Virusjager op avontuur

Hoe sprong aids over van aap op mens? David Quammen schreef een boek over voor mensen gevaarlijke dierenvirussen. Niet voor tere zielen: bloed, drek en snot spetteren van de pagina's.

Wie durft er nog naar de kinderboerderij? Het jongste boek van succesauteur David Quammen doet je alle lust vergaan.

Het handelt over ebola, hiv en vele andere killervirussen die, lang geleden of recent, oversprongen van dier op mens. Zo luidt dan ook de titel van deze ferme pil, die maandag in Nederlandse vertaling verschijnt: 'Van dier naar mens'.

Het is een wat te dorre benaming voor een waar virologisch avonturenboek. Denk aan Indiana Jones, struinend door tropische oerwouden. Quammen jaagt op ziedende makaken en vangt vleermuizen in duistere grotten, om de dag af te sluiten met een stukje geroosterde bamboerat. Akelig spannend, en bijna allemaal waar gebeurd.

De verontrustende vraag die Quammen stelt, en zijn lezers ongetwijfeld met hem, is: wat wordt de volgende klapper, de Next Big One?

Het begon bij een kampvuurtje in Centraal-Afrika, zomer 2000. Quammen (1948) zat daar met tien Gabonese mannen, helpers voor een lange tocht door de jungle. Het gesprek kwam op 'l'épidémie', vier jaar eerder. Jongens uit het naburige dorp Mayibout 2 vonden in de jungle een dode chimpansee, al in staat van ontbinding. De naar vlees hunkerende dorpsbewoners slachtten de aap en aten ervan. Binnen een paar dagen begonnen het braken en de diarree. Tientallen mensen stierven aan de superagressieve ziekte. Nog zo'n luguber detail was de stapel van dertien dode gorilla's, vlakbij het dorp. "Ik was op dat moment al geïnteresseerd in ebola. Ik wist dat mensen en apen bevattelijk zijn voor het virus", zegt Quammen door de telefoon, veilig thuis in Montana. "Maar ik wist toen nog niet dat ebola deel is van een veel groter verhaal."

Dat grotere verhaal zijn zoönoses: dierlijke infectieziektes, veroorzaakt door virussen, maar ook door bacteriën, schimmels of prionen, die op enig moment de overstap maken naar mensen.

Dat is al vele malen gebeurd. Denk aan het sars-virus dat de wereld tien jaar geleden maandenlang in zijn greep hield, maar zich nu alweer geruime tijd koest houdt. Denk ook aan, minder bekend, het hendravirus dat in 1994 zijn publiekelijke debuut maakte bij paarden én mensen in Australië. En aan het gevreesde vogelgriepvirus H5N1 dat in zeldzame gevallen mensen ziek maakt maar gelukkig - nog - niet overdraagbaar is van mens op mens, waardoor desastreuze pandemieën tot dusver zijn uitgebleven. Of, dichter bij huis, Q-koorts: enkele duizenden menselijke besmettingen in Nederland, nog maar een paar jaar geleden.

Voor de ziekteverwekkers is de oversprong naar de mens een gokje, soms een succes, soms een doodlopende weg. Het beruchte ebolavirus steekt af en toe de kop op, met als gevolg een even heftige als kortstondige uitbraak. Dan slaat de paniek weer toe. Maar tot dusver heeft het virus bij mensen nooit echt voet aan de grond gekregen.

Aids is een heel ander verhaal: enkele ziektegevallen in de vroege jaren tachtig, meer dan 30 miljoen hiv-besmetten wereldwijd anno 2013. Die overstap was een lot uit de loterij, vanuit het perspectief van het oorspronkelijke apenvirus.

De aanpak van Quammen is even simpel als effectief. Hij beschrijft de eerste omineuze voortekenen van naderend onheil: een overvloedig zwetende, drachtige fokmerrie, een 78-jarige oma die vanuit Hongkong het vliegtuig neemt en enkele dagen later in Canada overlijdt, een jonge immunoloog die een vreemd infectiepatroon ontdekt bij vijf mannelijke patiënten: homoseksueel, schimmelinfectie in de longen, spectaculair tekort aan witte bloedcellen. Quammen reconstrueert vervolgens nauwgezet de daarop volgende uitbraak, waarbij bloed, drek en snot bij tijd en wijle van de pagina's spetteren. Dit is geen boek voor bangerds en tere zielen.

Quammen werkt zich door bergen wetenschappelijke studies, hij praat met onderzoekers - die soms zelf ziek worden - en met slachtoffers. En hij gaat met veldbiologen, ware virusjagers, op zoek naar het 'reservoir': de diersoort waar een ziekteverwekker zich jaren, misschien wel duizenden jaren, heeft verstopt. Het voert hem naar Australische paardenfokkerijen, tropische oerwouden, en de 'natte markten' in de Chinese provincie Guangdong, waar vóór Sars een keur aan tamme en wilde, levende en dode beesten werd aangeboden.

Dat levert memorabele scènes op, zoals wanneer wetenschapsjournalist Quammen helpt met apen vangen in een tempel in Bangladesh op zoek naar de bron van het herpes B-virus: de makaken die in de apenval lopen, Quammen die moet voorkomen dat de beesten zich in paniek weer naar buiten wurmen, de andere krijsende makaken die de onderzoekers omsingelen en dreigen aan te vallen.

Soms blijft in deze 'whodunnits' het moordmysterie onopgelost. De besmettingsbron van ebola is tot op heden niet ondubbelzinnig aangetoond. Wel zijn vleermuizen een goede kandidaat. Dat zijn toch al opvallend vaak de engelen des doods, zoals bij het hendra-, sars-, rabiës- en marburgvirus. De verhalen bieden prachtig microbiologisch speurwerk. Als de feiten hem in de steek laten, bedenkt Quammen de rest er zelf bij. Al bestrijdt hij dat hij er lustig op los fantaseert: "Ik blijf bij de feiten, behalve op de momenten waarop ik de lezers expliciet uitleg dat ik een scenario schets. Om ze een idee te geven van hoe het gegaan zou kunnen zijn."

Die benadering leidt tot een van de meest fascinerende hoofdstukken van het boek, waarin Quammen zijn kunsten als fictieschrijver etaleert. Hij baseert zich op de mogelijkheid dat de oversprong van het aidsvirus al meer dan een eeuw geleden plaatsvond. Deze theorie is gebaseerd op onder meer een verstoft, in paraffine gehuld lymfklierbiopt uit de jaren zestig. Dat lag lange tijd vergeten in een opslagplaats in de Universiteit van Kinshasa. Maar bij nieuw onderzoek bleek er een vroege variant van het hiv-virus in te zitten.

Rekening houdend met de verschillende hiv-varianten en de snelheid waarmee de virussen zichzelf doorlopend veranderen, voert het wetenschappelijke spoor terug naar het zuidoosten van Kameroen, rond 1908. Daar sprong het virus over van één chimpansee op één mens.

Quammen reist af naar Kameroen. Hij loopt een paar dagen door de onverharde straten en laat zich vertellen over de illegale handel in 'bushmeat', wild uit het oerwoud. Hij hoort van bloedige initiatierituelen van jongens waaraan het slachten en eten van chimpansee- en gorillavlees te pas komen. Dan trekt hij met een gehuurde boomstamkano dieper het oerwoud in, en begint de fictie.

In Quammens versie van de allereerste menselijke hiv-besmetting voert hij een jager op. Misschien worstelde die tijdens de jacht met een chimpansee, mogelijk raakte hij gewond tijdens het slachten met de aap. Hoe het ook in zijn werk ging, het virus drong zijn bloedbaan binnen om zich daar jarenlang ongemerkt te vermeerderen. De jager gaf het virus intussen door aan een van de vrouwen met wie hij seks had, zij gaf het door aan een lokale hoofdman, en zo ging dat op een laag pitje verder. Maar hoe bereikte het virus vanuit deze gesloten gemeenschap de grote wereld?

Om dat te verklaren voert Quammen een besmette visser ten tonele die een paar kostbare olifantenslagtanden steelt en met zijn fortuin op de vlucht slaat. Uiteindelijk belandt hij stroomafwaarts in de stad Brazzaville, waar hij het ivoor verpatst, vrienden maakt en trouwt. Een van zijn levenslustige, besmette vriendinnen gaat op zoek naar verdere horizonten en vestigt zich in Léopoldville, het tegenwoordige Kinshasa. Daar houdt het virus zich lange tijd schuil zonder op te vallen. Mensen worden ziek en sterven, zoals dat nu eenmaal gebeurt. Pas als binnen een bevolkingsgroep het aantal besmettingen een kritische grens overschrijdt, kan het virus werkelijk om zich heen beginnen te slaan.

Bij aids werd de besmettingsgraad mogelijk opgejaagd boven de kritische drempelwaarde door goedbedoelde gezondheidscampagnes. Tot in de jaren vijftig werden op zeer grote schaal mensen ingespoten met medicijnen tegen Afrikaanse slaapziekte, syfilis en malaria. De spuiten werden afgespoeld en hergebruikt: feest voor het virus.

Maar er zijn meer redenen denkbaar waarom het hiv-virus steeds meer bovengronds kwam. De bevolking van Léopoldville groeide als kool, seksuele normen veranderden. Bovendien nam geleidelijk het reisverkeer per bus, boot, trein, vrachtwagen en vliegtuig toe. Daardoor kon het voortwoekerende aidsvirus zich als een besmettelijke sterrenregen over Afrika verspreidden, en van daaruit over de rest van de wereld. Waarschijnlijk maakte het eind jaren zestig al de oversteek naar Amerika. Uiteindelijk kwam het terecht bij de persoon die in de westerse wereld ten onrechte bekend staat als Patiënt Zero, ofwel patiënt nul: Gaëtan Dugas, een knappe en buitengewoon gulzige homoseksuele steward uit Canada die op zijn vele tussenstops honderden veroveringen maakte voor hij in 1984 stierf aan aids.

De reislust van de wereldburger, de globalisering, de vernietigende activiteiten van mensen in de regenwouden: Quammen komt er verschillende malen op terug. "Wanneer de bomen worden geveld en de inheemse dieren worden afgeslacht, vliegen de inheemse ziektekiemen op als stof uit een gesloopt pakhuis", schrijft hij bijvoorbeeld.

Ook het verlies van soortenrijkdom pakt volgens Quammen funest uit. Daardoor kunnen sommige beesten ruim baan krijgen, met een beetje pech juist de soorten die dodelijke ziektekiemen met zich dragen.

En wat virussen kunnen, kan de menselijke soort ook: uitbreken. Telde de wereld twee eeuwen geleden een miljard inwoners, inmiddels zijn dat er meer dan zeven miljard, waarvan velen dicht opeengepakt in de grote steden. Dat kan niet goed gaan, is de boodschap. Jammer genoeg zijn juist deze passages wetenschappelijk gezien het minst overtuigend.

"Ik noem mijzelf natuurbeschermer", zegt Quammen. "Ik maak me grote zorgen over vernietiging van de natuur en het verlies van biodiversiteit. Dat is een terugkerend onderliggend thema in mijn boeken. Ik wil mensen waarschuwen. Maar ik laat ze ook de schoonheid en complexiteit van de evolutie en van ecosystemen zien." Wil hij ons allen intussen ook de stuipen op het lijf jagen? "Mijn doel is niet mensen bang te maken, maar om ze te leren begrijpen hoe het werkt." Minstens zo belangrijk, voegt hij daar onmiddellijk aan toe, is dat hij zichzelf in de eerste plaats beschouwt als literair schrijver, die gewoon een goed en spannend verhaal wilde schrijven.

David Quammen, 'Van dier naar mens', uitgeverij Atlas Contact, €39,95

Wie is David Quammen
David Quammen (Cincinnati, Ohio, VSt, 1948) genoot zijn opleiding aan twee prestigieuze universiteiten, Yale en Oxford. In de jaren zeventig en tachtig schreef hij vier romans, waaronder enkele spionageboeken. Daarna maakte hij de overstap naar non-fictie. Veelgeroemd en bekroond is zijn boek 'Het lied van de dodo' (1996), over het uitsterven van de duifachtige dodo en andere diersoorten mede door toedoen van de mens. Quammen publiceert sinds dertig jaar geregeld in onder meer Rolling Stone, The New York Times Book Review en National Geographic Magazine. Voor het laatste blad reist hij geregeld af naar, zoals hij het zelf omschrijft, 'jungles, woestijnen en moerassen'.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden