Vleermuis versus windmolen

Hoe hinderlijk zijn windmolens voor vleermuizen? Hun radarsysteem behoedt ze weliswaar voor botsingen met de rotorbladen, maar door grote drukverschillen kunnen ze wel een gruwelijke dood sterven.

Zoef zoef zoef. Zacht suizen de enorme rotorbladen van drie windturbines door de blauwe zomerlucht boven Herkingen. Over het water van de Grevelingen trekken luidruchtige grauwe ganzen voorbij. Het is half zeven in de ochtend als een man arriveert. Hij beklimt de trap aan de turbine en controleert een apparaat op de bovenste tree. Weer beneden begint hij methodisch in lange rechte lijnen rondom de turbine door het gras te lopen, de blik geconcentreerd naar beneden. Steeds opnieuw zie je hem bukken, schijnbaar om het gras aan een nader onderzoek te onderwerpen. "Veel schapenkeutels, maar niet één quasi", constateert hij. Voor een buitenstaander klinkt het nogal cryptisch.

Meer dan honderd kilometer verderop, in Noord-Holland en Flevoland, spelen zich rond vergelijkbare windmolenparken dezelfde taferelen af. Ook daar geconcentreerd zoekende mannen die in vaste patronen rond de molens lopen. Ze zoeken vleermuizen; dode vleermuizen, die slachtoffer zijn geworden van windturbines.

Hoewel er steeds meer parken worden gebouwd en vleermuizen beschermd zijn door allerlei wetten, is nauwelijks bekend óf en hoeveel vleermuizen het leven laten door windturbines, vertelt Sjoerd Dirksen, adjunct-directeur van Bureau Waardenburg. "Blijkbaar ging iedereen ervan uit dat vleermuizen met hun fabelachtig efficiënte echolocatie feilloos de bladen van de windturbines zouden kunnen ontwijken. Met dit zeer gevoelige radarsysteem kunnen de dieren vliegende insecten perfect lokaliseren, dus dan moet zo'n tientallen vierkante meter groot rotorblad toch geen probleem zijn."

Daar komt bij dat onderzoek naar dode vogels (dat wel veelvuldig wordt uitgevoerd) meestal in seizoenen plaatsvindt waarin de vleermuizen in kraamkolonies overblijven of in winterslaap zijn. Bij recent onderzoek in Duitsland en Amerika bleek dat er wel degelijk vleermuizen sneuvelen. "Onder de molens werden in de loop van een jaar soms tientallen dode vleermuizen gevonden. Het merendeel was uiterlijk intact, maar wel dood. Ze vlogen dus meestal niet tegen de bladen aan, maar sneuvelden door een tot dan toe onbekend fenomeen: barotrauma."

Door het draaien van de bladen ontstaat er rondom de rotorbladen een gebied met enorme onderdruk. De vleermuizen komen in die onderdruk terecht en imploderen. Hun organen klappen (gruwelijk genoeg) in één keer uit elkaar. "Inwendig waren de vleermuizen een puinhoop", schetst Dirksen.

Wakker geschud door de buitenlandse resultaten besloten Bureau Waardenburg en de Zoogdiervereniging tot onderzoek. De overheid en de energiemaatschappijen Nuon en Eneco - beide willen duurzame energie ook echt duurzaam laten zijn - betalen het overgrote deel, de twee onderzoeksinstellingen de rest. Dirksen: "Zomaar de buitenlandse resultaten overnemen kan niet. De vleermuissoorten komen wel grotendeels overeen, maar ons landschap is niet overal vergelijkbaar met dat in Duitsland."

Eigen Nederlands onderzoek is dus nodig; overigens wel in nauwe samenwerking met de onderzoekers in het buitenland. "Door hetzelfde type windmolens te onderzoeken, completeren binnen- en buitenlandse onderzoeken elkaar en kunnen we elkaars gegevens gebruiken."

Niet alle vleermuissoorten lopen volgens Stefan Vreugdenhil van het bureau van de Zoogdiervereniging even groot gevaar. Meervleermuizen bijvoorbeeld, vliegen veel lager dan de rotorbladen. Vreugdenhil: "Maar onder meer de ruige en de gewone dwergvleermuis lopen reëel gevaar. Met name de ruige vleermuis, omdat deze op hoogte grote afstanden aflegt. Aan het eind van de zomer migreren vooral de vrouwtjes van hun kraamgebieden in de Baltische staten naar ons land."

Om het aantal slachtoffers te bepalen, speuren vijf onderzoekers elk in een 'eigen' windmolenpark met grote windturbines van 1,5 tot 2,5 megaWatt. Achttien keer, met tussenpozes van drie dagen. Bepaald geen sinecure, zo blijkt als we een uurtje meelopen met de onderzoeker in Herkingen, Dirk van Straalen. De ruige dwergvleermuis - het meest waarschijnlijke slachtoffer - is in 'ingevouwen toestand' niet groter dan een duimkootje. "Het zoekbeeld is dat van een schapenkeutel", zegt Van Straalen nonchalant. Makkelijk gezegd, maar tussen hoog gras en bloemrijke kruiden zie je zo'n klein bruin hoopje makkelijk over het hoofd. Om nog maar niet te spreken van het doorzoeken van een enkele dagen eerder door schapen begraasde dijk.

Omdat het resultaat per locatie en veldwerker kan verschillen, is een aantal controles ingebouwd. Om de effectiviteit van het zoeken vast te stellen, leggen controleurs af en toe nepvleermuizen neer. Bovendien moeten de uitkomsten worden gecorrigeerd voor het aantal dode vleermuizen dat wordt opgegeten door aaseters als buizerd, vos en hermelijn. Om vast te stellen hoe groot die correctie moet zijn, worden geregeld dode muizen neergelegd en wordt bepaald hoe snel deze 'weg zijn'.

De vijf doorzoeken niet alleen de grond, maar gebruiken ook Anabats; vleermuisdetectoren die automatisch vleermuisgeluiden vastleggen. De geluiden worden op rotorbladhoogte en op nog geen twee meter boven het maaiveld gemeten.

De zoogdiervereniging noch Waardenburg durft een schatting te maken van het aantal slachtoffers dat ze zullen vinden. Het veldwerk is pas net begonnen en de vleermuistrek moet nog op gang komen. Onderzoek in Duitsland toont aan dat het jaarlijks om tientallen dieren per molen kan gaan. Vreugdenhil: "En vleermuizenpopulaties zijn kwetsbaar. Een vleermuis krijgt slechts één jong per jaar dus een dode tikt stevig aan."

Onderzoeken hoeveel vleermuizen sneuvelen is één ding; voorkomen dat ze sneuvelen, is nog belangrijker. Uiteindelijk is het doel een simpele methode te ontwikkelen waarmee kan worden vastgesteld hoe groot de kans is dat de plaatsing van een windmolenpark (op land) tot aanzienlijke vleermuissterfte leidt. Alle hoop is gericht op een mogelijk statistisch betrouwbare correlatie tussen het aantal dode vleermuizen en de vleermuisactiviteit (afgemeten aan het geluid) net boven het maaiveld.

Zover is het echter nog niet. Terwijl zon en rotorbladen samen een schaduwballet uitvoeren op het land en een verdwaald groepje monniksparkieten luid schreeuwend over de dijk vliegt, doorzoekt Dirk van Straalen uiterst geconcentreerd het gebied in een straal van 50 meter rondom de windturbine. De rug kromt, de ogen turen en dan, na ruim twee uur zoeken, komt er van een andere locatie het bericht dat er een quasi-schapenkeutel, een dode ruige dwergvleermuis is gevonden! De eerste van het hele onderzoeksproject; je zou er bijna blij van worden.

Echolocatie
Vleermuizen stoten op hun vlucht constant ultrasone geluiden uit. Geluiden die tegen voorwerpen, en bijvoorbeeld insecten kaatsen. Uit de echo die terugkomt, kan de vleermuis precies afleiden waar de voorwerpen zijn, uit welke richting ze komen, wat de afstand, grootte en vorm is. Een handig instrument voor een zoogdier dat jaagt in het donker. De echolocatie vertelt het dier zelfs of het voorwerp beweegt en of het oppervlak ruw is of glad.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden