VIRTUELE RELIGIES

Wie zijn computer inplugt op Internet, wordt geconfronteerd met een opvallende 'techno-spiritualiteit'. In Finding God in Cyberspace, een hypertekst-document dat de lezer helpt zijn weg door de religieuze dimensie van Internet te vinden, treffen we vele tientallen elektronische adressen aan van servers van religieuze informatie. Welke verklaring valt er te geven voor deze opmerkelijke religieuze bedrijvigheid op het Internet? Wat is de relatie tussen technologie en religie? Welke techno-logische ontwikkelingen hebben geleid tot een veranderde opvatting van het heilige? De filosoof Jos de Mul over de opkomst en teloorgang van het christendom en over de toekomst van de religie in cyberspace. Jos de Mul is hoogleraar filosofie

Volgens Eco kan de wereld worden opgedeeld in de gebruikers van Macintosh-computers en gebruikers van computers die met het MS-DOS besturingssysteem werken.

Ofschoon MS-DOS wereldwijd de meeste gebruikers kent, is het een complex en weinig gebruikelijksvriendelijk besturingssysteem. De gebruiker van MS-DOS communiceert met zijn computer via het toetsenbord, waardoor hij een groot aantal commando's uit het hoofd moet leren. De Macintosh-computer daarentegen werkt met een zogenaamde grafische interface; de gebruiker voert de commando's eenvoudigweg in door met behulp van een muis iconen op het beeldscherm aan te klikken.

Eco spreekt van een godsdienstoorlog omdat naar zijn overtuiging het verschil tussen de genoemde besturingssystemen religieus van aard is: “Ik ben - zo schrijft Eco - er heilig van overtuigd dat de Macintosh katholiek is en DOS protestant. Sterker nog, de Macintosh is een katholiek van de contra-reformatie, een produkt van de ratio studiorum van de jezuieten. Hij is warm, hartelijk, vriendelijk, verzoenend, vertelt de trouwe volgeling hoe hij stap voor stap te werk moet gaan om zo niet het rijk der hemelen dan wel het moment van de uiteindelijke print-out te bereiken. Hij werkt geheel volgens de catechismus, het wezen van de openbaring zit samengebald in begrijpelijke formules en in schitterende iconen. Ieder die hem gebruikt heeft recht op heil. DOS is protestant, van de calvinistische strekking. Het schept ruimte voor een vrije interpretatie van de geschriften, vereist persoonlijke en hartverscheurende beslissingen, legt een subtiele hermeneutiek op, gaat ervan uit dat het heil niet in ieders bereik ligt. Om het systeem te doen werken moeten er persoonlijke vaardigheden worden ontplooid om het programma te interpreteren. Ver van de barokke menigte van feestvierders zit de DOS-gebruiker gekluisterd in de eenzaamheid van zijn eigen innerlijke wereld.”

Eco's beschrijving van deze contemporaine godsdienstoorlog is een mooie inleiding op mijn onderwerp: de toekomst van de religie in cyberspace - dat wil zeggen in de virtuele ruimte die wordt ontsloten door het wereldwijde netwerk van computers.

Dit onderwerp klinkt exotisch, maar als we er van uitgaan dat de exponentiële groei van het wereldwijde computernetwerk zich de komende jaren zal voortzetten, dan valt te voorspellen dat over enkele decennia het werk, de ontspanning en de sociale contacten zich voor een belangrijk deel zullen afspelen in de digitale ruimte. Als we bovendien bedenken dat de verdere ontwikkeling van de interface tussen mens en computer - ik denk hierbij vooral aan de virtual-realitysystemen die momenteel hun intrede doen en aan een mogelijk directe koppeling van de hersenen aan computersystemen in de toekomst - zal leiden tot een steeds vergaande onderdompeling van de mens in de virtuele werkelijkheid, dan kunnen we zonder schroom spreken over de toekomstige emigratie naar cyberspace.

Er is vaak beweerd dat de moderne technologie een ernstige bedreiging vormt voor het religieuze leven, maar wie zijn computer inplugt op Internet, wordt daar vandaag al geconfronteerd met een opvallende 'technospiritualiteit'. In Finding God in Cyberspace, een door John L. Gresham op Internet geplaatst hypertekst-document dat de lezer helpt zijn weg door de religieuze dimensie van internet te vinden, treffen we vele tientallen elektronische adressen aan van servers van religieuze informatie.

Wie op zoek is naar religieuze teksten kan op het Internet zijn hart ophalen. Niet alleen vindt men er talloze vindplaatsen van online Bijbels in alle denkbare talen - sinds kort is er zelfs een vertaling verkrijgbaar in het Klingon, de taal van de oorlogszuchtige aliens uit de Star Trek saga - maar wiens voorkeur uitgaat naar niet-christelijke religies kan bijvoorbeeld ook het Jewish Theological Seminary, de Electronic Buddhist Archives, of de ISLAM-L server raadplegen. Behalve deze min of meer geïnstitutionaliseerde bronnen, wordt ook de liefhebber van meer obscure religieuze bewegingen als die der neo-heidenen, UFO-sekten, sjamanen, satanisten en spirituele media op zijn wenken bediend. Daarnaast is er een groot aantal gespreksgroepen op Usenet, dat belangstellenden in staat stelt met elkaar te discussiëren over uiteenlopende religieuze vraagstukken. Kortom: Internet zindert van de profetieën en de openbaringen en volgens sommige gelovigen staat dan ook een tijdperk van religieuze vernieuwing voor de deur.

Op het eerste gezicht lijkt het merkwaardig dat een opbloei van spiritualiteit juist plaatsvindt in een high-tech omgeving als die van Internet. De hedendaagse informatietechnologie is immers nauw verbonden met de moderne westerse cultuur, die gekenmerkt wordt door secularisatie. In tegenstelling tot de Middeleeuwen is in de moderne cultuur niet God, maar de mens het uiteindelijke referentiepunt. Waar eerst de mens naar het evenbeeld van God was geschapen, wordt God in de moderne tijd opgevat als een projectie van de mens.

Was in de middeleeuwse beleving God de schepper en voorzienige bestuurder van het heelal, in de moderne tijd neemt de mens zijn lot steeds meer in eigen hand. De moderne mens wordt - om een uitdrukking van Timothy Leary te gebruiken - tot een homo sapiens cyberneticus.

Nucleaire en biologische technologieën stellen de mens in staat in te grijpen in de natuur en zo de loop der wereldgeschiedenis te bepalen en te controleren. Uiteindelijk wordt de mens zelf de grondstof voor de stoutmoedigste technologische kunststukken. Science fiction schrijvers - op de hielen gevolgd door wetenschappers en technici - voorzien dat de mens met de ontwikkeling van nieuwe, androïde levensvormen zelfs de verdere evolutie van het leven op onze planeet zal gaan bepalen. En dank zij geavanceerde computertechnologieën zal het wellicht niet bij een evolutie blijven, maar zullen er talloze virtuele werelden naast elkaar worden ontwikkeld.

Hoewel er veel te zeggen valt voor deze visie op de ontwikkeling van de moderne cultuur en de daaraan gekoppelde breuk met de religie, bestaat er in een aantal opzichten een opvallende continuïteit met het christelijk wereldbeeld. Want ook het moderne wetenschappelijke wereldbeeld gaat er van uit dat de wereldgeschiedenis volgens een bepaald vooropgesteld plan verloopt. Waar eerst een almachtige God optrad als voorzienige bestuurder, daar heeft in de moderne tijd de mens deze taak met behulp van de wetenschap en de techniek overgenomen. In dat licht bezien is het niet vreemd dat wetenschap en techniek in de moderne cultuur steeds een religieus aura hebben bezeten. Zo beschreef de negentiende-eeuwse Franse positivist Auguste Comte, die aan de wieg heeft gestaan van het geloof in de zegeningen der wetenschap en techniek, deze verworvenheden in welhaast religieuze bewoordingen in zijn Catechisme positiviste en kwam hij met het plan om tempels voor de wetenschap op te richten.

Nu zullen hedentendage nog slechts weinigen Comtes wetenschappelijk vooruitgangsoptimisme onvoorwaardelijk delen. De geschiedenis van de twintigste eeuw heeft geleerd dat de moderne wetenschap en techniek, in weerwil van hun verbazingwekkende ontwikkeling, ook een schaduwzijde kennen. Zij hebben niet alleen zegeningen gebracht, maar ook bijgedragen aan de ontwikkeling van barbaarse vernietigingswapens. En bovendien blijken ze talloze neveneffecten met zich mee te brengen. Dit inzicht heeft er echter niet toe geleid dat de moderne techniek zijn religieuze aura verloor. Integendeel zelfs. De filosoof Hans Achterhuis heeft er in zijn artikel 'Het hedendaagse heilige' (Volkskrant, 24 december) op gewezen dat de moderne techniek het heilige vertegenwoordigt.

Om de reikwijdte van Achterhuis' stelling te begrijpen, is begrip van 'het heilige' belangrijk. Hoewel er onder theologen en cultureel antropologen weinig overeenstemming bestaat over wat religie is, neemt het 'heilige' in vrijwel alle definities een centrale plaats in. Het religieuze is datgene wat wegens een zekere heiligheid van ons verwijderd en afzonderlijk van ons is gesteld. Religies zijn gericht op communie en communicatie met deze bovennatuurlijke, al dan niet als persoonlijke god(en) voorgestelde, machten. Volgens de Duitse godsdienstwetenschapper Rudolf Otto in zijn in 1917 gepubliceerde studie Das Heilige heeft het heilige altijd twee kanten. In Achterhuis' woorden: “Enerzijds is het fascinans: het fascineert en trekt de mens in positieve zin aan, het is heilzaam, rein en beloftevol, roept op tot aanbidding en verering. Anderzijds is het tremendum: het is vreeswekkend en verschrikkelijk, monsterlijk, angstaanjagend en onrein, het wordt het op afstand gehouden en uitgestoten”.

Aanknopend bij Otto's notie van het heilige betoogt Achterhuis dat de fascinatie door en vrees voor het heilige in de hedendaagse cultuur vooral zichtbaar worden in de emotionele en niet zelden irrationele discussies rondom de nucleaire en bio-technologie, aangezien deze de diepste mysteries raken die we kennen: het wezen van de materie en het geheim van het leven. Enerzijds worden deze technologieën door New-Age-protagonisten als Fritjof Capra voorgesteld als de natuurwetenschappelijke her-ontdekking van het goddelijke, anderzijds schetsen natuurwetenschappers en filosofen als Von Weizsücker de dreiging van het einde der wereld ten gevolge van het roeren in de 'nucleaire stoofpot'.

Ook de vaak emotionele discussies over de informatie-technologie lijken geïnspireerd door de fascinatie door en vrees voor het heilige. Waar de ongrijpbare cyberspace sommigen vervult met een religieuze verering, daar zien anderen haar als het virtuele massagraf van de mensheid.

Zo betogen Mark Taylor en Michael Brown, gefascineerd door de religieuze bedrijvigheid op Internet: “Het ideaal van mondiale eenheid, ooit slechts een religieuze droom, lijkt nu binnen handbereik. Het Net is eigenlijk de verstoffelijking van het universele brein en maakt het algemeen toegankelijk. Vezelnetwerken worden de zenuwstelsel van een collectief bewustzijn dat Al-Wat-Is omvat”.

Een auteur als Michael Heim daarentegen waarschuwt, geïnspireerd door Heideggers analyse van de techniek, voor het demonische karakter van de informatietechnologie, die de mensheid degradeert tot een data-verwerkend wezen, dat niet langer in staat is de poëzie van het woord Gods te vernemen.

Tegen deze achtergrond is de opvallende religieuze bedrijvigheid op Internet minder verwonderlijk dan op het eerste gezicht leek. De aura van heiligheid die de virtuele ruimte van het wereldwijde netwerk van computers omhult, trekt zowel hen aan die op zoek zijn naar het heilvolle als hen die door het demonische worden geobsedeerd.

Nu is het van belang in te zien dat de nauwe verbinding tussen religie en techniek niet alleen in de moderne tijd bestaat. Techniek en religie zijn van oudsher op verschillende manieren op elkaar betrokken. Zo heeft de mensheid de techniek vanouds aangewend om haar religieuze dromen gestalte te geven. De Egyptische piramiden en de Griekse tempels kunnen hierbij als voorbeeld dienen. De nauwe samenwerking tussen religie en techniek is mogelijk omdat beide een uitdrukking vormen van het verlangen van de eindige mens om zijn begrensdheid in ruimte en tijd te overschrijden. Evenals de religie is de techniek gericht op communicatie en communie met datgene wat zich buiten de mens en de menselijke ervaring bevindt.

Door op deze overeenkomst te wijzen wil ik de verschillen niet ontkennen. Zo kent de techniek in tegenstelling tot de religie, waarin de communie en communicatie intrinsiek zijn, als waarde op zich worden nagestreefd, een instrumentele doelmatigheid. Waar de techniek manipulatie van de werkelijkheid nastreeft is zij eerder - als een meer succesvolle voortzetting daarvan - verwant aan de magie dan aan de religie. Een ander verschil is dat de religie communicatie en communie met het bovennatuurlijke nastreeft, terwijl de techniek haar streven richt op de zichtbare natuur.

Dit laatste brengt mij op een ander aspect van de relatie tussen techniek en religie. Vanwege het bovennatuurlijke karakter van het voorwerp van communie en communicatie is het moeilijk een voorstelling van het heilige te vormen. Om die reden worden de beschikbare technologieën aangegrepen om een beeld van het heilige te vormen. De technologie fungeert dan als een metafoor van het heilige. We zien hier het omgekeerde van wat Umberto Eco deed. Waar Eco een controverse in de wereld der computers inzichtelijk maakt door de tegenstelling tussen het katholicisme en protestantisme, daar wordt tegenwoordig de computer vaak als metafoor gebruikt om de mysteries van het heelal inzichtelijk te maken.

VERVOLG OP PAGINA 18 VERVOLG VAN PAGINA 17

In Load & Run High-tech Paganism-Digital Polytheism, een tekst van Timothy Leary en Eric Gullichsen die ik op mijn zoektocht naar God in cyberspace op het Internet ontdekte, vond ik hiervan een pregnant voorbeeld: “Het universum kan het beste worden begrepen als een digitaal informatieproces met sub-programma's en tijdelijke ROM-bestanden, mega's als sterrenstelsels, maxi's als sterren, mini's als planeten, micro's als organismen, en nano's als moleculen, atomen, subatomaire deeltjes enz. Al deze programma's zijn voortdurend werkzaam en verkeren in een permanente staat van evolutie. De grote uitdaging van de twintigste eeuw was dit universum 'gebruikersvriendelijker' te maken en de individuele mensen te leren de subprogramma's die hun persoonlijke realiteit uitmaken te decoderen, te digitaliseren, op te slaan, te verwerken en te reflecteren.”

In Biochips, een roman van cyberpunk-auteur William Gibson - door een criticus ooit treffend de ghostwriter van onze toekomst genoemd - treffen we een beschrijving aan van de wijze waarop het leven in cyberspace het godsbeeld drastisch zal beïnvloeden. Ik citeer een passage, waarin de Vin, een van de hoofdrolspelers, de religieuze ervaring in cyberspace beschrijft van een andere protagonist, die de Pruik wordt genoemd: “Oké, het is niet meer dan een op maat gemaakte hallucinatie waarvan we allemaal afgesproken hebben dat we hem met elkaar delen, die matrixruimte van ons, maar iedereen die zich inplugt, weet, en weet verrekt goed, dat het een heel universum is! ... Maar op een gegeven moment ... was het duidelijk geworden dat de Pruik over de rooie was geraakt. Meer in het bijzonder, zei de Vin, omdat de Pruik ervan overtuigd was geraakt dat God in de matrixruimte leefde, of misschien dat de matrixruimte God was, althans een nieuwe manifestatie van Zijn wezen.”

Dit fragment maakt ook duidelijk dat de relatie tussen techniek en religie niet louter metaforisch is, maar ook ontologisch: de aanwezige technologieën vormen de religieuze ervaring. Er bestaat een structurele overeenkomst tussen de gebruikte technische media en de religieuze ervaring. Daarbij speelt het gebruik van symbolen een belangrijke rol.

De mens wordt wel een homo symbolicus genoemd. In de loop van de geschiedenis heeft de mens symbolen veruitwendigd in de gesproken taal, in het schrift, in het gedrukte woord en - meer recent - in het elektronische medium van de computer. Maar de manier waarop de mens symbolen gebruikt - dat toonden Eric Havelock en Walter Ong overtuigend aan -, bepaalt hoe hij de werkelijkheid en zichzelf ervaart. Daarom brengen een orale cultuur, een schriftcultuur en een digitale cultuur essentieel verschillende wereldbeschouwingen met zich mee.

Dat laat zich aflezen aan de ontwikkeling van de religie in Europa. Zo is de Griekse mythologie verbonden met de orale cultuur waarin zij is ontstaan, en kan het christendom de religie van het boek worden genoemd. De vraag die daaruit voortvloeit is welke implicaties de overgang naar de digitale cultuur, die zich momenteel voltrekt, heeft voor de huidige en toekomstige religieuze ervaring. Alvorens deze vraag te kunnen beantwoorden is het nodig nog even stil te staan bij de religieuze ervaring die verbonden is met de orale cultuur en de schriftcultuur.

De orale cultuur van het oude Griekenland kent een rijke, homerische godenwereld, die poëtisch wordt bezongen; ritme, rijm en herhaling stellen de verteller in staat de overgeleverde verhalen gemakkelijker te onthouden. Maar deze verhalen worden ook gekenmerkt door een gebrek aan eenheid: omdat de overlevering niet werd samengehouden door het boek, maar verspreid lag over een groot aantal vertellers, ontstonden er vele variaties die niet altijd onderling verzoenbaar waren. De Griekse mythologie vormt zo een complex netwerk van verhalen.

Een ander kenmerk van de archaïsche Griekse religie is dat zij weinig te maken had met innerlijke gevoelens, maar voornamelijk bestond uit het volbrengen van overgeleverde rituelen en het vertellen van verhalen. Het feit dat de Griekse tempels geen binnenkant hebben, weerspiegelt dit ontbreken van innerlijkheid. Ook dit kenmerk hangt samen met het orale karakter van de Griekse religie. De overgeleverde verhalen geven praktische informatie. Zo fungeerden de Ilias en de Odyssee voor de Grieken als een orale encyclopedie.

De verandering die in de Griekse cultuur plaatsvindt, is die van de orale naar de schriftcultuur. Plato's filosofie kan begrepen worden als een uitdrukking van deze wending. Plato maakte van de filosofie een boekcultuur. Daarom heeft de platoonse filosofie zo gemakkelijk kunnen versmelten met de joods-christelijke traditie, omdat ook deze verbonden is met de cultuur van het boek.

De overgang naar de schriftcultuur heeft gevolgen voor de religieuze ervaring. Het boek wordt een metafoor van de wereld en de mens. De wereld is het boek Gods, dat door de mens kan worden gelezen, en de menselijke geest wordt naar analogie met het boek begrepen. Tegenover de veranderlijke veelheid van verhalen uit de klassieke mythologie, vertegenwoordigt het boek een stabiele eenheid. Dat geldt niet in de laatste plaats voor de Bijbel, het boek der boeken. Weliswaar is ook de Bijbel van oorsprong een verzameling afzonderlijke boeken - reeds het Latijnse biblia is een meervoudsvorm die de verzameling heilige geschriften aanduidt - maar deze wordt toch opgevat als een canonieke eenheid.

We mogen daarbij niet vergeten dat de boekcultuur tot de vijftiende eeuw er een was van het handschrift. Het schrijven, overschrijven en lezen van boeken was letterlijk een eenzaam monnikenwerk dat als vanzelf aanzette tot contemplatie van de erin verwoorde ideeën. Daardoor werd deze stabiele samenhang als het ware ingeschreven in het lichaam en de geest van de schrijver en lezer. Dit maakt ook inzichtelijk waarom het christendom in tegenstelling tot de Griekse religie een religie van de innerlijkheid kan worden genoemd. Het lezen en schrijven was niet primair informatieoverdracht, maar een religieus-metafysische oefening waarin de geest deelgenoot werd gemaakt van een bovennatuurlijke orde.

Tegen deze achtergrond dienen we ook de scherpe protesten te zien die door vertegenwoordigers van de schriftcultuur werden ingebracht tegen de drukpers. Zo schreef de Duitse benedictijn Johannes Trithemius, die tijdens zijn leven aan het eind van de vijftiende eeuw de explosieve ontwikkeling van de boekdrukkunst meemaakte, een Lofzang op het handschrift, waarin hij betoogde dat de boekdrukkunst de mens zal vervreemden van de religieuze contemplatie. Ook het gebruikte materiaal - vergankelijke papier in plaats van perkament - was voor hem een aanwijzing dat het gedrukte boek niet gericht is op de eeuwigheid.

De overgang van het handschrift naar het gedrukte boek is echter nog niets vergeleken met die van de boekcultuur als geheel naar die van de digitale tekst. In zijn boeiende studie Electric Language: A Philosophical Study in Word Processing betoogt Michael Heim dat de digitale cultuur een fundamentele breuk betekent met de voorafgaande boekcultuur. Meer nog dan de typemachine ontbeert de tekstverwerking met behulp van de computer een schriftuur. De intimiteit van de persoonlijke brief wordt gaandeweg vervangen door de voorgeprogrammeerde standaardbrief en de memo. Het 'fastfood-prose' dat de tekstverwerker voortbrengt, is niet gericht op innerlijke beleving maar letterlijk op 'output'. Lezen en schrijven verwordt tot een manipulatie van informatie en data-transport.

Het 'fastfood-prose' is voorts uit de aard der zaak vluchtig van karakter en niet gericht op eeuwigheid. In het elektronische medium kent een tekst slechts een virtueel bestaan, en is beschikbaar voor voortdurende bewerking, aanvulling en 'updating'. Heim illustreert dit in zijn boek met een aardige anekdote. Volgens de Joodse wet is het verboden de naam van Jawhe, wanneer deze eenmaal is neergeschreven, te verwijderen. Toen een Israëlische universiteit wilde beginnen met het elektronisch beschikbaarstellen van de heilige schriften, waarbij het onvermijdelijk was dat bestanden voortdurend zouden worden overschreven door nieuwere, gecorrigeerde versies, werd aan een raad van rabbi's de vraag voorgelegd of dit toelaatbaar is volgens de Joodse wet. De rabbi's besloten in hun wijsheid dat daartegen geen bezwaar bestond, omdat de elektronische opslag vanwege het vluchtige karakter van het medium niet als een vorm van schrijven kon worden beschouwd, zodat er ook geen sprake kon zijn van het uitwissen van de naam van Jahwe.

Behalve tot vervluchtiging leidt het tekstverwerken ook tot een fragmentatie van de tekst. Zeker wanneer de computer wordt gekoppeld aan het wereldwijde netwerk en teksten deel uit gaan maken van een hypertekstsysteem, kan er niet langer gesproken worden van de eenheid van een boek. Het boek wordt niet meer als totaliteit beschouwd, maar als een deel van een zich voortdurend uitdijende intertekst. De aandacht van de gebruiker wordt daardoor verstrooid over het wereldwijde netwerk van tekstbestanden. In zekere zin lijkt dit een terugkeer te betekenen naar de vele uiteenlopende verhalen van de orale traditie.

Ook het privé-karakter van het schrijven en lezen verdwijnt. Deze activiteiten worden deel van een collectieve ervaring. Een goed voorbeeld daarvan zijn de virtuele vaktijdschriften, een collectieve ruimte waarin de deelnemers hun eigen en elkaars teksten voortdurend kunnen aanvullen.

Het is niet verwonderlijk dat de overgang van de boekcultuur naar de digitale cultuur tot vergelijkbare reacties heeft geleid als die van het handschrift naar het gedrukte boek. Cultuurpessimisten spreken in dramatische bewoordingen van een teloorgang van de geletterdheid en zelfs van een ondergang van het denken. Tegen de achtergrond van wat ik eerder opmerkte over het heilige karakter van de moderne technologie hoeft ook het emotionele en vaak irrationele karakter van deze kritieken niet te verbazen.

Ook de oplossing die Heim aandraagt voor de demonische dreiging van de digitale cultuur is sterk religieus gekleurd. Zo raadt hij in het laatste hoofdstuk van Electric Language oosterse meditatie-technieken aan ter compensatie van het gebrek aan diepgang en de 'technostress' die verbonden zijn met het tekstverwerken. Dat hij hier aanklopt bij niet-christelijke religies kan niet alleen worden toegeschreven aan het feit dat hij zijn bakermat heeft in de Californische subcultuur van de jaren zestig.

Op grond van het voorafgaande betoog verdedig ik de stelling dat het christendom vanwege de nauwe verbondenheid met de cultuur van het boek incompatibel is met de digitale cultuur. De wereldwijde pogingen om de christelijke cultuur op Internet te verspreiden door het on line beschikbaarstellen van Bijbels en andere religieuze geschriften is een achterhoedegevecht. En de hoop dat het ideaal van mondiale eenheid nu dank zij Internet binnen handbereik komt, lijkt mij vanwege de fragmentatie en verstrooiing van de digitale wereld irreëel. Cyberspace is niet de 'global village' geworden waar McLuhan van droomde, maar een verwarrende veelheid van dorpen.

Ik vermoed dat de toekomst van de religie in cyberspace gezocht moet worden in een digitale variant van het polytheïsme. Immers, het fragmentarische karakter van het Internet kent eerder een structurele overeenkomst met de homerische religie dan met de christelijke. Bovendien sluit ook het geconstateerde gebrek aan diepgang van de Griekse mythologie voortreffelijk aan bij de oppervlakkige schittering van de digitale wereld.

Het verbaast dan ook niet dat Timothy Leary en Eric Gullichsen in hun eerder geciteerde e-tekst een hartstochtelijke pleidooi houden voor een digitaal polytheïsme: “1. God is geen vader of feodale heer noch de ingenieur-manager van het universum. Er bestaat geen god (in het enkelvoud) behalve jij op dit moment. Er zijn net zoveel goden (in het meervoud) als er kunnen worden verbeeld. Noem ze zoals je wilt. Het zijn vrij handelende wezens zoals jij en ik. 2. Je kunt ze blijven veranderen en muteren en verbeteren. Het idee is ze voortdurend op te waarderen tot een steeds betere filosofie-theologie. 3. Het doel van je leven - in navolging van Boeddha, Krishna, Gurdjieff, Werner Erhart, Shirley - is dit: zorg goed voor jezelf, zodat je goed voor anderen kunt zorgen.”

Gesteld dat het digitale polytheïsme cyberspace inderdaad zal gaan veroveren, dan blijft de vraag of we die ontwikkeling als een zegen of als een vloek moeten beschouwen. Vanzelfsprekend zal de overgang naar de op ons toesnellende heerlijke nieuwe wereld in een aantal opzichten een verlies betekenen, zoals ook de overgang van het handschrift naar het gedrukte boek dat was. Zeker voor de traditionele vertegenwoordigers van de boekcultuur zal dit een grote aanpassing vergen. Voor de generatie die is opgegroeid met de moderne multimedia zal de overgang waarschijnlijk reeds minder schokkend zijn.

Daar komt bij dat de nieuwe vormen van (religieus) bewustzijn ook ervaringen zullen ontsluiten die ons in de christelijke traditie zijn ontzegd. Wat we niet mogen vergeten is dat de religies van het boek - behalve het christendom ook de islam - vanwege hun totalitaire waarheidsaanspraak bijzonder imperialistische religies zijn geweest die een onderdrukking van andersdenkenden met zich mee hebben gebracht.

We hoeven maar te denken aan hun wrede kersteningspraktijken of aan de door Umberto Eco gememoreerde godsdienstoorlogen, die Europa eeuwen lang hebben verscheurd. In dat licht bezien is de wederkomst van het polytheïsme nog niet zo'n gek alternatief. Het polytheïsme kent immers niet alleen een ingebouwde tolerantie voor afwijkende meningen, maar het sluit ook naadloos aan op de hedendaagse multiculturele samenleving en de parlementaire democratie, waarin de verdeling der machten kan worden beschouwd als een geseculariseerde vorm van polytheïsme. In die zin kunnen we het neerstrijken van de digitale olympische goden in onze virtuele toekomst met enig vertrouwen tegemoet zien.

VERKLARENDE WOORDENLIJST androïde - mensachtig wezen met mechanische en/of elektronische delen.

besturingssysteem - in een computer ingebouwd systeem dat de verwerking van informatie bestuurt.

cyber - afgeleid van het Griekse 'kybernan' wat stuurman betekent of leider.

cybernetica - stuurkunde; de wetenschap van de zelfsturende machines, automaten.

cyberpunk - recent genre in de science fiction dat zich (deels) afspeelt in cyberspace*

cyberspace - denkbeeldige ruimte die wordt ontsloten door het wereldwijde netwerk van computers

digitale informatie - elektronische, met behulp van het binaire getallenstelsel gecodeerde, informatie

hypertekst - netwerk van elektronisch (digitaal*) opgeslagen teksten dat met behulp van een computer te raadplegen is en de lezer in staat stelt via gemarkeerde woorden onbeperkt over te springen naar andere teksten met dezelfde markeringen.

interface - koppeling tussen computersystemen onderling of tussen mens en computer

internet - een explosief groeiend wereldomspannend netwerk van computernetwerken van universiteiten, maatschappelijke en culturele instellingen en overheidsinstellingen.

matrix (ruimte) - zie cyberspace

muis - apparaatje dat verbonden is met een computer en waarmee je de cursor (de renner) kunt bedienen.

on line - direct door de computer bestuurd.

virtual reality - mens-computerinterface*, waarbij de gebruiker zich schijnbaar (virtueel*) door de door de computer gegenereerde cyberspace* kan bewegen en de voorwerpen in deze ruimte manipuleren.

virtueel - niet feitelijk, maar schijnbaar; als mogelijkheid aanwezig.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden