien in een rukwind neervallen. De doorweekte weg lijkt van de ene naar de andere kant te wankelen. Stenen, losgekomen door de banden, rollen en vallen te pletter. In een oceaan van grijze wolken, opgelicht door bliksemflitsen, danteske contouren die zich verenigen met de rots, stijgt de meedogenloze, woeste col, naar de verlossing. Bergkammen met rossige en violette weerschijn zouden eruitzien als nevelige gordels als de sneeuw er niet zijn witheid op had gegooid. De lucht, kouder nu, snijdt door de voorhoofden, en striemt de oren. Maar de mannen die zich hebben vastgebeten in hun taak stijgen richting hoop: het paradijs van de andere kant.'


Paradijs van de andere kant? Buysse ligt op de top van de Izoard 14 minuten achter Aimo. In de laatste afdaling van de dag neemt hij geen enkel risico. Jules rijdt van hem weg. Voetremmend voelt Buysse zijn zolen slijten en zijn voeten warm worden. De ene na de andere renner passeert hem. Zijn knechten rijden hem ook voorbij. Blijkbaar vindt Buysse het te gevaarlijk om met hen te dalen.


Na twaalf uur koersen arriveert Aimo als eerste in Briançon. Buysse komt als negende binnen, 27 minuten achter de Italiaan. Hij heeft een groot gat in zijn schoen. In zijn kielzog finisht Nicolas Frantz, die later zal zeggen dat hij op de Allos koud beekwater had gedronken waardoor zijn maag opspeelde. De halfzieke Luxemburger weet het: het kansje dat hij nog op de Tourzege had, is verkeken. Als Buysse een week later als winnaar wordt gehuldigd in het Parc des Princes in Parijs gaan zijn gedachten even terug naar de Vars en de Izoard. "Ik krijg het nog koud als ik eraan denk dat ik tengevolge daarvan mijn plaats had kunnen verliezen", zegt hij.


Koos Schwartz - De langste Tour. Hoe Lucien Buysse de Ronde van 1926 won. 192 pag, 14,95 euro. Pas verschenen als speciale editie van De Muur, wielertijdschrift voor Nederland en Vlaanderen. Het stuk op de linkerpagina is een ingekorte versie van het 19de hoofdstuk uit het boek.

undefined

Was het echt zo honds in de Pyreneeën?

De Tour de France van 1926 dankt zijn faam aan twee dingen. Het was met 5745 kilometer de langste Tour uit de geschiedenis, 2000 kilometer langer dan die van 2016. De tiende etappe, van Bayonne naar Luchon (326 kilometer, vier Pyreneeëncols) geldt als de zwaarste Tourrit ooit.


Het Belgische blad Het Volk schreef over die etappe: 'Het is een dag geweest als die van het Laatste Oordeel, in een decor als dat van de Noordpool, geteisterd door een sneeuwstorm.' Wielerjournalist Jean Nelissen schreef dat er een stormwind joeg, dat bliksemflitsen op de rotsen sloegen, dat er sneeuw naar beneden dwarrelde en dat bergbewoners later vertelden dat ze nog nooit zo'n noodweer in de Pyreneeën hadden meegemaakt. In andere boeken is sprake van hagel, hagelbollen, storm, onweer en laagjes ijs die vastzaten op rennersbenen.

undefined

Was het echt zo honds? Nee.

Het was die dag koud en mistig. Het regende veel, soms hard. De wegen (nou ja: wegen?) waren glad en modderig. Op de Aubisque en de Tourmalet waren ze stukgereden door automobilisten die 's morgens op weg waren gegaan naar de toppen. Maar het stormde niet, er waren geen hagelbollen, er viel geen sneeuw en het vroor niet. Kortom: barre omstandigheden, geen Noordpool.


Hoe is dat Noordpool-beeld dan ontstaan? De mythe is vooral in de wereld geholpen door renners als Lucien Buysse en Staf van Slembrouck, de Vlaming die in die Pyreneeënrit de gele trui aan Buysse verloor. Beiden hebben kostelijke verhalen over Bayonne-Luchon verteld en niet alleen over het weer. Zo heeft Van Slembrouck gezegd dat zeker het halve peloton, inclusief hijzelf, niet op de fiets in Luchon aankwam, maar in een auto, bus of truck. Al die renners zouden van Tourchef Desgrange toestemming hebben gekregen de Tour te vervolgen. Maar zo is het niet gegaan.


Zeker, Van Slembrouck en Buysse zogen soms dingen uit hun duim. Dat konden ze na een Tour zonder radio en televisie ook makkelijk doen. Wie zou in België hun gekruide verhalen kunnen of willen tegenspreken? Maar onverbeterlijke fantasten waren het toch niet. Van Slembrouck en Buysse hebben, bewust of onbewust, hun ervaringen in de Alpenetappe naar Briancon (zie hiernaast) en gebeurtenissen in andere barre ritten opgeteld bij hun wederwaardigheden in Bayonne-Luchon. En vervolgens alles aan die etappe toegeschreven. De omstandigheden tijdens Bayonne-Luchon waren bar, maar de rit dankt zijn Noordpool-imago aan de rukwinden en de stort- en hagelbuien tijdens de etappe naar Briancon - en nog wat andere ritten met rotweer.


Bayonne-Luchon was hels, dat wel. Te bar, vonden een paar Franse kranten zelfs. Op de Aubisque moest bijna iedereen van de fiets, hoog op de Tourmalet moesten alle renners dat. In de zompige modderbrij was niet te rijden. Foto's bewijzen dat. Buysse deed ruim 17 uur over de etappe. Zijn gemiddelde snelheid bedroeg 18,9 kilometer. Daarmee is hij de traagste Tourritwinnaar aller tijden. Over de hele Tour deed Buysse 238 uur, 44 minuten en 15 seconden. Negentig jaar later zou Chris Froome ruim 89 uur nodig hebben om zijn Tour te winnen. Froome reed gemiddeld 39,6 kilometer per uur. Buysse haalde net de 24.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden