Vluchthaven / Mosoel laat zich niet vangen

Het was geen toeval dat Oedai en Koesai, de gehate zonen van Saddam Hoessein, zich verscholen in de Iraakse stad Mosoel. De stad is rustig genoeg om geen aandacht te trekken en groot genoeg om in te verdwijnen. De broers bevonden zich op vertrouwd gebied, zonder dat de plaats werd aangemerkt als thuishaven. Een portret.

'Neem me mee', smeekte een bejaarde Koerd naar voorbijrijdende auto's toen hij half april hoorde dat het Iraakse leger de stad Mosoel verlaten had. Leunend op een stok was hij moederziel alleen vanuit Iraaks Koerdistan te voet begonnen aan de ongewisse tocht over een vernielde brug en door een gebied dat nog lang niet mijnenvrij was. Net als duizenden andere Koerden wilde hij geen minuut langer wachten om de stad te zien waaruit hij jaren geleden verdreven was, maar die hij nog altijd als de zijne beschouwde.

Maar Mosoel bereidde de voormalige bewoners een allesbehalve warm welkom. Diverse Arabische wijken reageerden met vijandigheid op de intocht van terugkerende Koerden. Ook de komst van peshmerga's (Koerdische strijders) met in hun kielzog plunderaars werd door velen met argwaan en afkeer bezien. 'Ruilen we de dictatuur van Saddam Hoessein in voor die van de Koerden?', vroegen inwoners van Arabische afkomst zich af. In een stad die bekend stond om een aanzienlijke loyaliteit aan Saddam Hoessein, werd niet alleen de Koerdische intocht maar ook de komst van Amerikaanse troepen deels met wantrouwen begroet. Het was toen al duidelijk: de complexe stad liet zich niet zonder slag of stoot onder controle brengen.

Dagenlang was het een gewelddadige chaos. Tussen de talloze sierlijke minaretten, de villa's aan de rivier en in de wirwar van historische winkelstraten in het centrum klonken voortdurend geweersalvo's. Rook uit geplunderde gebouwen verduisterde de straten en bij de talloze wegversperringen met gewapende mannen was het onmogelijk te bepalen wie wie was. De ene wijk was rustig, de volgende een frontlinie. Ziekenhuizen werden zozeer belaagd door bendes met wapens dat de patiënten die dat nog konden uit hun bedden vluchtten, anderen werden door bezorgde familieleden weggesleept. Tientallen en mogelijk meer burgers kwamen om in het geweld.

Toen onder Amerikaanse druk de Koerdische strijders voor het merendeel vertrokken en er meer Amerikaanse troepen werden gestationeerd ebde het geweld weg uit de straten. De sfeer bleef echter een mengeling van hoop en argwaan. Bij het gebombardeerde paleis van Saddam Hoessein dobberden tientallen jongemannen op buitgemaakte restanten van het meubilair in de enorme vijver, anderen dwaalden grappenmakend door de marmeren kamers. Maar het volgende moment werden buitenlandse bezoekers door diezelfde massa bespuugd en geslagen zonder dat duidelijk was waarom precies. Bij de moskeeën stonden imams temidden van teruggebrachte ontvreemde spullen journalisten vriendelijk te woord om vervolgens mee te knikken in een menigte die 'dood de buitenlanders' scandeerde.

In het vacuüm vierde politiek opportunisme hoogtij. Een voormalig aanhanger van Saddam Hoessein die ruim tien jaar eerder in ongenade raakte en uit Irak gevlucht was, claimde dat dankzij zijn bemiddeling het Iraakse leger zonder strijd was vertrokken. Hij nam zijn intrek in een paleis van voormalig minister van defensie Ali Hasan al-Majid, bijgenaamd Chemische Ali vanwege de gifgasaanvallen op de Koerden die onder zijn leiding eind jaren tachtig plaatsvonden. Vanuit het gebouw aan de Tigris dat surrealistisch vredig naar rozen geurde, wierp hij zich op als de nieuwe bestuurder van de stad.

Mosoel was die dagen een plaats die even absurdistisch en wispelturig als ongrijpbaar was. Het was alsof de stad het jarenlange masker van gedwongen samenleven van al die verschillende groepen had afgerukt en met een zwaai zijn ware, uiterst complexe, gezicht liet zien. Het beloofde niet veel goeds voor de toekomst, verzuchtten inwoners.

Weinig plaatsen in Irak zijn zo divers als Mosoel. De derde grote stad in het noorden waar zo'n 1,5 miljoen mensen wonen is een lappendeken van etnische groepen, stammen en religies. Irakezen van Arabische afkomst vormen de meerderheid, maar er woont ook een omvangrijke Koerdische minderheid en aanzienlijke aantallen Assyriërs Turkmenen, Armeniërs en Yazedi's. Rond de achtste eeuw groeide de plaats uit tot een belangrijke stad in Mesopotamië. Vervolgens lieten de Mongolen, Turken en tenslotte de Britten hun sporen van heerschappij na in de stad.

Het is vanwege dit laatste bestuur dat de Arabische Irakezen Mosoel als het hart van het nationalisme beschouwen. In 1920 speelde de plaats een sleutelrol in de opstand tegen het Britse mandaat en tien jaar later werd de onafhankelijkheid getekend. Onder het beleid van Saddam Hoessein raakte Mosoel in toenemende mate gearabiseerd. Het werd een stad met een aanzienlijk aantal aanhangers van Saddam, al was het alleen maar uit vrees voor de Koerdische aanwezigheid. Het vijfde legerkorps was er gestationeerd en veel officieren uit het Iraakse leger kwamen uit Mosoel.

De paleizen en de luxueuze villa's die de leiders hadden laten bouwen, lieten zien dat net als voorheen toeristen ook de Iraakse vips graag kwamen pauzeren in de fotogenieke stad die op een steenworp afstand van het historische Nineve ligt.

Begin mei hield de stad als eerste in het land lokale verkiezingen. Waarschijnlijk was Mosoel als middelgrote plaats een goede keuze voor een eerste lakmoesproef en bovendien kon de stad na alle turbulentie wel het succesje van zelfbestuur gebruiken. Uit een aangewezen groep van 250 Irakezen werd een 24-koppig tijdelijk bestuur gekozen dat een afspiegeling vormt van de etnische samenstelling van de stad en waarin ook een imam, stamleiders en twee gepensioneerde generaals zitting hebben. Ondanks de gemengde gevoelens van de bevolking begon het leven in Mosoel zijn loop te hernemen.

Maar er bleven geruchten circuleren dat zich nog belangijke leiders van de Baath-partij, inclusief leden van Saddam Hoesseins familie in de stad zouden schuilhouden. Inwoners namen die vage berichten zonder veel moeite serieus. Er was nog steun genoeg voor het oude bewind en de stad was groot genoeg om te schuilen, meenden ze. Concrete bewijzen waren er nauwelijks, behalve dan misschien het feit dat in april nog Saddams halfbroer in de omgeving van Mosoel gevangen was genomen en dat er afgelopen week ook in de buurt van Mosoel een aanval op Amerikaanse troepen plaatsvond.

Met de dood van Oedai en Koesai blijken de geruchten waar. Bij nader inzien was Mosoel misschien wel de ideale schuilplaats. Anders dan de steden in de Soennitische driehoek ten noorden van Bagdad, rustig genoeg om geen extra aandacht op zich te vestigen en groot genoeg om in te verdwijnen. Met een geschiedenis van Baathisme voldoende veilig om zich van een netwerk en een schuilplaats verzekerd te weten. Bekend genoeg ook om zich op vertrouwd terrein te bevinden, zonder voor de hand liggend te zijn zoals de thuishavens Bagdad en Tikrit. Ook de strategische ligging in de buurt van Syrië dat in geval van nood een onsnappingsroute bood via een netwerk van loyale stammen, was waarschijnlijk een belangrijk pre.

Volgens journalisten die gisteren met spoed naar Mosoel afreisden toen het nieuws bekend werd, waren de reacties in Mosoel gemengder dan in Bagdad waar met vreugde werd gereageerd op het bericht van de dood van de gehate zoons. Onder de bewoners die de Amerikanen toch al met wantrouwen bekijken, was ook woede over het geweld waarmee de troepen tijdens de aanval op de villa waar het tweetal zich schuilhield optraden. Opnieuw laat het complexe Mosoel zich niet onder een noemer vangen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden