Vluchtige ontmoeting op een plein

ROTTERDAM - “Achttien jaar struikelend op zoek naar het evenwicht tussen enerzijds een hakkelende inspiratie, vader der gekken, anderzijds een stotterende twijfel, moeder der engelen. Steeds opnieuw beginnen. Naakt willen zijn. Als een per jaargetijde wisselend van groen voorziene boom zijn wortels uitstrekkend, naar het diepe, een verder liggende horizon: dorst lijdend om in omvang te groeien. Van de koude grond naar het volle zonlicht. Geen eind in zicht. Wellicht.”

Met deze woorden gaf de Vlaams-Rotterdamse choreograaf Piet Rogie, leider van Compagnie Peter Bulcaen, een typering van zichzelf toen hij vorige week in de Amsterdamse Westerkerk de Theaterprijs van het Prins Bernhardfonds in ontvangst nam. Na afloop van 'Klavier', zijn nieuwste choreografie die donderdag in de Rotterdamse Lantaren in première ging, besefte ik pas hoe hij tot deze onverwacht poëtische ontboezeming was gekomen. Rogie gaf daarmee een voorproefje van het lange dansgedicht dat hij zojuist op vijf dansers van zijn Compagnie Bulcaen had geschreven.

'Klavier' is niet alleen zijn eerste ballet waarin hij afstand neemt van zijn eigen deelname als toneeldanser, het is ook zijn meest abstracte en tegelijk meest poëtische werk tot op heden. Het een zal zeker met het ander te maken hebben.

De zijpoten van het zwart-witte toneel liet hij behangen met vitrages; de achterwand wordt daarmee een uitvergroot raamkozijn of monitor, geheel gevuld met (filmopnames van) zachtgroen gebladerte. Is het de zachte bries in dit wonder van de natuur die Rogie uit zijn collectie van favoriete platen maar liefst dertien klaviercomposities deed selecteren?

Wanneer, door wie, in welke historische context of op welk continent al die naadloos aan elkaar gelaste composities (van Bach tot Cage) werden gecomponeerd, doet ten overstaan van dat groene lover achter het raam eigenlijk niet ter zake. De gekozen klaviermuziek heeft eeuwigheidswaarde. Wat Rogie veel meer lijkt bezig te houden is de vraag hoe die wonderschone muziek der klassiek geworden meesters zich verhoudt tot de inspiratie en twijfel waarmee de meesters van de veel jongere balletkunst hun evenzo wonderschone balletten vormgaven.

Hoe kan de emotionele bevlogenheid of juist ingetogenheid waarmee de componisten de akkoorden van het muzikale universum wisten te raken met een even heldere abstractie in menselijk beweging worden omgezet? Hoe verhouden pianomuziek en ballet zich tot elkaar, tot welke abstracte vormgeving van menselijk pogen en falen kunnen zij inspireren? Kortom, Rogie stelde zichzelf een opdracht die hem - via zijn keuze voor het klavier en zijn meesters - ook op het spoor bracht van grootmeesters van de twintigste eeuwse balletkunst.

Die ontdekking is rijkelijk laat voor iemand die al achttien jaar dans maakt, maar Rogie is een vlotte leerling. Het koste hem geen moeite te doorzien dat Balanchine, Van Manen, Cunningham de fysieke mogelijkheden van hun uitvoerend dansers wisten te bespelen als ware zij een klavier. Ook Rogie durfde het aan. Met drie danseressen en twee dansers schiep hij een danskwintet, en alsof het niets is, met een tijdsduur van ruim een uur.

Met het speuren naar de beeldende abstractie van pure dans, dus van beweging die ontdaan is van alle overbodige decoratie en anecdotiek, boorde Rogie een bron in zichzelf aan, die als een waanzinnige ging spuiten. Zijn grootste probleem lijkt het vinden van een klep om de overvloed af te sluiten of bij te stellen. En dan te bedenken dat het nog maar om een creatie voor vijf dansers gaat, die in zwart en ivoorwitte doorzichtige pakjes de toetsen van het klavier belichamen. In trio's, duetten, korte solo's, quartetten en soms unisone kwintetflarden vloeien, nee spuiten en borrelen hun bewegingsfrasen in elkaar over, in een tamelijk doorwrochte, grillige motoriek. Rogie laat ons door een kaleidoscoop naar een plein kijken, waarin de vijf dansers vluchtige ontmoetingen, stemmingen, weersgesteldheden ondergaan. Rogie zou zijn gevoel voor relativering verloren hebben als er niet bizarre dingen op dat plein voorkomen: ook de vrouwen roken er een pijpje en alle dansers zetten op een gegeven moment een Volendammer kapje (achterstevoren) op. Tekenend is ook de betekenis die aan het dragen en uittrekken van pumps en sokken wordt verleend. Het is zeker niet het enige stijlcitaat waarmee de balans van postmodern en neoklassiek ballet wordt opgemaakt. Hoe intrigerend en fascinerend deze onbetwiste doorbraak in Rogie's eigen groei als choreograaf zeker is, triest is het wel dat hij alleen in Johanna Laber en Susanne Ogan twee danseressen vond die aan zijn dansante klavierverkenning ook een dramatische diepte wisten te geven.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden