Vliegtuigraam en mergpijpje van winnaar Prix de Rome

Een eierdoos, een tennisbaan, een tweezitsbank - Robert Zandvliet (26) schildert abstract en toch herkenbaar. Zijn schilderijen hebben geen titel en zijn ongesigneerd, maar de schilder hoeft niet bang te zijn dat zijn werk ooit voor dat van een ander wordt aangezien. Twijfel over wat het voorstelt is eveneens uitgesloten. De uitvergrote objecten, teruggebracht tot essentiële lijnen en vlakken, blijven benoembaar: mergpijpje, vliegtuigraam, filmdoek.

Als zoon van een Friese veehouder, opgegroeid in Tjalleberd, kwam hij groen als gras op zijn zeventiende op de kunstacademie in Kampen terecht. Museumbezoek was hem vreemd, Picasso kende hij van de televisie. Toch werd hem snel duidelijk dat hij schilder moest worden. Zijn kordaatheid werd beloond. Via de schilder Eli Content, docent in Kampen, kwam Zandvliet terecht op de Ateliers in Amsterdam, waar persoonlijkheden als Jan Dibbets en Ben Akkerman zich over hem ontfermden. Twee jaar geleden won hij de Prix de Rome.

De jonge schilder woont en werkt sinds enige tijd in Rotterdam. In Friesland komt hij nog slechts om zijn ouders te bezoeken. “Ik zou er niet meer kunnen wonen - dan moet ik voor ieder potje verf naar Amsterdam. Maar Amsterdam trekt me ook niet. Daar is alles zo bruin - het water, de huizen: veel Breitner. Rotterdam heeft iets moois, ondanks de lelijke architectuur. Het licht is er vol grijstonen - isschien is het de reflectie van de lucht in de Maas.”

Misschien ligt Rotterdam ook veilig ver van de Amsterdamse kunstscene, waar het gevaar om doodgeknuffeld te worden nog steeds op de loer ligt. Zijn werk hangt inmiddels bij Rudi Fuchs in Amsterdam, in Tilburg bij stichting De Pont en het is toegevoegd aan de prestigieuze collecties van ABNAmro en Océ-van der Grinten.

Zandvliet heeft in de korte tijd waarin zijn ster is gerezen, geleerd om afstand te scheppen: “Het werd te gek, al die mensen die in mijn atelier wilden komen kijken. Ik zeg tegenwoordig: het is goed, kom maar over een half jaar. Ik zit in de luxe positie dat ik máár twee exposities per jaar hoef te doen. Zo houd ik tijd om in mijn atelier te rotzooien en te prutsen. Ik wil me kunnen ontwikkelen zonder dat ik het gevoel heb de volgende museumzaal te moeten vullen.”

Behalve een paar monumentale doeken, die ook vorig jaar in het Rotterdams Centrum voor moderne kunst te zien waren, en recent werk in dezelfde stijl, hangt er in Dordrecht één schilderijtje waarmee Zandvliet zijn fans zal verbazen: een landschapje. Hoewel het in zijn gedetailleerdheid afwijkt van de overige, stoere voorstellingen, is het handschrift herkenbaar: de matglans van eitempera (de verf waarmee Zandvliet het liefst werkt), de transparant geschilderde vlakken en het specifieke kleurgebruik. Zandvliet: “Een landschap was voor mij altijd een landschap van Hercules Seegers of van Jan van Gooyen, zo'n elementair Hollands landschap. Van dat beeld kon ik nooit loskomen. Ik wist niet hoe ik een boom ánders zou kunnen schilderen. Maar van De Kooning bestaat ook een serie landschappen op zijn eigen manier, dus ik wist dat het mogelijk was. Dit oranje landschapje heb ik als een negatief geschilderd - dus waar de lucht in werkelijkheid wit is, is-ie bij mij donker, en mijn bomen zijn wit. Zoals Baselitz alles op zijn kop schildert om los te komen van de voorstelling, zo heeft bij mij dat idee van een beeld in negatief bevrijdend gewerkt. Als ik zoiets straks ook nog eens kan omzetten op een groot doek, ben ik echt een paar stappen verder.”

Dat het Zandvliet ineens lukte om een landschap te schilderen, komt wellicht door het feit dat hij sinds kort dagelijks vanuit de trein mooi ingekaderde, wisselende landschappen aan zich voorbij ziet trekken. Iedere dag om kwart over negen spoort hij naar Tilburg, waar hij van Stichting de Pont de beschikking heeft gekregen over een reusachtig atelier, waar jonge kunstenaars telkens voor een periode van een jaar mogen werken. De schilders Marc Mulders en Reinoud van Vught zijn hem voorgegaan.

Zandvliet: “Ik was altijd bang om ergens in m'n eentje in een of andere loods te moeten schilderen. Bang dat ik dan de discipline niet op kon brengen. Bang ook voor het moment dat je het niet meer weet, dat er niemand is die langs komt en zegt: 'Gaat goed, hè'. Maar die angst heb ik niet meer. In De Pont heb ik ontdekt dat ik het alleen kan. Ik kan zelfs niet meer anders. Schilderen is als een verslaving: ik wil het iedere dag weer.”

Vanuit de grote benedenzaal in het Dordrechts Museum, waar zijn schilderijen tot en met 15 november te zien zijn, dwaalt de schilder graag door het oude gedeelte van het museum. Het sombere 19e-eeuwse gebouw heeft krakende trappen en hoge ramen, die met kaasdoek zijn bespannen om het licht te filteren. Zandvliet zou de conservator Oude kunst het liefst om een rondleiding vragen. “Er is veel wat ik vanzelf mooi vind, maar misschien hangen er schilderijen die interessant zijn, maar waarvan ik dat niet zie. Ik zou willen vragen: Vertel me, wat moet ik zien?”

“Dit vond ik bijvoorbeeld onmiddellijk prachtig”. We blijven staan bij een schilderij van Adriaen Coorte, een sereen stilleven met asperges en aardbeien uit 1707. “Je ziet dat dit met liefde gemaakt is en niet een of ander opdrachtje is dat af moest. En van deze schilder had ik ook nooit gehoord voordat ik hier kwam om te exposeren: Abraham Susenier.” We kijken naar een langwerpig 17e-eeuws schilderij van een berg geheimzinnig gekleurde schelpen op een tafel met een gedrapeerd gordijn op de achtergrond.

“Kijk, en dit bedoel ik nu met Hollandse landschappen: Schelfhout. Of deze hier van Maris, met die kraakheldere lucht. Er zit roze in, hoe krijgt-ie dat zo.” De hedendaagse schilder drukt zijn neus bovenop op het eeuwenoude doek, in de hoop het geheim te ontdekken. “Allemaal doen ze het anders, zo'n witte lucht. De één gebruikt lichtblauw, de ander grijs, de Haagse school poedert, Mauve maakt het doek korstig en Paul Gabriël hier, die laat de grijze bewolktheid in de lucht zelfs terugkomen in de weilanden. Het meest houd ik van Weissenbruch. Dat blauw van Hendrik Johannes Weissenbruch...”

Uit bewondering voor de Haagse schilder (1824-1903) en ook uit een gevoel van verwantschap (“en zeker niet uit arrogantie”) bedacht Zandvliet, dat hij het schilderij 'Te noorden bij Nieuwkoop' (1901) in een van de oude zalen wilde combineren met twee van zijn eigen werken (vliegtuigramen) én met twee foto/schilderijen van de kunstenaar J.C.J. Vanderheijen (1928).

“Op de academie was ik al een fan van het schilderijtje van Weissenbruch. Ik kende het uit de boeken en ineens kwam ik het hier in Dordrecht in het echt tegen. Het is op het oog een gewoon, mooi coulissenlandschapje, maar er is iets vreemds mee aan de hand. De horizon is weggeschilderd achter de brug en dit witte wolkje in de lucht kan daar alleen maar hangen, omdat hier beneden een wit zeiltje is geschilderd. Het is eigenlijk een hardstikke abstract schilderij. Toen ik in dit museum ook nog eens een paar van mijn favorieten van JCJ tegenkwam, dacht ik: 'Daar wil ik wat mee doen'. De conservatoren van het museum reageerden afwachtend. Ze wilden eerst zien of de kunstwerken elkaar wel verdroegen, maar toen het eenmaal hing, werd iedereen enthousiast.”

Dat ook Rudi Fuchs zijn museumruimtes graag vult met oud én nieuw, berust volgens Zandvliet op toeval. “Ik heb altijd op deze manier naar kunst gekeken. Als het goed is, vergeet ik wanneer iets geschilderd is. Een schilderij moet overdrachtelijk zijn. Ik bedoel, het mag geen geheimtaal zijn, waarbij je precies moet weten waar dat citroentje op tafel destijds voor stond, om het beeld te kunnen begrijpen. Zo'n schilderij van Velasquez bijvoorbeeld, met scènes van het hof, met lilliputters erop en zo, daaraan zie je na vierhonderd jaar nóg dat hij in wezen lak had aan dat Habsburgse hof.”

Zandvliet realiseert zich hoe bijzonder zijn positie op dit moment is, met zoveel serieuze aandacht voor zijn nog prille talent. Hij houdt zichzelf stevig voor dat het morgen ook afgelopen kan zijn. “Een geruststellende gedachte is, dat ik zeker weet dat ik hoe dan ook door zal gaan. Het klinkt misschien makkelijk uit mijn mond, maar het gaat mij toch om het schilderen, en niet om de expositie. De meeste bevrediging geeft het maken van een schilderij dat goed is, waarvan je zelf achterover valt. De kunst is jezelf te blijven verrassen. Het lijkt me heel vervelend als je hándig wordt. Die fase komt natuurlijk, maar daar kijk ik niet naar uit. Je moet eigenlijk een beetje een bord voor je kop blijven houden.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden