VLUCHTELING IN EIGEN LAND

Armenen hebben inmiddels zo'n twintig procent van oorspronkelijk Azerisch grondgebied onder controle. In de VS wordt dat gegeven op heel specifieke wijze geïnterpreteerd. De in 1992 door het Congres aangenomen Freedom Support Act, die de voorwaarden omschrijft voor Amerikaanse steun aan de voormalige communistische staten, heeft een bepaling die betrekking heeft op Azerbeidzjan. Artikel 907 stipuleert dat er géén Amerikaans overheidsgeld mag worden gegeven aan Azerische staatsinstellingen, zolang Azerbeidzjan doorgaat met het gebruik van 'geweld tegen Nagorni Karabach en Armenië'. Het is het resultaat van een krachtige Armeense lobby, gesteund door presidentskandidaat Bob Dole, wiens leven in de Tweede Wereldoorlog door de Armeense dokter Harpar Kelikian werd gered. Voor hulporganisaties die werken met Amerikaanse overheidsgeld (bijvoorbeeld van USAID) leidt dat tot absurde situaties. “Ik heb cement nodig om huizen te bouwen”, vertelt Richard Price van IRC, “maar er is in het hele land maar één fabriek die dat maakt en dat is een staatsbedrijf. Dus moet ik een tussenpersoon inschakelen die het voor mij koopt. Het drijft dus alleen maar de prijs op.” Tot voor kort waren ook ziekenhuizen en scholen verboden terrein: opknappen daarvan gold eveneens als hulp aan de Azerische autoriteiten. Deze regels zijn inmiddels wat versoepeld, maar het bijscholen van artsen bijvoorbeeld blijft een heikel punt. Lutful Kabir, directeur van het Amerikaanse Save the Children, heeft behalve praktische ook ethische bezwaren tegen artikel 907. “Als je werkelijk iets wilt veranderen, kan dat alleen als je de overheid erbij betrekt. Alleen dan heb je kans op blijvende resultaten.” Van diverse kanten wordt inmiddels aangedrongen op intrekking van '907'. Of dat gebeurt, zal in belangrijke mate afhangen van de uitkomst van de Amerikaanse presidentsverkiezingen in november. Dit artikel kwam tot stand met medewerking van Stichting Vluchteling.

Sevinj Alijeva woont in het kamertje van de conciërge. Samen met man en zoontje op zeven vierkante meter. Haar oudere zus heeft meer geluk gehad. Die heeft de beschikking over een half klaslokaal. Maar die had dan ook al een gezin, voordat ze drie jaar geleden op de vlucht werden gedwongen.

De 18-jarige, verlegen met haar voet over de grond schuifelende Azerische is pas hier, in de technische school van Bejlegan, verliefd geworden en getrouwd. Op een andere bewoner van het pand waarin nu al tijden geen lts-ers meer worden opgeleid, maar zo'n honderd families gehuisvest. Haar schoonouders doet het nog pijn dat ze niet, naar traditioneel gebruik, voor een woning voor het jonge paar hebben kunnen zorgen. Net zoals het Sevinj verdriet dat ze alles wat ze voor de inrichting daarvan in de loop der jaren, als bruidsschat, had verzameld, heeft moeten achterlaten. In Fizoeli, amper veertig kilometer hier vandaan.

Goelabatin Khatamov woont in een goederenwagon. Samen met haar twee verweesde kleinkinderen. Vier winters heeft de 60-jarige vrouw de regen langs de doorgeroeste wanden zien stromen, evenzovele zomers heeft ze het benauwd gehad. Geheel bij toeval is ze hier, in 1992, vanuit Agdam terechtgekomen. Ze stonden daar gewoon, zestig wagons op een doodlopend spoor. Het is maar voor even, dacht ze toen nog. Met enige moeite heeft ze zich omhoog gehesen. Een koffertje met wat haastige ingepakte spullen was al wat ze bezat. Inmiddels bespaart een wankel trapje haar de moeizame exercitie, waarvoor ze de kracht steeds meer ontbeert. Bedden en matrassen geven het donkere verblijf een schijn van huiselijkheid. Maar ze zit er nog altijd.

Vluchtelingen mogen ze eigenlijk niet worden genoemd. Want volgens de officiële definitie komt iemand pas voor die status in aanmerking als hij een internationaal erkende grens is gepasseerd. Gulabatin en Sevinj zijn gewoon in eigen land gebleven. Internally displaced persons heten ze daarom in VN-jargon. Azerbeidzjan telt er ruim 600 000, op een bevolking van zo'n zeven miljoen. Ze wonen in scholen, ziekenhuizen, fabrieken, plaggenhutten, tenten. Ze zijn het slachtoffer van de 'kwestie Nagorni Karabach', een van de door Stalin op scherp gezette tijdbommen, af te laten gaan als Moskou dat nodig achtte. Hij maakte in 1923 deze voornamelijk door Armenen bewoonde streek in het westen van Azerbeidzjan tot een autonome regio. Tot ontevredenheid van de Armenen, die de 4 400 vierkante kilometer tot hun territorium rekenden. Tot ontevredenheid van de Azeri's, voor wie hetzelfde gold.

In de nadagen van de Sovjet-Unie kwam de langverwachte knal. De steeds luider geuite Armeense eis tot vereniging met Nagorni Karabach, waar volgens de laatste Sovjet-volkstelling van 1989 187 000 mensen woonden, van wie 77 procent Armenen, stuitte in Bakoe op fel verzet. Het resultaat was een tweezijdige etnische zuivering: zo ongeveer de hele Azerische bevolking van Armenië (zo'n 170 000 mensen) trok richting het oosten, tienduizenden 'Azerische Armenen' tegemoet.

In de strijd rond de enclave zelf maakten in 1988 argumenten plaats voor wapens. Bijna zes jaar duurde de strijd om de bergachtige regio. Toen in mei 1994 uiteindelijk een wapenstilstand werd gesloten, hadden de Armenen niet alleen Nagorni Karabach 'bevrijd' danwel 'veroverd' (afhankelijk van wie je het vraagt), maar ook nog een aanzienlijke 'veiligheidszone' (Armeense termen) daaromheen.

Jabir Ibajev was Goelabatins buurman. Een paar maanden geleden is hij verhuisd. Dertig meter voor zijn oude onderkomen is een nieuw huis verrezen. Een uit 1 500 lemen blokken opgetrokken onderkomen van 7 bij 4 meter met twee ramen en een deur, voorzien van een dak, steunend op tien houten balken. De accountant uit Agdam weet de bijzonderheden zo op te dreunen. Hij heeft de laatste maanden niet alleen aan zijn eigen, maar ook aan andermans woningen gebouwd.

Het materiaal voor het handjevol huizen dat nu langs de spoorweg staat, werd geleverd door International Rescue Committee (IRC), een Amerikaanse hulporganisatie. “Het is goedkoop en stimuleert de zelfwerkzaamheid”, verklaart Richard Price, een jonge Amerikaanse ingenieur, de keus om ontheemden zelf van stro en modder stenen te laten maken en op elkaar te stapelen. “Bovendien: we gaan er nog steeds vanuit dat deze oplossing tijdelijk is.”

Dat was ook precies de reden waarom er, toen het project in de lente van 1995 begon, aanvankelijk niet zoveel enthousiastelingen te vinden waren. Ook Ibajev stond niet vooraan in de rij. “Ik had, na het staakt-het-vuren, hoop dat we snel weer terug zouden gaan”, zegt hij schouderophalend, “ik had niet zoveel zin in al die moeite.” Met weemoed denkt hij terug aan het twee-verdiepingenhuis dat hij heeft moeten achterlaten en vooral aan de grote tuin. “Maar ja, weet je, na zoveel jaar moet je toch wat. En de laatste tijd wordt er in het nieuws bijna nooit meer iets over Karabach gezegd.”

Er valt dan ook bijzonder weinig te vertellen, al wil Moerat Hejdarov van het ministerie van buitenlandse zaken graag nog eens de geschiedenis van het conflict uit de doeken doen. In de hoge, holle hal van zijn ministerie, waar een gigantische, scheefhangende kroonluchter ieder moment dreigt te kapseizen, komen de kaarten op tafel die de onverenigbaarheid van de wensen duidelijk onderstrepen.

“Wij willen”, zegt de goed in het pak zittende ambtenaar, “Nagorni Karabach de grootst mogelijke autonomie geven. Maar alle gebied daaromheen moet bevrijd.” Helaas, zegt Hejdarov, wiens officiële functie 'adjunct-directeur van het departement conflict-beheersing' is, willen de Armenen niet verder gaan dan een gedeeltelijke terugtrekking. Hoe dan ook willen ze een corridor behouden (rond Lachin) die Karabach en Armenië verbindt. Een onafhankelijk Karabach wel te verstaan, maar dat is, aldus Hejdarov, volstrekt onverenigbaar met Azerbeidzjans territoriale integriteit.

Onderhandelingen onder bemiddeling van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) slepen zich voort. “Sinds juli”, zegt Hejdarov zonder al te veel emotie, “wordt er zelfs helemaal niet meer gepraat.” Het had ook geen zin, erkent hij, want er werden alleen bekende, onveranderlijke standpunten heen en weer geschoven. Hejdarovs hoop: Lissabon, waar eind van het jaar de staatshoofden van de OVSE-lidstaten hun twee-jaarlijkse bijeenkomst hebben. Het antwoord op de vraag waar die verwachting op is gebaseerd, is een wat verbaasd: “Maar al die mensen moeten toch ééns terug.” Om daar berustend aan toe te voegen: “Het zit allemaal muurvast”.

Dat had Ragobov Zokrab al langer in de gaten. Een paar maanden geleden heeft hij de stoute schoenen aangetrokken en is naar IRC gestapt. Hij wilde niet langer zijn hand ophouden. “Ik wilde werken, gewoon zelf geld verdienen en zelf voor mijn vrouw en kinderen zorgen”, zegt de 44-jarige man. Een beginkapitaaltje stelde hem in staat dat te doen waar hij destijds in Agdam ook al goed in was: leerlooien.

Trots laat hij de eenvoudige werkplek zien die hij inmiddels in Agcabedi heeft gebouwd. Heel precies legt hij uit hoe een paar vuile schapenhuiden uiteindelijk mooie leren jacks worden. Aan zijn verweerde handen en vermoeide gezicht is af te lezen dat het hard werken is. Maar, zegt hij stralend, ik ben nu weer geheel eigen baas. Het enige probleem is, erkent hij, dat hij weleens jaloerse reacties krijgt. “Waarom jij wel en wij niet?”, zeggen niet alleen andere ontheemden, maar ook mensen die de afgelopen jaren gewoon in hun eigen huis hebben gewoond.

Deborah Conner geeft het grif toe. De Amerikaanse, eerder werkzaam op de kredietafdeling van een grote bank, heeft de afgelopen tijd, met geld van de Nederlandse Stichting Vluchteling en de Nederlandse overheid, tientallen ontheemden geholpen met het opzetten van bedrijfjes: bakkerijen, naai-ateliers, timmerwerkplaatsen. “Niet alleen zij hebben het moeilijk, het grootste deel van de bevolking heeft het zwaar.”

Met de ineenstorting van het communisme en het uiteenvallen van de Sovjet-Unie zijn de oude zekerheden verdwenen. De economie ligt plat, het oude systeem is langzaam aan het verdwijnen, maar veel nieuws is er nog niet voor in de plaats gekomen. Het grootste deel van de oude nomenklatoera, inclusief president Geidar Alijev (die in de Sovjet-tijd een aantal jaar partijleider was in Azerbeidzjan) zit nog, zij het voorzien van een ander bordje, op zijn plaats.

Met name op het toch al niet met een heel aantrekkelijke natuur bedeelde platteland schreeuwt het verval je tegemoet. De wegen verkeren in erbarmelijke staat, overvolle scheefhangende bussen rijden langs velden waar de combines staan weg te roesten. Kinderen moeten naar scholen waar het 's winters ijskoud is en zelfs bordkrijt geen vanzelfsprekendheid is. Doordat zoveel ontheemden in leslokalen zijn ondergebracht, krijgen ze bovendien les in twee, soms drie ploegen. En er zijn maar weinig docenten die nog weten met welke kennis en vaardigheden ze hun leerlingen het best voorbereiden op de toekomst.

In dat vacuüm telt alleen de korte termijn en is het zaak in de eerste plaats jezelf te redden. Dus worden mensen om de haverklap beboet voor verkeersovertredingen die niet zijn begaan, worden diploma's koopwaar en snijden douane-beambten kleine tapijtwevers in de vingers door iedere buitenlander die als souvenir een kleed mee wil nemen, torenhoge uitvoerrechten te vragen. De verhalen over het gezeur aan de grens zijn inmiddels zo legendarisch, dat meningeen met een 'jammer, maar helaas' maar afziet van een dergelijke herinnering.

In dat vacuüm moet ook Nizami Goelijev functioneren. Hij is hoofd van een vorig jaar bij presidentieel decreet ingestelde werkgroep die de hulp aan ontheemden moet coördineren. Zijn kantoor is gevestigd in het gigantische regeringsgebouw in het centrum van Bakoe. Het is een miniscuul kamertje, ergens aan het eind van een smalle gang. Zijn secretaresse woont bij hem in. De computer waarop ze werkt, is een gift van een buitenlandse hulporganisatie. Die er ook voor zorgde dat ze er mee leerde omgaan.

Met een vermoeid gebaar wuift de zwaar verkouden Goelijev de vraag weg of zijn huisvesting illustratief is voor de interesse die er bij de regering voor het probleem van de vluchtelingen bestaat. “Weet u, we zijn een arm land. Zeventig jaar deden we alles samen met de andere Sovjet-staten. We hadden gezamenlijke vliegmaatschapijen, we wisten waar we onze goederen kwijt konden, onderdelen werden ons automatisch geleverd. Nu moeten we alles zelf doen.”

Maar de gebrekkig Engels sprekende vijftiger geeft toe: het is soms lastig. Of zoals hij het onderkoeld formuleert: “De coördinatie verloopt niet altijd even goed.” Gevraagd om een voorbeeld volgt er een lichte aarzeling. Vervolgens wijst hij naar beneden in de hiërarchie. “Het gebeurt dat de voorzitters van kolchozen (staatsboerderijen, NL) weigeren grond te geven aan ontheemden. Of dat ze daar geld voor vragen. En dat kan natuurlijk niet.”

In de verte lonkt echter de verandering. Of beter: is er de belofte van veel geld. Het 'contract van de eeuw', in september 1994 gesloten tussen Azerbeidzjan en een aantal grote oliemaatschappijen, heeft in ieder geval de potentie de Kaukasische republiek op te stuwen in de vaart der volkeren. Zeker is het niet. Zo moeten er nog pijpleidingen worden aangelegd, ondermeer door Tsjetsjenië en het Georgische Abchazië, op zijn zachtst gezegd roerige gebieden.

Maar stel dat, ergens na de eeuwwisseling, de miljarden inderdaad toestromen. Krijgen de ontheemden dan nieuwe huizen, Azerbeidzjan een grote opknapbeurt? Of wordt het geld geïnvesteerd in het leger, dat het eerder zo erbarmelijk deed, gaan de Azeri's met geweld een 'oplossing' voor Karabach forceren ?

Moerat Hejdarov schuift wat onrustig heen en weer op de versleten leren bank in de hal van zijn ministerie. Voozichtig naar woorden zoekend formuleert hij diplomatiek: “Wij hebben onszelf erop vastgelegd te komen tot een vreedzame oplossing. Maar onze president heeft bij diverse gelegenheden gezegd dat als er geen politieke oplossing kan worden bereikt, Azerbeidzjan àlle noodzakelijke stappen zal nemen om tot een oplossing te komen.”

Waarna hij een paradox constateert: de 'olie' mag het land dan wellicht in de toekomst veel geld opleveren voor versterking van het leger, diezelfde 'olie' kan ook weleens verhinderen dat het wordt ingezet. Er zal immers ook (van investeerders) grote druk zijn om alles rustig te houden. Hejdarov wil er niet op vooruitlopen wie die strijd wint.

Vlak achter Tartar ligt de frontlijn. Te zien is er, behalve een platgebombardeerd en volkomen leeggeplunderd dorpje, weinig. Een kale vlakte, met daarachter de bergen van Karabach. Bij een afgetakelde, tot kazerne hernoemde fabriek hangen wat soldaten verveeld rond.

Hasan Roeslanov loopt wacht. Zijn veel te grote broek is met een riem, waarop nog de communistische ster, rond zijn middel vastgesjord. Op zijn arm zit een rafelig embleem met de nationale vlag. De veters in zijn legerkistjes zitten vol knopen. Ze zijn al vier keer gebroken, maar, zegt de 18-jarige dienstplichtige stoer, “als het moet, vecht ik zelfs zonder veters.”

Zijn bravoure vindt geen bijval bij het groepje mensen, net als Roeslanov ontheemden, dat om ons heen is komen staan. Ze hebben maar één wens: naar huis. Maar vechten? Terughoudendheid overheerst, vergezeld van een overweldigende gelatenheid. “We dachten allemaal dat het tijdelijk zou zijn”, verwoordt een oude man de gevoelens van de groep, “maar het duurt alleen maar steeds langer.” Dat olie straks wellicht niet militair, maar dan toch in ieder geval economisch uitkomst biedt, daarop durft niemand te vertrouwen. “Een paar mensen zullen er zeker rijk van worden, maar wij?”, zegt de oude man, “eerst maar zien, dan durven we het misschien te geloven.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden