Visserman op avontuur

Johannes Koornstra 1940-2013

Een opleiding had hij niet. Maar hij kon mensen in Azië en Afrika wel leren vissen.

Je kon hem vaak vinden bij de haven van Makkum, bij het overdekte bankje dat bekend staat als de leugenbolle. Daar verzamelen zich de mannen met hun sterke verhalen. Sinds zijn jeugd was er veel veranderd in de haven. Het mastenbos van de naast elkaar dobberende botters was flink uitgedund, de geuren van vis en teer waren vervlogen. Maar de verhalen bleven de ronde doen, en ze genoten ervan bij dat bankje.

Johannes Koornstra had zijn oren ook altijd open voor nieuwtjes. Zoals van dat paar uit Urk dat met hun plezierjacht aanlegde in Makkum. Ze vertelden hem dat ze op Urk een visserman zochten die naar Afrika wilde gaan om de mensen daar te helpen met vissen. Opgetogen liep Johannes naar huis en vertelde het aan zijn vrouw Loekie. Ze waren het er snel over eens dat Johannes eens moest gaan praten in Urk. Hij was een visserman die zo'n Afrikaans avontuur aandurfde.

Heel zijn leven had hij gezocht naar uitdagingen. Hij was het middelste kind tussen twee jongens en twee meisjes in een vissersgezin in Makkum. Als kind zat hij al graag op het water en als het even kon, voer hij met zijn vader mee. Op school aardde hij niet en de mulo maakte hij niet af, tot verdriet van zijn moeder die zag wat hij in zijn mars had. Maar zijn vader dacht dat hij ook zonder school de kost wel zou kunnen verdienen.

In een traditioneel bestaan als visser die jaar in jaar uit op zondagnacht uitvaart en op vrijdagnacht terugkeert, had Johannes geen zin. Na zijn militaire dienst trok hij varend de wereld in. In 1960 maakte hij de laatste expeditie mee van de walvisjager Willem Barendsz, hij voer op een sleepboot naar Canada, hij viste een jaar voor een sjeik in Bahrein.

Als hij tussendoor thuiskwam in Makkum zat hij vol verhalen. In het café was hij al gauw het middelpunt. Met zijn stoere jack en blonde kuif had hij iets van de filmster James Dean. Zo zag de verpleegkundige Loekie Keur hem op een dansavond in Bolsward. Ook Loekie wilde de wijde wereld in. Ze trouwden in 1969, hij was 29, zij 23.

Ontwikkelingsproject
Zij gaf hem het laatste duwtje toen er een visser werd gezocht voor een Nederlands ontwikkelingsproject in Laos. Als zijtoneel van de oorlog in Vietnam was ook Laos zwaar gehavend. Ook al voerde een streng communistisch regime het bewind, Nederland wilde de gewone bevolking helpen. Bij een stuwmeer moest de visserij worden opgezet. Met een Nederlandse bioloog en een technicus trok Johannes daarheen, samen met Loekie en hun twee jonge kinderen.

Ze hadden er een betrekkelijk mooi leven, met de kinderen op de internationale school in de hoofdstad Vientiane. Alleen Johannes mocht de stad verlaten om naar zijn project te gaan. Dat werd geen succes: er zat gewoon geen vis in het meer. Na drie jaar keerden ze terug in Makkum. Vijfentwintig jaar later is Johannes er nog eens gaan kijken: er was niets van over.

Hij vond een baan op een olieplatform in de Noordzee. Een zwaar bestaan, met werkdagen van twaalf uur, een week op, een week af. Het verdiende goed, maar na vier jaar had Johannes het wel bekeken.

Toen ontmoette hij die Urkers in de haven van Makkum. De vele kerken van Urk hadden elkaar gevonden in de hulp aan Ethiopië, dat in de jaren zeventig en tachtig steeds weer in het nieuws kwam met hopeloze hongersnoden en burgeroorlog. Eerst zamelden de Urkers kleding in, later geld voor praktische hulp.

De Urkse Marije Oost die op bezoek was in Ethiopië verbaasde zich erover dat in het Tanameer, drie keer zo groot als het IJsselmeer, nauwelijks visserij was. Alleen vlak langs de kust werd gevist, met speren en met papyrusbootjes die al na een paar uur te drogen moesten worden gelegd. Dat moest anders kunnen, en Johannes werd in 1986 uitgezonden door de interkerkelijke stichting van Urk voor hulp aan Ethiopië. Ook al was hij niet kerkelijk en ontsnapte hem weleens een vloekwoord, Urk vertrouwde op zijn praktische geest en zijn daadkracht. De bisschop van de Koptische kerk die in de streek veel te zeggen had, stemde in.

Johannes experimenteerde met netten en lijnen, en ontdekte een rijke viswereld in het meer. De plaatselijke bevolking at vlees en had nauwlijks oog voor de vis, maar er kwamen handelaren van verre op af. De eerste vangsten werden onder een boom geveild.

Biologe Petra Spliethof uit Wageningen kwam het meer onderzoeken, want daar was wetenschappelijk weinig over bekend. Bovendien wilde Johannes weten of hij schade aanrichtte met zijn visserij. Daarmee begon een reeks van ontdekkingen van karperachtige vissen in het meer. Menig proefschrift is erover geschreven.

De Urker stichtingsvoorzitter Jaap Bakker zamelde geld in voor bootjes, eerst van metaal, later van polyester, eerst met roeispanen, later met buitenboordmotoren. Maar het belangrijkste waren de mensen, vond Johannes. Hij werkte met Koptische monniken die bij het meer woonden, maar die bleken te zwak. Uit de steden kwamen studenten, die zo de militaire dienst tegen opstandige bewegingen in Eritrea en Tigray hoopten te ontlopen. Johannes verborg weleens jongens in de vieze, oude lemen hut waarin hij woonde. Ook al waren de gevechtsfronten ver weg, om acht uur ging de avondklok in en mocht niemand meer buiten komen.

Drie maanden werkte Johannes achtereen, dan had hij een maand vrij in Makkum waar Loekie was achtergebleven met de kinderen die naar de middelbare school gingen. In de vakanties kwam het hele gezin naar Ethiopië. Toen Loekie niet kon slapen van de jeuk en het gekriebel, bleek ze de volgende dag onder de vlooien te zitten. Johannes keek er van op: "O, nu snap ik waarom ik altijd die rooie bulten heb."

Iedereen in de streek wilde visser worden en de coöperatie die Johannes had opgezet, werd een succes. Hij had een gloeiende hekel aan het woord 'yellem', nee, kan niet. Als de bisschop of een ambtenaar dat in de mond nam, ging Johannes met de kop in de wind, recht op zijn doel af. Niet alles wat hij zei, kon dan worden vertaald.

Bezoeken van vrijwilligers uit Urk lieten hun sporen in de taal achter. Af en toe hoorden ze Ethiopiërs Nederlandse woorden zeggen: 'Opschieten', 'Tijd is geld'.

Toen de afscheidingsoorlog met Eritrea was geëindigd, ging Johannes eens kijken in die voormalige Ethiopische provincie aan de Rode Zee. Het land was verwoest. Geraamten van jonge soldaten lagen langs de lege wegen, waar alleen kraaien en raven rondhupten. In de havenstad Massawa stond geen steen meer overeind. De spoorlijn naar de hoofdstad Asmara in de bergen was gesloopt door de Ethiopiërs. Maar het nieuwe land Eritrea was na dertig jaar oorlog optimistisch, en Johannes ook. Met de Urker stichting zette hij opnieuw een visserijplan op.

Hyena's
Een onderkomen had hij niet. Aanvankelijk sliep hij met Loekie in de openlucht; geen straf in de gloeiende hitte in het laagland langs de Rode Zee. 's Nachts kwamen de hyena's even aan hen snuffelen. Johannes begon weer van voren af aan: experimenteren met netten en lijnen, opleiden van vissers en nettenboeters. Maar in het begin visten ze vele lijken op. Met de minister van visserij in de nieuwe staat kon hij het goed vinden. Samen zaten ze in korte broek te praten op het strand.

De vissers van vroeger waren gevlucht of gesneuveld. De nieuwelingen werden door het ministerie uit de droge Sahelprovincie gehaald. Zij hadden nog nooit de zee gezien of zelfs maar een vis. Johannes moest het ermee doen. Zijn droom was een heel nieuwe vissersplaats, met alles erop en eraan. Hulp uit het buitenland was er genoeg, Eritrea was de lieveling van de wereld. De Urker ondernemer Klaas Post zette er een fileerfabriek op.

Na tien jaar opbouw raakten Eritrea en Ethiopië tot ieders verbijstering in 2001 opnieuw slaags om betwiste grensgebieden. De vluchtelingen die waren teruggekeerd verdwenen weer, het leger nam de visserijschool in, de fileerfabriek werd genationaliseerd, de administrateur ging er met de kas vandoor. Het project bloedde dood. Johannes keerde terug naar Nederland. Deze keer om er te blijven.

In zijn afwezigheid had Loekie voor een mooi oud huis gezorgd, dichtbij de haven van Makkum. Elke avond wandelde Johannes naar de leugenbolle, het bankje aan de waterkant, de vergaderplaats van de vissermannen in ruste. Daar rolde hij zijn sjekkies en als vanouds vertelde hij de mooiste verhalen. Aan luxe had hij geen behoefte, maar hij toerde wel graag rond in de rode cabriolet die Loekie had gekocht.

Zijn rustige leven kwam ten einde toen er vorig jaar longkanker werd gevonden. Maar met chemokuren en bestralingen herstelde hij en kon hij nog een reis naar Ethiopië ondernemen.

In maart was er plotseling weer iets mis met hem. Toen hij naar bed wilde gaan, bleef hij bij de kamerdeur staan. "Ik weet niet meer hoe het licht uit moet", zei hij. De volgende dag nestelde hij zich met de krant in zijn luie stoel, toen hij zei: "Ik kan niet meer lezen". De kanker had zich in zijn hersens genesteld. Het was hopeloos.

Johannes besloot dat het mooi genoeg was geweest. "Ik heb een goed leven gehad, ik heb alles gedaan wat ik wilde doen." Hij bleef thuis, waar Loekie en de kinderen hem verpleegden. In de lange zomer lag hij buiten in de tuin. Er was altijd veel aanloop van vrienden. Want bij Johannes hoorde je de beste verhalen.

Johannes Koornstra werd geboren op 6 januari 1940 in Makkum. Daar stierf hij op 20 september 2013.

Hij experimenteerde in Ethiopië met netten en lijnen, en ontdekte een rijke viswereld in het meer

In Naschrift beschrijft Trouw het leven van onlangs overleden bekende of heel gewone mensen. Een tip voor Naschrift? Mail naar naschrift@trouw.nl Of per post naar Trouw/Naschrift, postbus 859, 1000 AW Amsterdam

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden