Vissen naar slijm, schub en poep

onderzoek | Probeer 'm maar eens te vinden, de grote modderkruiper: een zeldzame vis met een verborgen levensstijl. Daarom zoeken wetenschappers naar DNA-sporen in het water.

De scène zou niet misstaan in een aflevering van 'Monty Python', zo absurd oogt deze man in waadbroek. Terwijl een gure wind jaagt over natuurgebied de Slikken van de Heen, loopt hij welgemoed door een kreek. In zijn hand een plastic soeplepel waarmee hij steeds wat water in een plastic zak schept. Achter hem nog een waadbroek, nu een met schepnet. "Achter me blijven. Anders besmet je", roept de eerste. De koeien kijken toe.


Het lijkt een filmscène maar dit is wetenschappelijk onderzoek, om precies te zijn onderzoek naar de visbevolking van dit natuurgebied. "En uiteindelijk persen we al die vissen gewoon door een filter", zegt de soepschepman grijnzend en stapt behoedzaam door. Schep, schep, schep.


Na een half uur is de eerste grote kreek bemonsterd en is er, lopend naar de volgende kreek, tijd voor uitleg. Gefragmenteerde tijd, dat wel. Want niet alleen versperren de verspreid liggende diepe en ondiepe kreken de doorgang voor waadbroeklozen, maar bovendien eisen twee zeearenden dwingend aandacht op.


Maar de mannen, Sanne Ploegaert van de stichting Ravon (Reptielen, Amfibieën en Vissenonderzoek Nederland) en Pepijn Calle (het Zeeuwse Landschap) komen voor het water en het scheppen. Voor de vissen. Ravon bekijkt in opdracht van het Zeeuwse Landschap of de grote modderkruiper voorkomt op de Slikken van de Heen (St. Philipsland) en hoe het gesteld is met de exotische grondels.


DNA in het water


"En dat doen we dus met DNA", zegt Ploegaert. Vandaar de watermonsters. Dat werkt veel makkelijker dan vissen zoeken met een schepnet of zelfs met elektrisch vissen. Zeker bij de grote modderkruiper.


De grote modderkruiper is een zeldzame vissoort met een uiterst verborgen levenswijze. Het dier verstopt zich meestal in de waterbodem waar het, dankzij darmademhaling, ook zuurstofarme perioden kan doorstaan. Met een schepnet vangen is ongelooflijk moeilijk - de zeldzaamheid maakt de trefkans nog kleiner - en zelfs elektrisch vissen, waarbij vissen met een kleine stroomstoot verdoofd worden, toont lang niet altijd de aanwezigheid van de vissoort aan. Omdat natuurorganisaties, in dit geval het Zeeuwse Landschap, de soort willen en moeten beschermen, is kennis over de verspreiding onontbeerlijk.


"Als je weet dat de grote modderkruiper ergens voorkomt, kun je verlandingssituaties creëren of in stand houden. Juist die overgangszones tussen water en land zijn favoriet bij de grote modderkruiper", legt Calle uit.


Vreemd is het zoeken naar de grote modderkruiper op deze locatie niet. Niet alleen is het natuurgebied geschikt voor de vis, maar bovendien komt de grote modderkruiper wat verder naar het oosten, in Brabant, binnendijks voor. "Maar hoe we ook proberen - met sleepnetten, dagenlang scheppen, elektrisch vissen en snorkelen - het lukt niet om hem te vinden", vertelt Calle.


Gelukkig voor het Zeeuwse Landschap heeft Ravon, als allereerste onderzoeksorganisatie in Nederland, eDNA ontwikkeld en in gebruik genomen: environmental DNA. De methode is gebaseerd op het analyseren van het DNA van slijm, schubben en poep die de vissen onvermijdelijk in het water achterlaten. Het DNA is soortspecifiek en kan in een laboratorium zeer nauwkeurig worden vastgesteld. En dat maakt de kans om via eDNA de aanwezigheid van de zo zeldzame grote modderkruiper aan te tonen drie keer zo groot als met traditionele methoden.


De DNA-analyse gebeurt aan de hand van een paar moleculen en dus is de methode heel gevoelig voor besmetting, vertelt Ploegaert, terwijl hij het water weer instapt. "Omdat Calle met zijn waadbroek vandaag al in ander water heeft gelopen, moet hij bij mij uit de buurt blijven als ik water schep. En ik neem alleen vóór me monsters."


Alleen DNA dat vrij in het water is opgelost, is met zekerheid 'vers' en vormt daarmee bewijs dat de vis aanwezig is, legt Ploegaert al scheppend uit. De schubben, slijm en poep worden door bacteriën afgebroken. De cellen worden uiteindelijk afgebroken, zakken naar de bodem en worden daar aan bodemdeeltjes gebonden. Daar kunnen ze blijven zitten lang nadat de vissoort verdwenen is. "Het DNA vormt dan geen bewijs meer voor recente aanwezigheid. Dus schep ik oppervlakkig."


Na vele tientallen kleine schepjes water verzameld te hebben in de verzamelzak, gevolgd door af en toe flink schudden - 'Ik neem een mengmonster van de meest geschikte locaties verspreid over het hele gebied' - zijn de kreken voldoende bemonsterd en is het tijd voor de volgende bijna cabareteske solo-act van de schepper.


Die begint met het aantrekken van strakke latex operatiehandschoenen - geen sinecure op een koude vlakte met verkleumde stijve vingers - om vervolgens uit een rugzak een bonte verzameling aan spuiten, trechters en flesjes te halen. Alles is steriel verpakt in onmogelijke gesloten zakken, maar hulp wordt resoluut geweigerd. Besmetting ligt op de loer. Met mond en hand worstelt Ploegaert de verpakkingen open om vervolgens met een spuitje geduldig de verzamelde twee liter water door een filter te persen.


"Het DNA blijft hierop achter. Dat sturen we naar een laboratorium in Frankrijk en over een paar maanden - DNA-onderzoek kost tijd - weten we precies welke vissen in dit natuurgebied voorkomen. Doordat onze mensen eerder tientallen vissoorten hebben bemonsterd, gevolgd door DNA-analyse, is van een groot deel van de Nederlandse zoetwatervissen de DNA-code bekend."


Voor Calle is dat overzicht ook belangrijk. Het Zeeuwse Landschap wil namelijk ook weten of de Kesslers grondel en de Pontische stroomgrondel, twee exotische vissen die inheemse soorten verdringen, aanwezig zijn.


Het filter wordt voorzien van conserveermiddel en hermetisch verpakt, de handschoenen gaan uit en na het verzamelen van de gebruikte verpakkingen is het tijd opnieuw door en langs kreken te klauteren en koe, vis en vlakte achter te laten. De oostenwind heeft inmiddels wat aan knopen gewonnen en vernikkelt en verkleumt. Het deert de mannen niet. De zeearenden lijken speciaal te hebben getreuzeld en komen juist nu met hun act. Laag boven het water komen ze over. Een duik, de klauwen gaan uit en een brasem is nog slechts zichtbaar als DNA.

populaties in kaart

Waterschappen moeten volgens de Kaderrichtlijn Water elke drie jaar onderzoeken hoeveel vis hun wateren bevatten. Het gaat hierbij om het soortenspectrum en de populatieomvang. Ook daarvoor kan eDNA-analyse (environmental DNA) bijzonder handig zijn. Ervaring leert volgens vissenexpert Jelger Herder van Ravon dat met eDNA anderhalf keer zoveel soorten worden aangetoond als met traditionele vismethoden. Het vaststellen van aantallen is een probleem waaraan gewerkt wordt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden