Vlaamse meesters op zegetocht in Florence

Italianen claimen graag dat zij onder aanvoering van Michelangelo, Rafael en Leonarda da Vinci de renaissance hebben bedacht. Een Nederlands kunstinstituut in Florence toont nu aan dat de basis voor de ’wedergeboorte’ van de kunsten al in Vlaanderen werd gelegd. Een expositie in het hol van de leeuw.

In de Nederlandse, vaak nog uit de Middeleeuwen daterende heraldiek speelt de leeuw als symbool van trots, moed en kracht en ook trouw een grote rol. Laat-middeleeuwse schilders die veelal voor de kerk of de adelstand actief waren, verwerkten het beestje maar wat graag in hun voorstellingen.

Het leidt ertoe dat de leeuw bijna als een schoothondje zijn aanhankelijkheid aan zijn baas of bazin moet tonen. Echt wild en exotisch is het beest dan ook helemaal niet als Jan van Eyck het opneemt in zijn schilderij waarin hij een studerende Jeronimus in zijn werkcel afbeeldt. De heilige laat zich flankeren door zowat alles wat hem van pas kan komen – van boeken, wiskundige instrumenten tot een tijdmeter in de vorm van een zandloper. En natuurlijk ligt het leeuwenbeest onder voet-of handbereik bij hem.

De Italiaanse schilder Domenico Ghirlandaio (1440-1494) blijkt zeer geïnspireerd te zijn door deze en soortgelijke schilderingen van Van Eyck. Hij kopieerde (liet zich althans door hem inspireren) de Vlaamse meester ministens één keer op een fresco dat in de Chiesa di Ognissanti in Florence is te zien. Ghirlandaio handhaaft zowat alle attributen waarmee Jeronimus zich bij Jan van Eyck omringt, maar laat de leeuw opvallend genoeg achterwege.

De hele context van de schrijvende figuur, die daarbij uiterst reflecterend bezig is (bij Van Eyck leest hij) is trouwens sterk afwijkend. Van Eyck kiest voor een klop-klop eiken kabinet met een manshoge lambrisering. Ghirlandaio steekt de heilige in een rijke draperie, textiel dat ook aan de muur en over de werktafel hangt.

De schildering die zich op een los muurfragment bevindt, is kortelings overgebracht naar het Palazzo Pitti, niet zo ver van de Arno waar de Ognissanti ook overheen kijkt. Met de Van Eyck zijn dit twee bewijsstukken voor een tentoonstelling die op solide wijze betuigt dat de sterke vernieuwingsdrang van de zogeheten Italiaanse primitieven al een begin vond in de Vlaamse schilderkunst die zich in Brugge concentreerde.

Het is met name de stad Brugge waar een schilderkunst werd ontwikkeld die vervolgens een zegetocht door Italië maakte – althans volgens de samenstellers van het NIKI (onder wie Bert Meijer voor de schilderijen en Wouter Kloek, die de tekeningen in het Uffizi voor zijn rekening nam), het kunsthistorische instituut dat met Florence een vooruitgeschoven baken midden in de Italiaanse wetenschappelijke wereld aan de gang houdt. De kennis die het jubilerende instituut (dat in 1958 werd opgericht door een groepje eminente kunsthistorici, onder wie Frits Lugt, Godefridus Hoogewerff en Jan van Gelder) in Florence genereert, heeft een geweldige uitstraling, zowel naar het eigen land als naar Italië.

In Brugge gebeurde het allemaal in de 15de eeuw. Artistiek, maar in de eerste plaats economisch beleefde de stad, die toen nog een rechtstreekse verbinding met de Noordzee had, een enorme bloei. Zoals er nu banken zijn die hun hoofdkantoor op strategisch goede plekken willen vestigen, zo was dat in de late Middeleeuwen ook. Onder de beroemdste bankhuizen bevond zich ook een filiaal van de Medici.

Deze adellijke familie had Florence uitgekozen als het centrum van haar vele economische activiteiten, maar was er bepaald niet vies van om ver van huis nevenactiviteiten te ondernemen die met Italiaans geld (florentijnen) betaald werden. Niet voor niets is het wapen van de Medici, dat overigens door de eeuwen heen vaak veranderde, een veld met een aantal bollen die waarschijnlijk geldbuidels moeten voorstellen.

Behalve dat ze gek op geld waren, hadden de Medici passie voor kunst en cultuur. Ze lieten in het hart van de stad de prachtigste palazzi aanleggen (zie het beroemde Medici-Riccardi-paleis) waarvoor de ene na de andere grote meester werd aangekocht. De verzamelwoede van Cosimo en Lorenzo met de bijnaam de Schitterende was legendarisch. Maar zoals dat altijd gaat, wekten de Medici met hun artistieke mecenaat ook veel jaloezie. Met name kooplieden die niet tot de adelstand konden worden verheven, vonden in de schilderkunst, althans in het aankopen ervan, een goede uitlaatklep voor hun gevoelens jegens de aristocratie.

Voor de Medici werkte Tommaso Portinari in Brugge. Het is aan hem te danken dat de Florentijnse schilders geattendeerd werden op de hernieuwde schilderkunst van twee- en drieluiken in Brugge. Het beroemde Portinari-triptiek dat op zijn voorstel door Hugo van der Goes werd geschilderd, kwam al in 1483 in een Florentijnse kerk (de kerk van het Hospitaal van de santa maria Nuova) terecht. Daar vormde het een onuitputtelijke bron van bestudering voor ieder die zich door het werk voelde aangetrokken. Het werk is later door de Italiaanse staat aangekocht voor de Uffizi-collectie, zodat het voor een nog breder publiek toegankelijk is.

Net als zijn collega’s Tani en Baroncelli gaf Portinari opdrachten om zich te laten portretteren. Eén schilder stak er in Brugge met kop en schouders boven uit: Hans Memling. Hij vernieuwde het portret door er onder meer een landschap achter te zetten en het heel realistisch en minutieus weergeven van de sitter.

Waren Memlings werken eenmaal in Florence beland, dan waren de loftuitingen niet van de lucht. Op de tentoonstelling wordt aangetoond dat minstens één grote meester, namelijk Rafael, van Memlings verworvenheden heeft geprofiteerd. In zijn Ritratto virile blijft hij heel dicht bij zijn grote voorbeeld, maar versterkt hij de exceptionele kwaliteiten van zijn voorbeeld door zelf naar monumentaliteit te streven.

Het zijn niet uitsluitend Memlings portretten die in Italië van grote invloed waren. Ook zijn religieuze voorstellingen (Cosimo schonk de Maria Nuovo een Christuspassie) trokken flink de aandacht. Zo is van Gaspare Sacchi, die tussen 1517 en 1536 in Imola actief was, bekend dat hij de panoramische opbouw voor het Lijdensverhaal met al zijn rijke detailleringen in eenPassion di Cristo toepaste. Religie bleef boven alles het hoofdonderwerp van zowel de Brugse als de Florentijnse schilders. Ook al kregen ze hun opdrachten van edelen of rijk geworden burgers, de meeste werken waren uiteindelijk bestemd voor de kerken.

De invloed van de Brugse schildersschool neemt af als de schilderkunst meer werelds wordt, en zeker na 1580, als de Antwerpenaren huis en haard moeten verlaten op vlucht voor de Spanjaard. Brugge’s rol op economisch vlak is dan al lang voorbij en daarmee verdwijnen de nauwe relaties met Florence. Wat daar overblijft, is een formidabele hoeveelheid kunst die voorlopig in kerken en palazzi werd bewaard. De staat maakte ondertussen van de Uffizi, en in mindere mate van de Pitti (zo genoemd naar de aristocratische familie die er resideerde), een ware uitstalkast van de schoonste kunsten.

Nu nog kun je in Italië horen dat in Florence een nieuw soort schilderkunst tot stand kwam. Nu de bewijzen van het tegendeel er letterlijk naast hangen, is ook die mythe ontkracht.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden