'Vluchtelingen zijn vaak geboren ondernemers'

Vluchtelingen hebben vaak laaggewaardeerde baantjes, terwijl ze veel meer in hun mars hebben. Voor hen opende Rotterdam een speciale school.

Naraa Gombosuren (48) heeft een gat in de Nederlandse markt ontdekt: kleren uit Mongolië. „Geheel ecologisch, van honderd procent kasjmir, of honderd procent schaapswol.” Ze klinkt al als een volleerd verkoper. „Duurzame producten zijn nu een trend in Nederland. Mongoolse kleren passen daar precies in, maar ze worden in Nederland nog nauwelijks verkocht.” Gombosuren mailt met salesmanagers in Mongolië, ze laat zich catalogi en showmodellen opsturen, en ze speurt het land af naar een geschikt pand. „Binnen een jaar open ik mijn winkel”, zegt ze vastberaden.

In een vorig leven was Gombosuren tolk en vertaler. Ze werkte voor een nationaal persbureau in haar geboorteland Mongolië, waar ze van Russisch naar Mongools vertaalde en andersom. Ongeveer tien jaar geleden vluchtte ze naar Nederland, over de reden praat ze liever niet. In Nederland werkte ze jarenlang aan de lopende band in een ’tomatenfabriek’. „Inpakken en sorteren, soms wel twaalf uur achter elkaar. Heel zware jaren.” Maar iets beters vond ze niet.

Eeuwig zonde, vindt Eric Dijkhuizen. Hij is projectcoördinator van de Rotterdamse Business School voor Nieuwe Nederlanders (BSNN), die vorige week officieel werd geopend. De school is een proefproject dat negentien ex-vluchtelingen begeleidt bij het opzetten van hun eigen onderneming. „Veel vluchtelingen zijn hoogopgeleid. In hun eigen land leidden ze vaak een maatschappelijk betrokken en actief leven, maar in Nederland komen ze bijna altijd terecht in een baan ver onder hun niveau. Ze zwerven van het ene laag gewaardeerde baantje naar het andere, terwijl ze juist uitermate geschikt zijn voor het ondernemerschap”, zegt Dijkhuizen. „Om te vluchten moet je risico’s durven nemen en van aanpakken weten: eigenschappen die goed van pas komen wanneer je een eigen zaak opzet.”

Coachingsprogramma’s bij het opzetten van een eigen zaak zijn er genoeg. „Maar die gelden vooral voor werklozen en mensen in de bijstand”, stelt Dijkhuizen. „Voor mensen met een baan zijn er nauwelijks regelingen, men gaat er van uit dat werkenden hun zaakjes zelf wel kunnen regelen. Maar dat is heel moeilijk voor mensen die niet thuis zijn in de regels en instanties van een land.”

Daarom zette maatschappelijk investeerder Start Foundation een school op waar werkende ex-vluchtelingen twee keer per week ’s avonds les krijgen over boekhouding, marketing en juridische zaken. Drie keer per week krijgen zij bovendien huiswerkbegeleiding van een ondernemer uit het bedrijfsleven die hen helpt bij het schrijven van hun ondernemingsplan.

BSNN belooft de ondernemers zelfs een startkapitaal. „In deze tijd sta je zelfs met een heel goed plan binnen vijf minuten weer buiten als je bij de bank een lening vraagt. We willen niet dat het daarop stuk loopt. Daarom hebben we met banken afgesproken dat onze leerlingen een krediet krijgen. Mits ze een ontzettend goed ondernemingsplan hebben, natuurlijk”, zegt Dijkhuizen.

Gombosuren deelt haar klas met vijf anderen die net als zij het Nederlands nog niet vloeiend beheersen. Het huiswerk van vorige week: nadenken over de juridisch vorm van hun bedrijf. Docent Hans Slager – overdag advocaat ondernemers- en arbeidsrecht – kijkt de klas rond. „Wordt het een eenmanszaak of een bv?”, vraagt hij.

Gombosuren steekt haar hand op: „Ik kies voor een eenmanszaak”. Bezorgd bladert ze door haar aantekeningen. „Maar stel nu dat ik failliet ga, kunnen ze dan het huis afpakken van mijn vriend met wie ik samenwoon?” Slager legt uit dat je bij een eenmanszaak persoonlijk aansprakelijk bent. „In die vorm bent u zelf het bedrijf, dus komen ze het geld bij u halen. Als u bent getrouwd in gemeenschap van goederen, of een samenlevingscontract hebt, kunnen ze het geld ook bij uw partner komen halen.”

Ook Faris Al-Qazueni (42) uit Irak kiest voor een eenmanszaak. Hij wil een fietsenwinkel beginnen, waar klanten ook voor reparaties terechtkunnen. „Ga je ook personeel aannemen?”, vraagt Slager. Al-Qazueni knikt. „Oproepkracht”, zegt hij. „Daar moet je mee uitkijken”, zegt Slager. „Als je regelmatig op een vaste dag je oproepkracht inzet, kan die werknemer op den duur aanspraak maken op salaris voor die uren – zelfs als jij hem niet nodig hebt. De werknemer heeft in Nederland goede rechten.” Slager heeft nog een waarschuwing: „Als iemand voor je werkt die geen verblijfsvergunning heeft, krijg je een boete van 8000 euro. Ook al werkte hij maar één dag.” De cursisten maken driftig aantekeningen. „En als je niet wist dat hij illegaal is?”, vraagt Al-Qazueni. „Dan ook. Vraag dus altijd naar zijn paspoort.”

Vooral het omgaan met bureaucratie is lastig voor deze groep, zegt Dijkhuizen. „Een van de cursisten heeft bijvoorbeeld het idee om met een mobiele soepkar door de stad te trekken. Dat kan niet zomaar: voor iedere plaats waar je met die kar gaat staan moet je een vergunning hebben. Dat soort regels zijn ze niet gewend. Ze vroegen mij: jij hebt toch goede connecties met de burgemeester? Kun jij dat niet even regelen? Misschien kun je in hun land wat geld over de tafel schuiven, maar zo werkt het hier niet.”

Ze mogen het dan lastig vinden, de cursisten zijn het wel met de regels eens. „Het hoort nu eenmaal bij zaken doen in Nederland”, zegt Al-Qazueni, die in Irak als olie-ingenieur werkte. „Je moet veel belasting betalen, maar daar krijg je ook veel garantie voor terug.”

De Eritreeër Musei Abraham (38) wil weten of zijn vrouw in zijn bedrijf mag werken. Hij wil een Afrikaans eethuis in het centrum van Rotterdam beginnen. „Dat mag”, zegt Slager. „Als eenmanszaak is het is belastingtechnisch zelfs erg voordelig als uw vrouw bij u werkt, omdat u dan meewerkersaftrek krijgt. Het scheelt ook in de kosten, want u hoeft haar geen salaris te betalen.” Abraham knikt. „Maar misschien is het verstandiger de risico’s te spreiden”, vervolgt Slager. „Als uw zaak slecht loopt, heeft u beiden geen inkomsten. Of stel dat ze ziek wordt. Een andere werkgever had haar dan gewoon uitbetaald, die inkomsten loopt uw gezin dan mis.”

Hard werken en veel reclame maken, dan komt hij er wel, denkt Abraham. „Het belangrijkste is dat ik een lening krijg bij de bank, want ik verdien te weinig met mijn baantjes om geld opzij te zetten.” Nu werkt Abraham, die in Ethiopië als politiek gevangene vastzat, nog als schoonmaker, klusjesman en ’soms als bouwvakker’. Hij heeft vertrouwen in zijn plan. „Indjera wordt de basis van mijn menukaart. Het is een soort pannekoek, die je op veel manieren kunt vullen. Dat is leuk, lekker, gezond en nieuw. Veel Nederlanders hebben er nog nooit van gehoord. In Rotterdam is maar één ander Afrikaans restaurant, dus er is weinig concurrentie.”

Het is een moeilijke tijd om een onderneming op te zetten, geeft Abraham toe. „De economie gaat slecht. Een eigen bedrijf brengt veel risico’s met zich mee. Ik heb ook nog vier kleine kinderen die moeten eten.” Hij is even stil. „Maar zonder risico geen succes.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden