Voetbal, mijn heerlijke afgod

Als oud-sportjournalist kent Klaas Vos de tover van de topsport. En het bedrog. Toch woedt in hem het voetbalvirus. "Valt dat wel te rijmen met je predikantschap?"

Klaas Vos (1949) werkte voor de VPRO en versloeg de Tour de France en Olympische Spelen voor NOS 'Langs de Lijn'. Sinds 2009 is hij predikant (PKN) te Woensdrecht.

'Kijk maar, je ziet niet wat je ziet.' Deze variant op Nijhoffs beroemde aforisme kwam vrijwel spontaan in me op toen ik begin dit jaar naar flitsen van de Australian Open zat te kijken. Zag ik eerlijke partijen of zat ik te kijken naar 'neppartijen', waardoor het verslag van Marcella Mesker een hoge graad van ridiculiteit bevatte?

Voor een jongetje uit een arbeidersgezin was tennis onbereikbaar. Te duur - het werd alleen gespeeld door de bewoners van de kapitale villa's aan de randen van mijn geboortedorp.

Maar zelfs het tennis, de voor mij altijd deftig gebleven sport, lijkt al net zo gecorrumpeerd als andere sporten. Het Internationale Olympisch Comité heeft tientallen deelnemers van de Spelen in Peking (2008) en Sotsji (2014) alsnog betrapt op doping. Het aandeel Russen daarin - vijftien medaillewinnaars alleen al in Sotsji - degradeert de hele affaire-Lance Armstrong tot een kleinigheid. Vorige maand is FC Twente van de eredivisie naar de eerste divisie teruggezet als straf voor financieel gesjoemel. Barcelona heeft na het opheffen van het verbod op transfers liefst 77 jonge spelertjes uit diverse buitenlanden 'opgehaald'.

We weten het eigenlijk allemaal al heel lang: in de topsport draait het uiteindelijk alleen maar om geld, geld en nog eens geld. Het is één dans om het gouden kalf. De kerken lopen leeg, de secularisatie heeft z'n miljoenen verslagen, maar is daarmee de religie verdwenen? Nee, de oude god Mammon is triomferend uit zijn as herrezen, als hij - de hardnekkigste god aller tijden - al ooit verdwenen was.

Is dat wellicht kenmerkend voor de moderne tijd - en meer verborgen onder het vernis van kerkelijk geloof van alle tijden: dat we ja en amen zeggen tegen de Mammon? Een geloof dat in alle openheid, vrijmoedigheid en zonder schaamte beleden wordt in het neoliberalisme, dat de wereldwijde religie is geworden. Is het niet veelzeggend dat 'Atlas Shrugged' van Ayn Rand, de bijbel van het neoliberalisme, na de Bijbel een van de meest verkochte boeken is in de VS? Dit denken werd grondslag en horizon van niet alleen de bankenwereld en de politiek, maar zeker ook van de topsport.

De topsport is één grote offercultus aan de Mammon, van wie iedereen hoopt dat hij steeds meer geeft, maar die nog meer blijkt te nemen. Hij zaait verwoesting en ongelijkheid, zaait en oogst naast aanbidding en verwondering ook verwarring en wanhoop.

In de voetbalwereld zijn de prijzen bij voorbaat al verdeeld tussen de geldgrootmachten - met Leicester als uitzondering die de regel bevestigt. De anderen zijn overgeleverd aan de luimen van Chinese, Russische, Arabische of Thaise suikerooms.

De hoogmis voor Mammon, waarop het hele dopingprobleem is terug te voeren, begon met de invoering van de 'professionalisering'. Dat is vooral bij het wielrennen goed te zien. De eerste dopingdode viel daar al eind 19de eeuw. En het verkopen van wedstrijden is in de sport al decennia schering en inslag.

Ooit sprak ik voor 'Langs de Lijn' Wim van Est, op een mooie zomerdag in de tuin van zijn villa in St. Willibrord. Zonder gêne sprak hij over het regelen van uitslagen, vooral in de criteriums, en het dwarszitten, en dus broodroof, van hen die aan het systeem van wheelen en dealen niet mee wilden doen. Om zijn pols zag ik een oude, peperdure Pontiac. "Is dat het horloge dat nog liep na uw spectaculaire val?", vroeg ik. In zijn sappig West-Brabants antwoordde hij grijnslachend: "Natuurlijk niet, die was ook kapot; deze heb ik daarna gekregen voor de bekende reclamestunt."

De oppergod van de topsport is dus bekend. Daaronder en daarbinnen kent elke vorm van sport weer zijn eigen goden, rites en erediensten. Met hun eigen koningen, profeten, priesters, volgelingen, zo u wilt kerkgangers. En daar weer binnen weer diverse 'kerkgenootschappen' met de trekken van sektarisme: waarheidsabsolutisme, fanatisme, eigen 'theologie' en missionaire gedrevenheid.

Neem nu het voetbal, waar ik het meest mee heb en waarvan ik zelf ook 'belijdend lid' ben, specifiek van de Ajax-gemeente, het nog altijd grootste en succesvolste sportieve geloofsgenootschap van ons land.

Van de ronde god van het voetbal zeggen de profeten dat je die vooral het werk moet laten doen. De kleedkamer is het heilige der heiligen, alleen toegankelijk voor de priester-spelers en de coach als hogepriester.

Het heilige is de grasmat. Die mag een leek nauwelijks betreden. Ik weet nog goed dat ik voor het eerst op de uitstekende grasmat van De Meer mocht komen, onder leiding van Ajax' beste en trouwste assistent-trainer ooit, Bobby Haarms. Hij zei: "Nu mag jij heilige grond betreden, besef dat wel?" En in een documentaire die ik over hem maakte, zei hij iets dergelijks: "Als je hier binnenkomt is het net alsof de Heilige Geest over je komt."

Zelf vergelijk ik de gang naar De Meer met de kerkgang in mijn geboortedorp Huizen: de Amsterdamse Middenweg als de Kerkstraat waarop allen samenkomen op weg naar het heiligdom. Nog immer geeft een gang naar het stadion, nu al weer jaren de Arena, een tinteling van verwachting en hoop, van geloof of twijfel over de afloop, al naar gelang de grootte van de tegenstander. En de tribunes stromen vol als de voorhof van de Jeruzalemse tempel, als de banken en galerijen in de Huizense Oude Kerk. En daar klinken de liederen en daar komen de spelers uit de catacomben als de kerkeraad uit de consistoriekamer. En daar zitten wij, de aanhangers. In geloof in het team, in de hoop op overwinning, in liefde voor jouw priesters om het wonder van het kale niets van een 0-0 te transsubstantiëren tot een klinkende zege.

Al weer heel lang gaat het over de houdbaarheid en waarde van de 'Hollandse School', en bij Ajax draaide het om het Plan Cruijff. Belijdenisgeschriften! Met de daarmee samenhangende interpretatie: de theologie van het voetbal. Een debat, gevoerd door binnen- en buitenstaanders. Tot geschillen en verscheurende schisma's aan toe!

Zelf heb ik als lid van de ledenraad van zeer nabij meegemaakt hoe de revolutie van Cruijff slachtoffers maakte. Bekwame mensen, ook met een Ajaxhart, werden achteloos en genadeloos weggewerkt, terwijl anderen juist in blinde aanbidding het voormalige wonderkind uit Betondorp staafden in de goddelijke status waarin hij zelf al eerder was gaan geloven. Ik heb getracht me te verzetten tegen de revolutie die meer terreur bevatte dan fluweel. Vroegere vrienden verklaarden mij hun vijandschap. In die periode is mijn jeugdheld in mij al gestorven en kon ik niet voluit en van harte meedoen met de in memoriams die het karakter kenden van een heiligenverering, sterker nog: alsof Nietzsche's uitroep 'God is dood' nu pas werkelijkheid was geworden.

En wat voor het voetbal - misschien in extremis - opgaat, geldt voor alle andere sporten. Maar zijn het geen schijndiscussies, waar de oppergod om glimlachen moet? We dansen allemaal rond het gouden kalf van de Mammon die regeert, en wel met vaste hand. En iedereen draagt eraan bij. Ik ook, door te blijven komen en deel te nemen aan de eigenlijke eredienst. Of niet te kunnen komen, omdat het hele competitieprogramma bepaald is door wat eraan verdiend kan worden - door de clubs, door daarachter de grote jongens van de media en sponsors, door de Fifa, Uefa en hun bobo's.

Die gevangenschap in een systeem, zoals die ook in de bankwereld duidelijk is omschreven door Joris Luyendijk, zag ik terug in de discussie die ontstond door de apengeluiden vanaf de Ado-tribune richting Riechedly Bazoer. Iedereen verwees naar een of andere instantie om iets te ondernemen. Vooral journalisten wisten precies wat de club of de scheidsrechter of de KNVB of de overheid moest doen, maar niemand die op het idee kwam zelf een daad te stellen.

Wat als de media zouden besluiten geen aandacht aan wedstrijden van Ado te besteden? Zoals de ARD deed na de onthulling van dopingschandalen op grote schaal in het wielrennen en besloot geen verslag te doen van de Tour de France. Natuurlijk doen de media dat niet, want dat kost hun geld en maakt ze dief van eigen portemonnee.

Mart Smeets is hevig aangevallen op zijn ogenschijnlijke rol als vriend van Armstrong in plaats van die van hardnekkig doorgravende journalist. Misschien terecht, maar wie wijst naar een ander, wijst ook naar zich zelf.

Wat deed ik zelf als journalist? Ik was geen verslaggever, ik maakte persoonlijke items, rommelde maar wat aan in de marge, in het randgebeuren. In columns voor Radio 2 heb ik in 1996 vanuit Atlanta (Olympische Spelen) wel de duivelse kanten van de topsport gehekeld, maar meer dan speldeprikjes waren het niet.

Het probleem - ook het mijne - is dat de meeste sportjournalisten óók liefhebber zijn en óók helden kennen. Daardoor ontstaat een coterie van bewondering en vriendschap, en stuit kritisch doorvragen op een innerlijke blokkade. Het zijn ook 'kerkgangers' en het is een heerlijke wereld om in te werken. Hulde dus voor mensen als de Ier David Walsh, die dopingzondaar Armstrong ontmaskerde.

De Uefa worstelt al heel lang met een Financial Fair Play, maar komt het van de grond? In Qatar - op zich al een corrupte keuze - vallen nog steeds slachtoffers bij de bouw van de stadions voor het WK van 2022. Zal het tot een boycot komen? De vraag stellen is hem beantwoorden.

Ik moet regelmatig denken aan hen die bij de overstap naar (semi)professioneel voetbal in ons land in 1954 waarschuwden voor het bederf van de sport vanwege de rol die geld zou krijgen. Ze werden weggehoond. Maar waren het geen profetische stemmen?

Toen de Champions League werd ingevoerd sprak Louis van Gaal van een door geld verworden sportief gedrocht. Hij heeft volkomen gelijk gekregen. Zelfs bij het conflict binnen Ajax rond Cruijff had ik sterk het vermoeden dat niet clubliefde, maar geldliefde in het geding is.

Vaak stel ik mezelf de vraag: moet ik nog meedoen aan deze dans, aan het 'kijk maar, je ziet niet wat je ziet'?

Mijn vader, die niet zo kerks was, vroeg het me wel eens: kun je de liefde voor Ajax wel rijmen met je keuze voor het predikantschap?

Een ongemakkelijke vraag, nog steeds. Maar wel een terechte. Ik ben gek van voetbal (en van meer sporten), hartstochtelijk fan van Ajax, een virus juist opgelopen door mijn vader van wie ik Essoplaten kreeg in 1958. Op de plaatjes vond ik het Ajaxshirt het mooiste - en we woonden in de buurt van de fascinerende stad Amsterdam, met dat geweldige Artis. Regelmatig zat ik bij pa op de vrachtwagen en reden we naar Amsterdam, waar hij wees naar De Meer: "Kijk, jongen, het Ajaxstadion."

Dat virus krijg ik er niet uit(-gebeden) en toch prangt ook steeds het bon mot van Jezus: je kunt niet God dienen en de Mammon. Ga er maar aan staan, zeker met een geweldige sportzomer voor de deur.

En ik zal kijken en veel kijken, maar ook zien, wat ik niet zie?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden