Viskweker versus aalscholvers

interview | In de nieuwe roman van Frank Noë strijdt een viskweker tegen aalscholvers, in een vergeten stukje Flevoland. 'Ik moest de aalscholver eerst leren kennen, zoals je een mens leert kennen.'

Een stalen kunstwerk op de IJsselmeerdijk en een paar vervallen gebouwtjes op een terrein dat langzaam dichtgroeit - méér herinnert niet aan de voormalige viskwekerij bij Lelystad. Schrijver Frank Noë (1959) situeerde er zijn nieuwe roman 'De vijfde dag'. Tijdens een wandeling over het terrein maakt Noë zich boos om wat teloorging. En hij droomt hardop van nieuwe mogelijkheden.

Onze huizen waren de eerste huizen die in de polder gebouwd werden en ze zijn ontworpen door Romke de Vries - een bekende modernistische architect. Hij tekende niet alleen ons huis, ook het laboratorium en het broedhuis. (proloog)

"Voor het schrijven van mijn roman 'Het gemaal', die in 2000 verscheen, had ik mijn intrek genomen in de vuurtoren van het voormalige eilandje Kraggenburg. Op een dag, tijdens een fietstocht, ontdekte ik hier bij Lelystad de voormalige viskwekerij. Kijk eens naar de gebouwen die er nog staan. Ze zijn vervallen, lijken oude shit, maar ze zijn heel bijzonder. Dit zijn voorbeelden van het Nieuwe Bouwen. Architect Romke de Vries heeft zich georiënteerd in Zwitserland en Zuid-Duitsland, en zag vijvers met helder water vol spartelende forellen voor zich. Dat lukte hier niet, met het troebele water dat uit het IJsselmeer via een hevel in de kweekvijvers werd gepompt. Maar de gebouwen kregen een modernistisch ontwerp: wit, met een blauwe toets. De lantaarnpalen op het terrein werden uitgevoerd in hetzelfde blauw, heel stijlvol."

"De eerste keer dat ik hier kwam, schrok ik ervan hoe groot het is: meer dan tweehonderd hectare, zo'n vierhonderd voetbalvelden. In 1964, nog voordat er in Lelystad werd gebouwd, ging de kwekerij open. Er waren veertig vijvers met pootvis, karpers. Dat was een idee van de Organisatie ter Verbetering van de Binnenvisserij. Die zag de visstand in de Nederlandse binnenwateren teruglopen door de slechte waterkwaliteit. Met een grote kwekerij in de nieuwe polder werd dat probleem te lijf gegaan."

De ijzeren toegangsboog van De Vijfde Dag was bevroren en een mat laagje ijs bedekte de schubben van de gouden karper. Er waren maar weinig arbeiders op de kwekerij, zoals altijd in deze tijd van het jaar. In het broedhuis werkten een paar mannen, het laboratorium draaide op halve kracht en de vrachtwagens en roggeblazers stonden in de hoge kapschuur geparkeerd. Ik liep over het weduwelaantje naar het hevelhuis op de grote dijk en keek uit over het uitgestrekte meer. (hoofdstuk 2)

"De polder trekt mij aan. Het is een wit gebied, een lege ruimte die ik als schrijver zelf kan vullen met mijn verbeelding. Een roman schrijven die zich afspeelt op een flatje in Buitenveldert, dat zou me niet lukken. Die ijzeren toegangsboog heeft nooit bestaan, trouwens, die heb ik aan het verhaal toegevoegd. De kwekerij heeft ruim 25 jaar bestaan, maar in mijn roman comprimeer ik dat tot één winter, waarin de viskweker en zijn dochter strijden tegen de aalscholvers die het hebben voorzien op hun karpers."

Verderop zag ik iets in het water. Een lage, donkere streep. Drijfhout? Ik kneep mijn ogen samen. Het was geen hout. Aalscholvers, honderden. Ze stegen en daalden op de deining. Met hun koppen in de wind lagen ze daar als een zwarte armada te wachten. (hoofdstuk 2)

"Toen de Oostvaardersplassen geen polder maar een natuurgebied werden, ontstond daar een dependance van de aalscholverkolonie uit het Naardermeer. De vogels aten vis uit het IJsselmeer. Maar regelmatig weken ze uit naar de kweekvijvers met karpers. Uiteindelijk vraten ze daar zoveel van dat de kwekerij ten onder ging. Aan de aanwezigheid van de aalscholvers was niets te doen, de vogel heeft een beschermde status."

"Ik heb lang nagedacht over het wezen van de aalscholver. Onder vissers is het misschien wel de meest gehate vogel. Aalscholvers hebben iets van een reptiel, met hun haaksnavel. Ze zien er nog net zo uit als zestig miljoen jaar geleden, dat geeft ze iets dreigends. In mijn roman is de aalscholver echt een personage. Daarom moest ik hem eerst werkelijk leren kennen, zoals je een mens leert kennen. Het is, leerde ik, een slim en adaptief beest. Zijn inventiviteit maakt hem menselijk, en ook wat angstwekkend. Kijk, daar vliegt er een boven ons."

'Voor mij is God misschien de natuur. De zon. De zee. Het licht in de vin van een vis. Al die mooie vogels. God is de natuur...' (hoofdstuk 4)

"Geloof jij in toeval? Ik ook. Maar ik ben aan het twijfelen gebracht. Pas geleden, nadat mijn boek in de publiciteit was gekomen, werd ik gebeld door een vrouw. Ze vertelde dat ze dochter was van de viskweker. Hier op de kwekerij was ze opgegroeid. En: ze heette Sylvia, net als de hoofdpersoon in de roman. Op mijn leeftijd verandert je wereldbeeld niet door één telefoontje, en ik geloof nog steeds dat toeval bestaat, maar dit was een prettig argument voor het tegendeel."

"In de roman heet de kwekerij 'De vijfde dag'. Op de vijfde dag schiep God de vogels en de vissen. Het verhaal speelt zich af in de jaren zeventig, in een tijd dat Nederland, vooral in de buitengebieden, nog sterk religieus was. Als schrijver kun je zo'n gegeven heel even aanstippen, of je kunt, zoals ik heb gedaan, het volledig inbedden in het verhaal."

'Wat als we de aalscholvers zouden accepteren?' 'Je bedoelt... hun gang laten gaan?' 'Wij kunnen de eerste ecologische viskwekerij worden. Mét aalscholvers.' (hoofdstuk 16)

"De voormalige visvijvers zijn nu grotendeels akkerland. Er wordt biologisch geteeld, omdat aan deze bodem nog nooit kunstmest is toegevoegd. Met een boer uit de buurt heb ik geïnventariseerd wat hier nog is en wat je daarmee zou kunnen. Voor mij staat vast: een staaltje modernistische toparchitectuur is hier verkloot, door een lappendeken van beslissingen. En dat terwijl vrijwel alle uitingen van het Nieuwe Bouwen op de werelderfgoedlijst van Unesco staan. Dat hadden we hier kunnen hebben, in een gebied dat toch al nauwelijks historie heeft. Het zou een topattractie kunnen zijn, zeker in combinatie met een duurzame viskwekerij. Welbeschouwd kun je tegenwoordig eigenlijk geen vis meer eten. Want ofwel werk je dan mee aan het leegvissen van de zee, ofwel houd je daarmee bio-industrie - daar komt viskwekerij vaak op neer - in stand. De oplossing zou zijn dat je een grote, extensieve kwekerij opzet, waarbij je vraat incalculeert. Ik ken één voorbeeld, in Spanje. Daar hebben ze geen aalscholvers maar wel flamingo's die uit de vijvers vreten. De kweker vindt dat niet erg. Als de flamingo's er gezond uitzien, is hij tevreden, want het ecosysteem is dan in evenwicht. Hier in Flevoland zou dat ook kunnen. Voor restaurants zouden we hier zoetwatervis kunnen kweken - van topkwaliteit."

Frank Noë: 'De inventiviteit van de aalscholver maakt hem menselijk.'

Frank Noë: De vijfde dag. Uitgeverij Nieuw Amsterdam. 192 blz.; euro18,99

'De polder trekt mij aan. Het is een wit gebied, een lege ruimte die ik als schrijver zelf kan vullen met mijn verbeelding.'

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden