Vloeibaar vertrouwen

Mensen worden er socialer en vrijgeviger van en gaan anderen meer vertrouwen. Oxytocine is een rage in de neuropsychologie. Ligt de toekomst van de psychiatrie bij dit knuffelhormoon?

TEKST RIANNE SMIT

Mensen die lijden aan schizofrenie kunnen moeite hebben om aan de gezichtsuitdrukking van anderen te zien hoe die zich voelen, of om te voorspellen hoe ze zich zullen gedragen. Maar deze 'sociale perceptie' kan flink worden verbeterd. Door jarenlange cognitieve gedragstherapie? Nee, door een snufje oxytocine aan de schizofrene patiënt te geven. Dat bleek uit onderzoek dat Israëlische wetenschappers vorige maand publiceerden.

Oxytocine, ook wel het 'knuffelhormoon' genoemd, zou wel eens voor een doorbraak kunnen zorgen in de behandeling van autisme en andere psychische stoornissen. Want een stofje met een positieve invloed, dat zou misschien wel eens ingezet kunnen worden als medicijn. Op internet zijn zelfs neussprays te koop met het hormoon als 'vloeibaar vertrouwen'.

Zoals het voorbeeld van schizofrenie al aangeeft, behalve in de psychiatrie is oxytocine ook in de wetenschap een ware hype. Jaarlijks zijn er honderden onderzoeken gaande naar de toepassing van het hormoon. Op bijvoorbeeld autisten, of mensen met een borderline persoonlijkheidsstoornis.

Het hormoon is van oudsher bekend door zijn rol bij de geboorte. De naam oxytocine komt dan ook van het Griekse woord voor snelle bevalling. Zo wordt het middel voorgeschreven om weeën op te wekken en de toeschietreflex van borstvoeding te stimuleren. Maar in de loop van de tijd ontdekte men dat de stof ook vrijkomt op andere momenten: bij verliefdheid, knuffels en orgasmen. Vandaar de bijnaam 'knuffelhormoon'.

Hoe dat vrijkomen van oxytocine en die gunstige effecten werken, is onderzoekers nog niet helemaal duidelijk. De nieuwe mogelijkheden voor het maken van hersenscans geven wel eerste aanwijzingen. Het lijkt erop dat het hormoon ervoor zorgt dat de amygdala, het deel van het brein verantwoordelijk voor emoties zoals angst, minder actief wordt. Daardoor wordt het makkelijker om vreemden te benaderen en zelfverzekerd te zijn.

Uitschakelen van de angstfunctie dus, maar er is meer. Pas relatief kort is bekend dat oxytocine ook betrokken is bij hoe wij de mensen om ons heen zien. Het begon met onderzoek waaruit bleek dat mensen die oxytocine toegediend kregen, eerder geneigd waren anderen te vertrouwen. Dat klinkt hoopvol. Zeker voor mensen die last hebben van een stoornis binnen het autistisch spectrum. Die hebben moeite met het vertrouwen van anderen en zijn minder goed in het herkennen van gezichtsuitdrukkingen.

Bij autisten verbetert de stof die herkenning, blijkt uit meerdere onderzoeken. Het verschil is alleen nauwelijks merkbaar: nog steeds scoren de proefpersonen lager dan gemiddeld. Dat ze beter van vertrouwen worden, staat wel vast. "Maar moeten we dat willen?" vraagt Carsten de Dreu zich af. Hij is hoogleraar psychologie aan de Universiteit van Amsterdam en doet sinds vier jaar onderzoek naar het hormoon. "Je kunt niet zomaar oxytocine als behandelmiddel geven en verwachten dat autisten zelf leren zien wie ze wel of niet kunnen vertrouwen. Zonder therapie maak je zo'n groep kwetsbaar."

Racisme
De Dreu en zijn team vinden oxytocine in meerdere opzichten interessant. Ze ontdekten in 2010 dat het hormoon mensen ook vrijgeviger maakt, maar niet ten opzichte van iedereen. De Amsterdamse psychologen lieten proefpersonen bepalen hoeveel geld ze een tegenspeler wilden geven. Een deel van deze proefpersonen kreeg zonder dat men het wist van tevoren oxytocine toegediend via een neusspray. En juist deze groep was veel meer geneigd om mensen die een Nederlandse naam hadden meer geld te geven dan degenen die een buitenlands klinkende naam hadden. Hoe meer de proefpersonen zich verbonden voelden met hun onzichtbare tegenspeler, hoe eerlijker hun voorstel. En wanneer ze hun tegenspelers kort ontmoetten voordat ze hun keuze moesten maken, was dat effect nog sterker.

"Dat betekent niet dat oxytocine verantwoordelijk is voor racisme", zo waarschuwt De Dreu voor te snelle conclusies. Het ging de proefpersonen vermoedelijk niet alleen om de keuze 'buitenlander' versus landgenoot. "Het is meer een kwestie van bekend versus onbekend. Evolutionair gezien is het belangrijk om je eigen groep te beschermen tegen indringers. Daarom is het logisch dat we mensen met wie we iets hebben, meer geld geven dan buitenstaanders. Die verbondenheid kan van alles zijn: religie, dezelfde kledingstijl, noem maar op."

Marinus van IJzendoorn en Marian Bakermans-Kranenburg van de Universiteit Leiden specificeren de werking van oxytocine nog verder. Zij onderzochten hoe opvoeding de werking van het knuffelhormoon beïnvloedt. Alleen als iemand een goede, liefdevolle achtergrond heeft, is hij gevoelig voor de stof, concludeerden de pedagogen. "We vermoeden dat degenen die zo'n achtergrond missen, gezichtsuitdrukkingen sneller negatief interpreteren", zegt Van IJzendoorn. Hij heeft ook een alternatieve, biologische verklaring. "Het kan ook zijn dat een gebrek aan liefde ervoor zorgt dat oxytocinereceptoren zich niet goed ontwikkelen."

Maar het is niet allemaal halleluja op het oxytocinefront. Recent onderzoek wijst uit dat er ook een andere kant aan het wondermiddel zit. Bij patiënten met een borderline persoonlijkheidsstoornis wekt het bijvoorbeeld veel agressie op. Terwijl je juist zou verwachten dat zij vanwege hun verlatingsangst en moeite met het onderhouden van relaties een doelgroep bij uitstek zijn voor het 'wondermiddel' oxytocine. "Het zou natuurlijk kunnen dat zij iedereen als buitenstaander zien, dat ze niemand kunnen vertrouwen." In dat geval heeft de oxytocine geen positief effect. "Dat moet verder onderzocht worden", zegt De Dreu. De psychologen zelf vermoeden dat borderlinepatiënten al zo sterk gericht zijn op sociale indrukken en de emoties die daarbij horen, dat de versterking daarvan alleen maar angst opwekt.

Onderzoek
Maar toch, het hormoon is misschien op bepaalde cruciale fronten onmisbaar. Ander onderzoek op muizen laat zien dat als hun oxytocinecircuit uitgeschakeld wordt, ze minder makkelijk sociale banden opbouwen en moeite hebben om elkaar als 'bekend' te zien. "Het is wel lastig om de vertaalslag naar mensen te maken, omdat verschillende hersengebieden zich bij mensen anders ontwikkelen", nuanceert De Dreu. "Maar het is wel zorgelijk en illustreert hoeveel verder onderzoek nodig is."

Dit alles is geen reden om dan maar te stoppen met oxytocine, vindt De Dreu. "Er zijn zo weinig alternatieve behandelingen voor bijvoorbeeld autisme. En oxytocine speelt een heel centrale rol in ons sociale brein, dus is het logisch om te verwachten dat er een doorbraak komt."

Eindelijk een medicijn tegen autisme of andere problemen? In Amerika zetten ouders druk op hun artsen om oxytocine aan hun autistische kinderen te geven. Terecht? In de toekomst misschien wel, zegt De Dreu. Hij waarschuwt: "Wetenschappers doen pas een paar jaar onderzoek naar oxytocine. We weten veel meer dan we eerst deden, maar nog lang niet alles. Voor we het echt gaan toepassen, moet er nog veel meer onderzoek gedaan worden. Zeker over de langetermijneffecten is nog weinig tot niets bekend. Ik zou zeggen: investeer bakken met geld in onderzoek, dan zien we over een jaar of tien verder."

Van IJzendoorn en Bakermans-Kranenburg van de Universiteit Leiden bevestigen dat. "Het is heel kwalijk dat het hormoon nu al als behandeling toegepast wordt. Autisme is niet ineens te genezen met oxytocine. De behandeling moet zich richten op het verbeteren van de leefomstandigheden voor gezinnen, en er moet onderzocht worden welke rol oxytocine daarbij kan spelen." En hoe zit het met die spray? "Je kunt je geld beter uitgeven aan haarspray", aldus Van IJzendoorn.

Oxytocine wordt gebruikt om weeën op te wekken en borstvoeding te stimuleren, maar komt ook vrij bij verliefdheid, knuffels en orgasmen. Vandaar de bijnaam 'knuffelhormoon'.

Wetenschappers die oxytocine bestuderen
Carsten de Dreu (46) is sinds 1998 hoogleraar psychologie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij richt zich op de neurobiologische en psychologische fundamenten van samenwerking, conflict, besluitvorming in een groep en creativiteit. Hij schreef veel over 'conflictmanagement' en is sinds vorig jaar 'fellow' van wetenschapskoepel KNAW, een positie voor hoog gewaardeerde wetenschappers.

Marinus van IJzendoorn (61) is sinds 1981 hoogleraar gezinspedagogiek aan de Universiteit Leiden. Hij is bekend van zijn onderzoek naar de hechting - niet alleen tussen kinderen en hun ouders, maar ook bijvoorbeeld tussen jonge kinderen en crècheleidsters. Negen jaar geleden ontving hij van wetenschapskoepel NWO de Spinozaprijs, de hoogste academische prijs in Nederland. Hij was betrokken bij het onderzoek naar seksueel misbruik in de jeugdzorg. Ook hij is KNAW-fellow.

Marian Bakermans-Kranenburg (46) is net als Van IJzendoorn hoogleraar gezinspedagogiek in Leiden. Zij werkte de hechtingstheorie onder meer uit voor tweelingen en hun ouders. Ook zij werkte mee naar het onderzoek naar misbruik in de jeugdzorg. Ze ontving twee keer de NWO-aanmoedigingsprijs 'Vici' voor jonge onderzoekers en werd vorig jaar fellow van de KNAW.

Onderzoek naar het knuffelhormoon
Enkele voorbeelden van recent oxytocine-onderzoek wereldwijd:

Amerikaanse onderzoekers ontdekten dat proefpersonen die oxytocine toegediend kregen, veel meer woede voelden wanneer ze een verhaal over onrecht hoorden dan mensen die een placebo kregen. Kortom, ze reageerden emotioneler. Maar betekende dat ook dat ze wraakzuchtiger werden? Dat was niet het geval: de straf die de proefpersonen wilden opleggen aan de dader bleef gelijk.

In onderzoeken naar postnatale depressie ontwikkelden moeders die oxytocine toegediend kregen een betere band met hun baby. Dat is gunstig, want een vroege hechting is belangrijk voor kinderen. Voor de moeders was het hormoon op korte termijn niet direct een wondermiddel. Ze werden er niet minder depressief van. Sterker, de bijwerkingen waren dat hun negatieve emoties sterker werden.

Verschillende onderzoeken zijn uitgevoerd naar de reacties van mensen met schizofrenie op oxytocine. De resultaten spreken elkaar tegen: de ene studie spreekt van minder psychoses bij de proefpersonen, het andere onderzoek vindt dat effect niet. Hetzelfde geldt voor de herkenning van gezichtsuitdrukkingen: de ene studie wijst uit dat die erop achteruit gaat, elders is dat effect niet gevonden. Het gaat voorlopig nog om een klein aantal studies, zodat vervolgonderzoek duidelijkheid moet geven.

Vorige week promoveerde de Leidse pedagoge Madelon Hendricx op de werking van oxytocine. Ze liet vrouwelijke proefpersonen in een computerspel een bal naar elkaar toegooien. Een van de deelnemers werd uitgesloten van het spel. Proefpersonen die een snufje knuffelhormoon kregen, waren eerder geneigd om deze zielepoot alsnog de bal toe te gooien. Behalve als de vrouw in kwestie zelf hardhandig was opgevoed, dan had oxytocine geen effect. Je moet dus niet verwachten dat deze groep vrouwen net als anderen liefdevoller wordt voor net geboren eigen kinderen als je ze het knuffelhormoon toedient, concludeerde Hendricx.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden