Vlieg alsjeblieft weg Het vogelperspectief

„Toen ik opnieuw aanlegde, draaide de ekster zijn kop en keek me recht over het vizier heen aan.” Een jongen met een luchtbuks, een vogel met een schotwond: Coen Simon beschrijft een uitzonderlijke ontmoeting met een ekster in zijn tuin. „De vogel en ik waren voor even helemaal samen, mens noch dier. Toen begon de tijd weer te lopen.”

LET OP: OP VERZOEK VAN COEN SIMON OP 15-07-2010 UIT ZIJN DOSSIER VERWIJDERD - DOOR HET OP DRAFT TE ZETTEN

Ons huis lag aan de bosrand ten oosten van het dorp. Aan de voorkant kon je de eerste huizen en de papierfabriek zien liggen. Vanuit mijn slaapkamerraam aan de achterkant, keek je het bos in. Ik sliep zonder gordijnen, zodat ik ’s ochtends het bos wakker kon zien worden. Vanuit mijn bed staarde ik dan naar de kraaien die om de toppen van de bomen streden of volgde een eekhoorn over een onzichtbaar pad door de takken.

Het was zondag, vlak voor de zomervakantie. Ik weet niet meer waar iedereen die middag heen was. In elk geval liep ik alleen om het huis, terwijl mijn broer op zijn kamer naar de radio luisterde. Het enige dat ik van jagen wist, was dat je niet met de wind mee moest drijven. „Ze ruiken je en ze horen iedere stap.” Dat zei mijn vader toen hij me vertelde van een zwijnenjacht waar hij als jongetje in Indië eens aan mee mocht doen.

Het was zo’n warme dag die je je later als een hele zomer herinnert. Ik wist waar mijn vader de luchtbuks had opgeborgen, apart van de kogels. Met de houten kolf tegen mijn schouder geduwd, liet ik het ding een paar keer ongeladen ploffen. Net toen ik ’m wilde terugzetten, landde een ekster bij de buitenkraan, vlak voor het raam van mijn vaders werkkamer. De zwart-witte vogel zag mij niet staan achter de vitrage. Ik bedacht me geen moment, haalde het doosje kogeltjes uit de linnenkast in de woonkamer en verliet het huis door de achterdeur ver bij de vogel vandaan. Toen ik bij de kraan aankwam was de ekster verdwenen.

Ik had geen tijd gehad om mijn schoenen aan te trekken en dus stond ik met mijn blote voeten op de warme stenen. Aan mijn vinger hing de buks als een vanzelfsprekend verlengstuk van mijn lichaam. Een rilling ging door me heen. Onze tuin was een Afrikaanse steppe, het bos een Indonesisch oerwoud.

Met Pascal, een Ambonese jongen die één klas boven mij zat, had ik al vaak met pijl en boog op vogels en katten geschoten. Eenmaal stonden we onverwacht op nog geen vijf meter van een kat vandaan, die zich net langs de stam van een kleine wilg naar beneden liet zakken. Pascal had altijd de leiding, maar ik had de boog net in mijn hand. Zonder iets te zeggen duwde hij met zijn wijsvinger hard in mijn bovenarm. Het was duidelijk wat er moest gebeuren. En ik had ’de wilde kat’, zoals mijn vader ze noemde, zonder meer aan mijn pijl met spijkerpunt geregen als het beestje voor mijn ogen niet was veranderd in een huisdier dat zich iedere avond in een warme vensterbank lag te wassen. Aan de ogen van de poes kon ik niet zien of ze me minachtte, of dat ze me smeekte om genade. Ik liet de pijl krachteloos tussen duim en wijsvinger wegglijden. Boos trok Pascal de boog uit mijn handen. Zijn pijl bleef vlak achter de vluchtende poes in het zand staan.

Ik was ontdaan na die middag. Niet zozeer door mijn gebrek aan moed. Zeker, ik schaamde mij tegenover mijn stoere vriend – en we hebben er nooit meer over gesproken. Maar de andere ontgoocheling maakte veel meer indruk. Door de onverwachte transformatie van de wilde kat tot huisdier was een heel wereldbeeld aan het wankelen gebracht. Ik had nooit getwijfeld aan het bestaan van de ’wilde katten’ van mijn vader. Deze katten behoorden toe aan ’de natuur’. En die natuur bestond simpelweg uit planten en dieren waar niet door de mens voor werd gezorgd. Die natuur was echt, net zo echt en even duidelijk als de natuur op televisie. En ik kon de natuur in- en uitstappen wanneer ik maar wilde. Het woord cultuur kende ik vast en zeker nog niet op die leeftijd.

Nu ik dit schrijf, besef ik dat wij natuur allereerst als ’een op zichzelf staand ding’ leren kennen en niet als denkcategorie. Ik kon nog niet weten dat cultuur en natuur onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn – en dat ze meer over de aard van de mens zeggen dan over de wereld, maar ik moet hierover toen een eerste vermoeden hebben gekregen. Want ook al verloor ik, nadat ik mijn pijl op een onschuldig huisdier had gericht, de illusie dat ik leefde in de wilde natuur, ik kreeg er ook iets voor terug. Ik had in de ogen van de poes gezien dat de wereld waarin ik leefde niet minder echt was dan een Afrikaanse steppe. Ik besefte dat de bange poes, ook al kreeg ’ie ’s avonds zijn eten op een schoteltje in een keuken, ook echt bestond. En ik besefte dat hoe ik de wereld ook vervormde met mijn fantasie, het niet viel te ontkennen dat de wereld er was. En uiteindelijk vond ik die gedachte raar, maar geruststellend. Dat ik jagertje speelde zonder een echte jager te zijn, leek me ineens niet zo’n probleem meer: als spelende jager was ik net zo echt als de echte jagers op de echte Afrikaanse steppe.

„Een zuiver objectieve waarheid bestaat nergens”, merkt de Amerikaanse psycholoog en filosoof William James op in een lezing uit 1906. In die lezing vertelt hij over een discussie met vrienden tijdens een wandeling. Ze hadden een eekhoorn gezien die uit het zicht probeerde weg te draaien om de stam van een boom, terwijl zij op hun beurt met z’n allen om die boom heen draaiden. De vraag die hen bezighield in de onbeperkte vrijheid van de wildernis, zo vertelt James, is of zij nu wel of niet om de eekhoorn heen draaiden. James’ oplossing dat het afhangt van wat je in praktisch opzicht bedoelt met ’om-de-eekhoorn-heen-lopen’ lijkt een onbevredigend, relativistisch antwoord. Een verwijt dat de filosofie wel vaker krijgt. Maar welbeschouwd is het de grond voor iedere waarheid.

In ons leven bevinden we ons nooit tegenover de wereld, zoals ik als kind lang heb gedacht me tegenover de natuur te bevinden. We zijn altijd in de wereld, een wereld waarvan wij onlosmakelijk deel uitmaken. En waar we niet even bovenuit kunnen stijgen, om vanuit vogelperspectief te zien hoe het werkelijk zit. Alle waarheidsaanspraken die we doen komen voort uit de wereld, én – dat blijkt het moeilijkst te verteren – hebben alleen maar betekenis binnen deze wereld. De geschiedenis van de mens toont in alle tijden hernieuwde pogingen om te ontsnappen aan deze menselijke betrekkelijkheid. En hoewel religie de meest voor de hand liggende ontsnapping lijkt is de vlucht in een absolute wetenschappelijke verklaring vandaag de dag veel gebruikelijker.

Wetenschappelijke en religieuze fundamentalisten beloven beiden een uiteindelijke objectieve waarheid, en niets anders dan de waarheid. Maar de belofte blijft altijd uitgesteld: tot in het hiernamaals, of ’tot het wetenschappelijk bewezen is’. Het liefst krijgen we van een wetenschappelijk expert uitsluitsel over al onze vragen: bestaat God echt of is hij een hersenspinsel? Is crimineel gedrag op het DNA aan te wijzen? Is depressiviteit het gevolg van omstandigheden of van een hormonaal proces? De eenduidigheid van de vraag wekt de suggestie dat het antwoord net zo simpel is. Maar zoals hoogleraar psychiatrie, Willem van Tilburg het ooit zei: „Dat kúnnen wij helemaal niet objectief vaststellen. [...] De cultuur bepaalt wat we depressief noemen en wat niet.” Wetenschap, zei Plato al, produceert geen waarheid, maar herhaalt de feiten op een andere manier.

Tsjektsjektsjek! Het rauwe gekras van een ekster bracht me uit de steppe weer in onze tuin. In het gras onder de prunus zat mijn ekster, en even verderop de rest van de zwart-witte familie. Zonder mijn blik af te wenden, voelde ik met mijn wijsvinger aan de trekker of de buks was aangespannen. In twee stappen was ik bij de berk aan het begin van de tuin. De vogels merkten me niet op. Ik leunde met mijn linkerschouder tegen de ruwe bast en tilde het geweer in de juiste positie voor mijn gezicht. De loop richtte ik net achter de kop van de jonge ekster. Met één vingerbeweging kon ik nu een pijnlijke fout van mijn vader rechtzetten.

Op een zaterdag, toen ik terugkwam van judoles, riep hij mij bij zich. In zijn overall stond hij naast de hoge spar achter het fietsenhok. Met zijn laars duwde hij zachtjes tegen een dode vogel. Hij had gericht op een ekster, dacht ie, maar er was een kraai op het bakstenen pad neergeploft. Volgetroffen. We besloten het beest in de boom te hangen om eksters en kraaien af te schrikken. Dat gaf de kleine meesjes en vinkjes de kans groot te worden. Op mijn verjaardag, drie dagen later, werd ik wakker van hard gekras. Toen ik uit het raam keek zag ik een grote groep kraaien en een paar eksters in ruime cirkels om de boom draaien. Minutenlang hielden ze het vol, totdat ze plotseling ophielden en in stilte uiteenvlogen.

De gebeurtenissen in onze tuin zouden jaren later aan het begin staan van een hechte vriendschap. Na een college logica zat ik met Ferdinand aan de Amstel een blikje bier te drinken. We volgden al meer dan een half jaar dezelfde vakken, maar hadden elkaar nog niet zolang geleden voor het eerst aangesproken. Hoe goed we het ook konden vinden, de prille vriendschap gaf onze ontmoetingen nog iets vrijblijvends. Aan die vrijblijvendheid kwam die middag definitief een einde. „Wat vind jij eigenlijk van eksters?”, vroeg Ferdinand ineens. Ik vond het een ongemakkelijke vraag. „Dat zijn toch best mooie vogels?”, zei ik. Toen hij niets terugzei, vertelde ik Ferdinand mijn verhaal over eksters en kraaien. „Ik wist het”, siste Ferdinand zacht, alsof het een gevaarlijk geheim betrof. We bleken gegrepen door dezelfde symboliek. Ook in zijn leven zag hij de eksters als boodschappers van het kwaad en kraaien als zwarte engelbewaarders. Een geloof dat we tegelijkertijd als spel zagen én bloedserieus namen.

Plotseling klonk er geroep en geklap aan de overkant van het water. „Mister Gorbatsjov!” Op een open rondvaartboot midden op de Amstel stond zomaar de Rus die enkele jaren eerder een einde had gemaakt aan het zwart-wit denken tussen Oost- en West-Europa. We hadden geen idee wat het betekende, maar we ervoeren deze gebeurtenis als een veelzeggende toevalligheid. De vriendschap leek bij aanvang te worden geconserveerd in een beeld van de werkelijkheid waarin we graag samen wilden leven.

Als ik nu zou raken, had ik de kraai gewroken, ging er door mijn hoofd. Van onze zondagse schietoefeningen, waarbij mijn broer en ik onder leiding van mijn vader om de beurt op een kartonnetje schoten wist ik dat, ook al had je je doel in het vizier, de kogel nog ver kon missen.

Met meer hoop dan vertrouwen haalde ik de trekker over. In het doffe schot vloog de hele familie op, op mijn prooi na. Deze maakte alleen een hupje, alsof hij het schot niet had gehoord, maar op de commotie van zijn familieleden reageerde. Ik herlaadde meteen. Toen ik opnieuw aanlegde, draaide de ekster zijn kop en keek me recht over het vizier heen aan. Hoewel ik mijn vader geloofde die had gezegd dat het rotbeesten het waren, omdat ze jonge vogeltjes uit hun nesten roofden, overkwam me toch dezelfde schrik als bij de ten dode opgeschreven poes. Ik wilde meteen een eind maken aan deze gruwelijke werkelijkheid en terug naar mijn Afrikaanse steppe, waar geweld op harmonieuze wijze deel uitmaakte van de natuur.

Ik liet het geweer zakken en sprong uit stand de tuin in. Boe! De ekster veerde niet op, maar bleef me aankijken. Ik deinsde terug. Dit jonge beest leek niet bang. Het kon ook naïviteit zijn, maar ik vond het beangstigend. Ik keek naar de grote, pikzwarte snavel en voelde me onbeschermd en onbenullig met mijn blote voeten, korte broek en T-shirt. Nog een keer aanleggen durfde ik niet en weer probeerde ik het beest te laten schrikken.

Nu kromp hij ineen. Mijn angst verdween terstond en leek overgevloeid in de vogel. Van zo dichtbij had ik nog nooit een ekster gezien. Ik vond het altijd de lelijkste vogels. In hun vlucht deden ze me denken aan de eerste vliegpogingen van de mens, hopeloos slaand met papieren vleugels. Maar zo bekeken was de vogel eigenlijk prachtig. Het wit was vlekkeloos en het diepzwart van kop en rug liep in de staart over in een groene glans. En het blauw van de vleugelpennen leek met olieverf aangebracht. Nu zag ik ook de wond achter zijn rechteroog. Ik had de jonge vogel geraakt. Zou het beestje pijn hebben? Zou het weten dat het doodging? Weten dieren dat ze doodgaan? Toen hupte hij ineens krachtig weg richting de oprijlaan. Ik kneep mijn ogen dicht. De vogel was misschien alleen geschampt door het kleine kogeltje. Vlieg alsjeblieft weg.

Toen ik opkeek, had de ekster zich in het grind laten zakken. Ik legde de buks in het gras en stapte met mijn blote voeten op de kiezels. Opnieuw keek de vogel me aan, licht wiebelend met zijn kop. Weer zag ik hoe mooi het beest was. Ik werd misselijk van spijt. Even wilde ik mijn broer erbij halen, maar bedacht dat hij me hiermee niet kon helpen. Wat had ik toen graag net als hij op mijn kamer naar de radio geluisterd.

Als ik eraan terugdenk, wordt het uitzonderlijke van de ervaring me duidelijk. Er was tussen de jonge ekster en mij een intimiteit die je als mens niet gauw voelt met een vogel. Ik voelde me verwant. Alleen al omdat deze jonge ekster het, net als ik op dit moment, zonder de steun van zijn familie moest doen. Van de andere eksters was geen spoor te bekennen – wat een laffe rotvogels! Maar het moet ook de kreupelheid zijn geweest, waardoor het vliegende wezen leek afgedaald tot een menselijk niveau. Zelf liep ik bovendien even gemankeerd over puntige kiezels in het grind. Ik herinner me het moment tijdloos en zonder geluid. Ik was alleen met de jonge ekster en allebei waren we gevangen door hetzelfde wrange lot: ik zou nooit meer zonder spijt leven en de vogel zou nooit meer vliegen.

De vogel en ik waren voor even helemaal samen, mens noch dier. Toen begon de tijd weer te lopen. Ik zag een vreemd wezen voor me, dat niets van mij begreep en waarvan ik niets begreep. Het beest was zelfs vreemder dan ooit. Ons langgerekte moment van gelijkheid toonde juist hoe weinig verwant we werkelijk waren. Ik kon deze vogel geen spijt betuigen, of iets uitleggen. Onze band was op dezelfde manier schijn, als de band die je door een historisch artefact met het verleden denkt te hebben. Op het moment dat het grijpbaar lijkt werpt het je weer onbevredigd terug in het nu.

De mooiste ontmoeting die ik ooit heb gehad was tijdens een kort bezoek aan Krakau in 2002. Op een nacht liep ik door de stad terug naar het hotel over een lange brede straat met kasseien. Het begon te stortregenen en ik kon nergens schuilen. Ik haastte me voorovergebogen over de gladde stenen. Bijna botste ik met een man die een paar koppen groter was dan ik. Daar stonden we, doorweekt. Met een harde, vriendelijke stem en een hand naar de hemel geheven sprak hij me aan. Ik antwoordde in het Engels dat ik geen Pools sprak. Hij vervolgde in het Pools en even luid als hij was begonnen. Het enige wat ik dacht op te vangen was iets van ’angliska’. We keken elkaar aan, begonnen toen allebei te lachen en gaven elkaar een hand.

We liepen verder de dichte regen in. Alsof het was afgesproken draaiden we ons na drie passen tegelijkertijd om en zwaaiden.

De vogel wilde weer een hupje maken maar viel voorover. De heimwee naar de steppe waar ik heldhaftig op leeuwen joeg loste op. Er stroomde weer moed door mijn lijf. Ik had geen fantasie meer nodig. Ik had spijt van mijn daad, maar de daad was nu een feit. Om niet in nog meer zonden te vervallen moest ik mijn deugd aanspreken. Het kwam nu aan op doortastendheid. De situatie was duidelijk. Het beest moest worden afgemaakt. Uit zijn lijden verlost. Ik pakte de vogel met twee handen om zijn zachte vleugels en liep over het grind om het huis.

Jochem, onze hond, een donkerbruine boxer, lag op zijn vaste stek tegen het huis op de uitkijk tot mijn ouders weer terugkwamen. Nieuwsgierig stak hij zijn grijze snuit in de lucht en keek onderzoekend naar wat ik in mijn gevouwen handen hield. Honden hebben een zesde zintuig voor zwakke beesten. Hij begon te piepen en te kwijlen van opwinding, maar aan mijn houding moet hij hebben gezien dat hij niet dichterbij mocht komen. Ik had hem al eens van een haan af moeten trekken die uit het kippenhok was ontsnapt en sindsdien bleef hij in mijn nabijheid op gepaste afstand van het hok. Ook nu weer.

Ik vond het woordeloze van de verstandhouding met een hond prettig. Als ik Jochem uitliet had ik er plezier in om hem zoveel mogelijk alleen met gebaren te sturen. Ik floot hooguit een keer hard op mijn vingers. Verder moest een knikje met het hoofd of een vingerknip zijn richting duidelijk maken. Ik kon hele middag met hem spelen. We renden samen door de tuin achter denkbeeldige wilde beesten aan. En ik was ervan overtuigd dat hij hetzelfde spel speelde als ik. Dat hij er zelfs evenveel van genoot. Dat kon je zien aan zijn glimlach. Die bestond uit ingehouden sprongetjes met zijn voorpoten, uit zijn ogen die telkens mijn blik zochten en natuurlijk uit zijn kwispelende staart.

Een keer zat ik buiten op een stoepje te huilen. Mijn moeder was naar het dorp vertrokken zonder te vragen of ik mee wilde. Ik had nog een endje achter de auto aan gerend, maar ze zag me niet. Jochem kwam me troosten. Hij zette zijn grote poten voorzichtig neer aan weerszijden van mijn schoot en snoof zachtjes naast mijn oor. Hij probeerde niet in mijn gezicht te likken, zoals een hond in uitgelaten stemming doet. Alleen af en toe drukte hij bemoedigend zijn neus tegen mijn handen waarin ik mijn gezicht verborg. Ik hield op met huilen. „Je bent een brave hond”, zei ik terwijl ik hem aaide. Hij plofte zuchtend neer en bleef tegen mijn voeten aan liggen. Samen wachtten we op mijn moeder.

Onze omgang met dieren is altijd al van de omstandigheden afhankelijk geweest. Een heilige koe is in de eerste plaats heilig geworden omdat haar melk voedzaam is en omdat een gezonde koe voorspoed betekent. En in het algemeen lijkt onze relatie met het dier meer te zeggen over de omstandigheden dan over menselijke goedertierenheid. Zo verklaart de beroemde etholoog Frans de Waal het westerse mens- en dierbeeld onder andere uit de afwezigheid van apen in onze omgeving. In de Bijbel en in ons wereldbeeld kwamen eigenlijk alleen raven, vossen wolven, konijnen, ezels, kamelen, koeien en geiten voor, maar geen apen. „Daarom waren we we totaal van de kaart toen de eerste apen in Europa verschenen”, schrijft De Waal. „De dierentuin van Londen had in 1835 de primeur van levende mensapen, die koningin Victoria na haar bezoek gelijk als ’pijnlijk en onaangenaam menselijk’ omschreef. Het pijnlijke en onaangename zat ’m in het feit dat het Westen tot dan toe in een illusie had geleefd. Men wist niet beter dan dat we volslagen uniek waren.”

Een mooi historisch gegeven, waarmee De Waal pregnant toont hoe toevalligheid, meer dan logica, ons wereldbeeld bepaalt. Alleen is zijn conclusie – dat we al die tijd in een illusie hebben geleefd over de aard van de mens – een exemplarisch voorbeeld van het misleidende vogelperspectief waarmee we een objectieve waarheid over ons bestaan menen te kunnen geven.

Vanuit vogelperspectief lijkt het verschil tussen mens en dier steeds verder op te lossen. Zeker wanneer we kijken naar de ontwikkelingen van de afgelopen eeuw. Het psychoanalytisch perspectief van Freud onthulde een beestachtige natuur onder een dun laagje cultuur. Darwins nieuwe scheppingsverhaal schrapte Jezus Christus als de link tussen mens en God. Hij plaatste de mens in een lange seculiere keten van dieren, met slechts één onopgehelderde missing link.

Maar als we willen weten wat het is om ’mens’ te zijn heeft het geen zin om met een bird’s eye view de mens te kenmerken. Hoeveel biologische overeenkomsten er ook te vinden te zijn, uiteindelijk bepaalt de mens wie er thuishoort in het mensenpark.

Ik liep naar de houtopslag achter het fietsenhok en legde de hulpeloze vogel op de zachte bosgrond. Een stuk dennenbast ter grootte van een dakpan legde ik over het lijfje heen, de kop liet ik vrij. Jochem bleef eerbiedig op het stenen pad en nam een gespannen lighouding aan.

Alleen hij zag hoe ik de dikke tak met een harde klap op de vogel liet neerkomen. Jochem kromp ineen en kroop weg. Ik bekeek de jonge vogel. „Dood”, zei ik tegen Jochem. Ik begroef het beest ter plekke. Toen ik daarmee klaar was liep ik op de hond af. Voorzichtig kwispelend durfde hij weer te glimlachen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden