VN heeft gereedschap nodig voor geloofwaardigheid

Minister H. A. F. M. O. van Mierlo van buitenlandse zaken sprak gisteren in New York voor het eerst de Algemene vergadering van de Verenigde Naties toe. Bijgaand drukken wij de belangrijkste delen van zijn rede af.

In dit nieuwe tijdperk is de maatstaf voor de status van grote mogendheid niet langer het aantal kernbommen, maar de concrete bijdrage die een land wil en kan leveren aan de gezamenlijke inspanning om het tij van oorlog, ellende en armoede in de wereld te keren.

Om deze reden is Nederland voorstander van toelating van Duitsland en Japan als permanente leden van de Veiligheidsraad. Beide landen hebben een onberispelijke staat van dienst als leden van de Verenigde Naties. Zij hebben de bereidheid getoond om een groter deel van de gezamenlijke last te dragen en zij hebben de macht en de middelen om dat te doen. Hun permanente aanwezigheid in de Veiligheidsraad zou het gezag en de daadkracht van de VN als geheel aanzienlijk versterken.

Passende vertegenwoordiging van verschillende geografische regio's moet ook bekeken worden, omwille van de legitimiteit van de Raad in de ogen van de gehele wereld. Wij geloven dat er consensus kan worden bereikt over uitbreiding van het aantal zetels tot ergens in de twintig. Dat zou echt een zeer belangrijke stap zijn ter verbetering van de geloofwaardigheid en de legitimiteit van de Verenigde Naties.

Minstens zo belangrijk is versterking van de doorzichtigheid en nauwere samenwerking tussen de Veiligheidsraad en de voltallige Verenigde Naties. De positie van mijn eigen land kan dit duidelijk maken. Het Koninkrijk der Nederlanden is de facto de elfde contribuant aan de begroting van de VN. Wij komen op de tiende plaats wat betreft het aantal beschikbaar gestelde militairen voor vredesoperaties. Maar wij worden niet betrokken bij besluiten van de Raad waarin de mandaten en modaliteiten van deze operaties worden vastgesteld. Zoals ook voor een regering geldt, kan er geen belasting worden geheven, zonder zeggenschap te verlenen. De leden van de Veiligheidsraad dienen zich er bewust van te zijn dat zij hun gezag uitoefenen namens alle leden. Om die reden moeten zij over het vertrouwen van de Algemene Vergadering beschikken.

De Raad kan niet langer als een exclusieve club opereren. Daarom is Nederland voorstander van het oprichten van een commissie van de Veiligheidsraad waarin alle aspecten van vredesoperaties kunnen worden besproken met de belangrijkste leveranciers van troepen.

Bovendien voegen wij ons bij degenen die vragen om systematische en onafhankelijke rapportage van vredesoperaties. Deze rapportages moeten niet met het label 'vertrouwelijk' erop eindigen in de bureaulades van de VN-bureaucratie. De deelnemende landen en de volkeren die zij vertegenwoordigen, hebben recht op deze informatie. Ook op dit gebied moet het principe van verantwoording snel ingevoerd worden in het belang van de geloofwaardigheid van de VN als geheel.

Ook op het terrein van de regionale organisaties kan er veel verbeterd worden in de werkwijze van de VN. Nederland heeft samen met Duitsland een actievere rol voor de CVSE bepleit als regionaal lichaam voor de VN. Ik geloof stellig dat de VN wat de Europese Unie 'subsidiariteit' moet toepassen. Dit beginsel betekent dat het hoger niveau zich niet met zaken moet inlaten die op lager en gespecialiseerder niveau naar tevredenheid kunnen worden afgehandeld.

Verantwoordelijkheid moet zo dicht mogelijk bij de basis liggen. Europese landen moeten proberen hun eigen problemen op te lossen in het raamwerk van de CVSE, voordat zij ze in de schoot van de VN werpen. Dit blijft echter een zaak van vrijwillige regionale samenwerking en kan op geen enkele wijze de primaire verantwoordelijkheid van de Veiligheidsraad aantasten.

(. . .) In Rwanda bijvoorbeeld dragen Afrikaanse landen het meeste bij aan de mankracht van de UNAMIR-operatie. Andere VN-leden hebben uitrusting, logistieke en finaniële ondersteuning en transport beschikbaar gesteld. Nederland heeft een bijdrage geleverd in materieel om daarmee de inzet van een vredescontingent van Zambia mogelijk te maken. Dit kan als model dienen om op een meer blijvende, structurele manier tot praktische samenwerking tussen landen binnen en buiten de regio te geraken.

Er is veel gesproken over de noodzaak van een versterkt signaleringsstelsel. Maar feitelijk was in de meeste gevallen de informatie beschikbaar voordat crisissituaties tot uitbarsting kwamen. Zoals het vroegere Joegoslavië heeft aangetoond, is vroegtijdige signalering niet genoeg, als staten niet bereid zijn tot snelle actie als een potentiële crisis onderkend en benoemd is.

Een soortgelijke opmerking kan gemaakt worden over het VN-systeem van 'direkt beschikbare troepen'. In theorie is dit een uitstekend idee en het systeem kan dienen als een nuttige databank voor de VN, maar dat is geen garantie voor grotere efficiëncy. In Rwanda werd voor het eerst de proef op de som genomen. De resultaten hiervan waren bijzonder teleurstellend. Geen van de landen die mogelijke bijdragen hadden aangegeven, bleken troepen beschikbaar te stellen voor snelle inzet. Wat is het nut van een instrument als de politieke wil ontbreekt het te gebruiken?

Helaas worden de meeste lessen getrokken als het te laat is. De menselijke tragedie in Rwana zal altijd een schande voor de internationale gemeenschap blijven. Gezamenlijk moeten we erkennen dat we uitvoerig gewaarschuwd waren voor een naderende ramp en dat we meer hadden kunnen doen om de genocide te voorkomen.

In dit verband zijn de woorden van een hooggeplaatste VN-officier veelzeggend. Ik citeer: 'een goed georganiseerde brigade, die binnen zeven tot veertien dagen in Kigali was ingezet, zou de situatie onder controle hebben kunnen brengen'.

Als dit waar is, dan wordt de morele afmeting van ons falen om de VN van de noodzakelijke middelen te voorzien, helemaal duidelijk. Indien het inzetten van een brigade de slachting van vele honderdduizenden had kunnen voorkomen, wat heeft ons dan belet dat te doen?

Laten we het eerlijk onder ogen zien: de reden van onze afzijdigheid was niet gebrek aan middelen of gebrek aan tijd. De reden was, dat in de gegeven situatie geen regering bereid was de levens van haar burgers op het spel te zetten. Het fysieke gevaar werd te hoog geacht. Hoe kunnen we ons uit dit dilemma bevrijden? Handenwringend terzijde staan, verlost ons niet van onze verantwoordelijkheid in een toestand van volkerenmoord.

Ofwel we handelen op grond van onze gevoelens van afschuw en verontwaardiging, ofwel we stoppen met moraliseren. Wordt het, indien de lidstaten het nodige militaire personeel niet kunnen leveren, niet onvermijdelijk de oprichting te overwegen van een professionele, te allen tijde beschikbare en snel in te zetten VN-brigade voor dit doel: een VN-legioen dat de Veiligheidsraad ter beschikking staat?

Zo'n betrekkelijk klein, internationaal, geheel uit vrijwilligers bestaand 'brandweerkorps' kan de VN in staat stellen levens te redden in situaties als die in Rwanda. De oprichting ervan kan helpen bij de oplossing van dilemma's waarvoor wij, regeringen, ons gesteld zien als we het verschijnsel van de falende staat trachten aan te pakken.

Natuurlijk, de meeste voorkeur verdient dat we conflicten aanpakken door ze te voorkomen. In Europa heeft het discrete optreden van de Hoge Commissaris van de CVSE voor nationale minderheden en anderen zeker een beslissende rol gespeeld bij het onschadelijk maken van potentiële crisissituaties in het Balticum en andere regio's. Het is nu eenmaal zo in de politiek, dat oplossingen en 'happy endings' die in rust bereikt worden, niet dezelfde aandacht krijgen als mislukkingen en catastrofes. Vertrouwde en gerespecteerde personen kunnen in andere regio's een zelfde rol vervullen. Zoals minister Hurd vorig jaar al zei: voor het bedrag dat gemoeid is met het inzetten van één bataljon peacekeepers kan de Secretaris-generaal heel wat persoonlijke afgevaardigden sturen.

(. . .) Mijnheer de voorzitter, laat mij nog eens mijn wezenlijke punt benadrukken: de geloofwaardigheid van het gezag dat door regeringen en de Verenigde Naties wordt uitgeoefend. In het vroegere Joegoslavië en elders heeft de wereldgemeenschap gefaald in het voorkomen van de ineenstorting van de 'civil society' en de terugval in barbarij. Dat falen ondermijnt het vertrouwen van de mensen in het gezag van de VN, regionale organisaties en regeringen, je, zelfs in het overheidsgezag als zodanig.

Het gezag van een nationale overheid hangt niet alleen af van haar eigen geloofwaardigheid; het hangt ook af van de geloofwaardigheid van het bredere internationale gezag waaraan nationale regeringen deelnemen. Daarom is het in ons eigen, nationale belang dat brede gezag in stand te houden. Wij kunnen dat gezag alleen maar in stand houden als we de VN het gereedschap geven dat zij nodig heeft om die knellende taak te vervullen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden