Vluchten naar de boerderette

Buiten wonen trekt ons al anderhalve eeuw lang. Met de grenzen van de stad werden ook de grenzen van goede smaak overschreden

Het was overduidelijk een welvaartsverschijnsel. De elite die het zich kon veroorloven, verruilde eind negentiende, begin twintigste eeuw het verval, de onrust en de viezigheid van de stad voor de eenvoud en de waarachtigheid van het wonen in de natuur. De Romantiek bejubelde de zegeningen van deze pure plekken. Natuurbeschermers, vegetariërs, geheelonthouders, christenanarchisten, tal van maatschappelijke en politieke bewegingen droegen leven in het groen aan als een ideaal. De schrijver en psychiater Frederik van Eeden beschouwde de stad als ziek en gedegenereerd, een kankergezwel. Het platteland en de aarde stonden daarentegen voor de 'regenererende kracht'.

Maar in 1932 trok architect J.P. Fokker in het blad Buiten ook al van leer tegen de massale trek uit de stad. Volgens hem waren de gevolgen desastreus. Hij sprak van de 'ontluistering' van het platteland door al die nieuwe en vooral lelijke huizen. Hij plaatste bovendien vraagtekens bij de motieven van al die forensen. Waren ze niet simpelweg uit op het ontwijken van de hoge gemeentelijke belastingen in de stad? Streken ze toevallig neer op plekken waren de dienstboden niet alleen gezeglijker, maar ook nog eens stukken goedkoper waren?

In haar boek 'Naar buiten. Landelijk wonen in de 19e en 20e eeuw' wil Ileen Montijn laten zien hoe Nederland de chic van het buitenleven in de afgelopen 150 jaar ontdekte en steeds herontdekte. Niet dat er nooit tegenbewegingen waren. Kijk naar het heden: de culturele elite, de creatievelingen blijven juist graag in de stad, dichtbij de plekken die doorgaan voor hip and happening. En toch: door de jaren bleven grote groepen hunkeren naar de idylle van het buiten wonen: of het nu om een buitenmaatse villa in het lommerrijke Gooi ging of om een op te knappen boerderijtje op het platteland. Tegelijkertijd leverden estheten en de 'architectuurpolitie' vrijwel continu commentaar op de manieren waarop die droom verwezenlijkt werd. Criticasters mopperden over het landschap dat dichtslibde met linten van 'prutshuisjes' en 'burgermanswoningen'. Ze spraken denigrerend over 'de huisjespest' en betitelden de eclectische bouwstijlen als 'carnavalsarchitectuur'. Later laakten ze het wonen in het groen voor grotere groepen: de flatbuurten, bloemkoolwijken en Vinex-projecten.

In veel gevallen was het een Pavlovreactie. Men deed geen moeite om kwaliteiten van de bouwsels in het groen te ontdekken. Hun belang voor de Nederlandse architectuur werd zo stelselmatig onderschat, want bij bouwen in het groen lieten opdrachtgevers en ontwerpers vaker hun fantasie de vrije loop. Niet alles hoefde symmetrisch te zijn. Versieren mocht.

In zijn 'Bouwkunst in de stad en op het land' (1917),een soort 'Hoe hoort het eigenlijk?' voor de bouw, maakte architect Herman van der Kloot Meijburg wel de balans op. Daarbij maakte hij een genadeloos onderscheid tussen esthetisch 'goed' en 'fout'. Zo streng zouden welstandscommissies volgens hem ook moeten zijn. Hij schroomde niet om de beroepsopvatting en -eer van timmerlieden ter discussie te stellen en sprak van een 'zielloos geveltype van afkeurenswaardige opvatting' en van een 'schunnig opgesierde opgang'.

Soms riepen bouwers en bewoners de kritiek over zichzelf af door de valse romantiek er wel heel erg bovenop te leggen. Er verrees sinds eind twintigste eeuw nogal wat fantasieloze nieuwbouw met de zweem van agrarische rustiek. Wim T. Schippers bedacht de prachtige term 'boerderettte' voor dit soort creaties. Andere recreatievilla's werden vermarkt als 'visserswoningen', terwijl ze toch voorzien waren van luxe badkamers, sauna's en een eigen aanlegsteiger. Heel wat anders dan de huisjes uit de tijd van Herman Heijermans waar 'de vis nog duur werd betaald'.

Montijn schreef de afgelopen decennia een hele reeks relevante en vermakelijke boeken, in 1998 bijvoorbeeld 'Leven op stand 1890-1940' en vorig jaar nog 'Hooggeboren. 250 jaar adellijk leven in Nederland'. 'Naar buiten' is niet het beste boek van de historica. In het eerste hoofdstuk, over de hang naar het landleven eind negentiende, begin twintigste eeuw, schrijft ze zo goed als in eerdere hoogtepunten uit haar oeuvre: ze is meester over de materie, en houdt een prettige balans tussen feitelijke informatie en anekdotiek. Daarna dwaalt ze af van haar eigenlijke onderwerp met lange stukken over de wereld van de woonerven en de grootschalige flatprojecten.

Het boek gaat dan meer en meer de kant op van architectuurgeschiedenis. En daar legt Montijn het af tegen anderen die daar eerder en beter over schreven. Haar fort is en blijft mentaliteitsgeschiedenis: duiken in leefwijzen, gewoonten, normen en waarden van de diverse standen in vervlogen tijden.

Ileen Montijn: Naar buiten. Landelijk wonen in de 19e en 20e eeuw. Atlas Contact, Amsterdam; 224 blz. euro 21,95

Tuinieren was een liefhebberij voor vrouwen
Buiten gaan wonen betekende al een terugkeer naar een groene wereld. Maar er hoorde in de meeste gevallen ook een stuk zelf gecreëerde 'natuur' bij: de tuin. Duizend vierkante meter oppervlak was wel het minste. Het tienvoudige kon ook. De eigenaren hadden vaak wel botanische belangstelling, maar lieten in de tijd van goedkope arbeid het werk over aan een of meer tuinmannen.

In de loop van de twintigste eeuw veranderde dat. Al wilden de meeste mannen van stand niet wroetend in de aarde gezien worden. De tuin was vooral een liefhebberij voor vrouwen. In Rijswijk werd een begin gemaakt met een eerste tuinbouwschool voor meisjes. Het motto daar: 'Zien groeien doet groeien'.

Journalist Charles Bossevain klaagde al in 1884 over de in perkjes en partjes opgesneden tuinen: "Verban de vruchtentaartenleer, geef ons de natuur en waarheid weer." Tuinsmaken kwamen en gingen daarna net als de interieurtrends. Tegenwoordig geldt buiten als het nieuwe binnen en probeert de handel de consument warm te krijgen voor complete bankstellen en keukenblokken op het terras.

Een echt tuinenland werd Nederland nooit. Het zorgvuldig bedachte en tot in de puntjes verzorgde groen rond villa's werd geassocieerd met kouwe kak, truttigheid en voorbije tijden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden