Vlaamse Opera zorgt voor gedurfde bekroning met 'Il trittico'

Herhalingen in Antwerpen vanavond, a.s. zondag en op 2, 5 en 8 oktober. In Gent op 17, 19, 22, 25 en 27 oktober.

Wat Carsen en Varviso in opdracht van intendant Marc Clémeur met de zeven grote opera's van Puccini ('Edgar' en 'La Rondine' gingen concertant, 'Le Villi' werd overgeslagen) hebben gedaan, is even bijzonder als vernieuwend. Een cyclus Puccini-opera's ontdaan van alle clichés in beeldtaal en geluid. In 1912 al klaagde Puccini zijn nood over oude, muffe mises-en-scène die hij oervervelend vond. Hij bewonderde elke poging tot vernieuwing op dit gebied.

De componist zou ondanks deze uitspraken behoorlijk hebben opgekeken van wat Carsen met zijn 'Trittico' uithaalde. De regisseur zocht in de cyclus steeds naar de grenzen tussen schijn en werkelijkheid. Met name 'Tosca' en 'La fanciulla del West' leverden fantastische uitwerkingen van die grenzen op. In het moeilijk realiseerbare 'Trittico' (drie zeer uiteenlopende éénakters) deed Carsen de laatste stap in die ontwikkeling door de hele voorstelling te laten spelen als een repetitie, zonder publiek, zonder doek, zonder kostuums en (schijnbaar) zonder decor.

Gedurfd

Gedurfd en soms op het randje, maar van het chaotische begin (technici op het toneel, een decor dat provisorisch wordt opgebouwd, zangers die nog vlug een nekmassage krijgen) tot en met het 'repeteren' van het slotapplaus (uiteraard zonder bloemen) zit de voorstelling weer zo volslagen logisch en dwingend in elkaar, dat een aanvankelijke weerzin snel omsloeg in grote bewondering.

De productie moet volgens Carsen gezien worden als een hommage aan alle medewerkers van de Vlaamse Opera, zonder wie de hele cyclus natuurlijk onmogelijk was geweest.

Als afsluiting van de cyclus, als kroon op het werk is deze productie-verpakt-als-hommage, een schot in de roos. Juist door dit aspect wordt de voorstelling ook meteen ongeschikt voor een herneming. Jammer, want buiten die hommage om, leverde Carsens visie op de verschillende karakters in de drie opera's pakkend en onnavolgbaar muziektheater op.

Toen het drama in 'Il Tabarro' (De mantel) na een halfuurtje couleur locale (vrachtschip aan de Seine-kade; geluiden uit het Parijse leven) echt begon, waren de lichten in de zaal eindelijk helemaal gedoofd en vormden de decorstukken op het toneel als door een mirakel ineens echt een rijnaak. Dirigent Varviso liet er vanaf dat punt met het uitstekend spelende orkest geen twijfel over bestaan dat het nu ernst was.

Aan het begin van 'Suor Angelica' (een vrouw wegens ongehuwd moederschap gedwongen in het klooster) werd dirigent Varviso (niet in de gebruikelijke smoking, netzomin als de orkestleden) in de handeling betrokken. Hij repeteerde met een zangeres nog even haar solo en toen pas begon de opera. Carsen had dit middendeel van het drieluik geweldig uitgewerkt met spannend gebruik van stoelen en kaarsjes. Het was een ijzersterke troef om kloosterkostuums achterwege te laten waardoor het verhaal over de ongelukkige Angelica veel menselijker werd.

De vervreemding van het origineel was groots; daarom was het extra jammer dat dirigent Varviso er niet voor had gekozen om de oorspronkelijke bloemenaria (waarin Angelica haar gif bereidt, een stuk dat muzikaal sterk afwijkt) in te lassen. Op aangrijpende wijze kreeg de hardvochtige tante gestalte, die Angelica wegens een erfenis om een handtekening vraagt. Aan het slot bracht zij in het visioen van Angelica haar nicht het gestorven kindje terug.

Valse start

De valse start van 'Gianni Schicchi', het derde luik, werkte nog komischer dan de opera al is. Met veel bombarie stroomde het toneel vol en de muziek uit de bak toen ineens bleek dat het toneel-lijk ontbrak. Na veel gekrakeel besloot de regisseur (niet Carsen, maar een acteur) dan maar zelf voor lijk te spelen. Het werkte allemaal uiterst komisch, vooral toen er voor de tweede keer naar het testament gezocht werd omdat het rekwisiet echt zoek bleek. De muziek speelde hier wel door maar de zangers vielen prachtig ('wo ist denn das Scheissding') uit hun rol.

Vocaal liet deze 'Trittico' weinig te wensen over. In Stephanie Friede (Giorgetta in 'Il tabarro') en Cheryl Barker (Angelica) had de Vlaamse Opera twee topsopranen in huis. Barker maakte indruk met haar emotionele en pakkende vertolking. Mauro Buda zong een voortreffelijke Schicchi. In 'Il Tabarro' waren William Stone (Michele) en Jeffrey Dowd (Luigi) uitstekend zingende rivalen.

Aan het slot van het 'gespeelde' applaushalen verscheen Carsen op het toneel op één schoen. De andere bleek aan de voet van de regisseur-acteur (Emil Wolk) te zitten. Carsen gebood hem die uit te trekken; hoe durfde hij in 's regisseurs schoenen te staan! Carsen bedankte alle medewerkers voor de goede repetitie en kondigde aan dat er de volgende dag met kostuums en in het decor zou worden gerepeteerd!

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden