Vijftig jaar tussen bravo en boe

Vanavond viert De Nationale Opera met een gala het 50-jarig bestaan. Muziekredacteur Peter van der Lint haalt persoonlijke herinneringen op.

Als je je van een halve eeuw nationale operageschiedenis bijna veertig jaar kunt herinneren dan is dat best even schrikken. Is het echt zo lang, ben ik echt zo oud, en hoeveel ensceneringen van De Nationale Opera moet ik dan wel niet gezien hebben? Dat gezelschap - voorheen achtereenvolgens De Nederlandse Operastichting en De Nederlandse Opera geheten - viert vanavond het 50-jarig bestaan met een muzikaal gala. Aan prinses Beatrix zal tijdens de feestelijkheden het door Irma Boom ontworpen jubileumboek 'Si può?' worden aangeboden.

'Si può?' zijn de eerste woorden van de proloog uit Ruggero Leoncavallo's 'Pagliacci'. Het betekent zo veel als: 'Mag ik?' Ik zou die woorden willen lenen aan dit begin van wat persoonlijke herinneringen aan al die avonden waarin aan het slot om mij heen zo vaak 'bravo' of 'brava' werd geroepen. De laatste jaren klinkt er trouwens steeds vaker en luider 'boe'. Die hoorbare afkeuring is er haast nooit voor zangers of dirigenten, des te vaker voor de in die vijftig jaar steeds almachtiger geworden regisseur en zijn of haar productieteam. Ging je vroeger eerder naar de 'Carmen' van zangeres X, tegenwoordig ga je naar de 'Carmen' van regisseur Y. Die ontwikkeling is misschien de meest in het oog springende van deze 50-jarige. En komt met het zien van Abraham nu ook de vermaledijde midlife crisis om de hoek kijken? De zaal zit niet meer automatisch vol en vanwege al te tegendraadse regie-opvattingen houden liefhebbers het vaker voor gezien.

Tosca

Mijn allereerste kennismaking met DNO was op 1 april 1978. Niet in Amsterdam, maar in Tilburg. DNO had destijds nog de plicht om aan cultuurspreiding te doen, en dat betekende dat sommige producties op reis gingen. In de Tilburgse Stadsschouwburg zag ik Puccini's 'Tosca'. De productie, die in 1969 al in première ging, was standaard. Tosca liep in haar rode cape als een zingend cliché rond, stak Scarpia met een dessertmes neer zoals het hoort en sprong met zwier haar dood tegemoet vanaf de kantelen van de Engelenburcht in Rome. Het zag er prachtig uit. Wist ik veel? Toen ging het voor mij in eerste instantie nog om het live horen van de muziek die ik zo goed van grammofoonplaten kende. Kenneth Montgomery dirigeerde, Johanna Meier was Tosca, Donald McIntyre zong Scarpia - het was overweldigend daar in Tilburg.

In 1998 presenteerde DNO een nieuwe 'Tosca'-enscenering in Amsterdam. Reizen naar de provincie hoefde DNO niet meer van subsidiegever het rijk, er was inmiddels een heus eigen operatheater verrezen, en dus was het decor inmiddels spectaculair groot en ingenieus. Riccardo Chailly dirigeerde het Koninklijk Concertgebouworkest, Catherine Malfitano was Tosca, Bryn Terfel aaide als de duivelse Scarpia liefdevol poes Jaap, die spinnend in zijn forse armen lag. Het was overweldigend. Tussen de regie van Lofti Mansouri en die van Nikolaus Lehnhoff zat een wereld van verschil. Nog steeds waren de drie hoofdpersonages aan het einde morsdood - zo'n einde conform het libretto moet je tegenwoordig ook maar afwachten - maar de weg ernaar toe was zoveel fascinerender en gelaagder.

Wereldspeler

DNO vond zichzelf opnieuw uit. Een gradueel proces dat al onder leiding van Maurice Huisman, de eerste intendant van het nieuwe gezelschap ingezet was. De artistieke leiders die na hem kwamen, Hans de Roo en Jan van Vlijmen zetten elk hun eigen stempel met soms fantastische resultaten, soms regelrechte flops. Maar het was met de komst van het koppel Truze Lodder (zakelijk directeur) en Pierre Audi (artistiek directeur) dat DNO een echte wereldspeler werd. Audi heeft inmiddels de helft van die halve eeuw voor zijn rekening genomen. Lodder en Audi konden werken in een spiksplinternieuw operagebouw. Het Muziektheater heet inmiddels Nationale Opera & Ballet, zoals nu in gouden letters op de gevel te lezen valt.

Met dat echte, hypermoderne operatheater dat in 1986 onder luid protest openging, ontvouwden zich immense mogelijkheden om groots muziektheater te maken. Ik herinner me vlak voor de opening een proefvoorstelling van Beethovens 'Fidelio', de opera die door Harry Kupfer op de afmetingen van de Amsterdamse Stadsschouwburg gemaakt was. Via de kale, betonnen trappen van de nooduitgangen konden de genodigden boven in het nieuwe theater plaatsnemen. We keken neer op dat bekende decor dat in deze immense nieuwe omgeving nog niet eens een kwart van het podium innam. Hier zou men uit de voeten kunnen met ingewikkelde en enorme decors.

En dat bleek het geval. Met als hoogtepunt uiteraard de allereerste op Nederlandse bodem geproduceerde 'Der Ring des Nibelungen' van Wagner. Maar ook de eerste geënsceneerde uitvoering van Berlioz' complete 'Les Troyens' bijvoorbeeld, of die van Rossini's 'Guillaume Tell'. Spectaculaire producties die Audi zelf regisseerde en die door George Tsypin met grote decors werden opgetuigd. Audi bewees trouwens met zijn allereerste eigen enscenering - Monteverdi's 'Il ritorno d'Ulisse in patria' - dat je op deze gigantische bühne ook uitermate intiem muziektheater kon maken.

Hoogtepunten

Hier zijn al een paar hoogtepunten aangehaald. Maar wat is het lastig om je favorieten te kiezen. Ik prijs me gelukkig dat ik vlak na elkaar Joan Sutherland en Cristina Deutekom in 'Lucia di Lammermoor' heb kunnen horen, waarbij de tweede mij meer deed dan de eerste. Overrompeld was ik door de met de meeuwen wegvliegende Susan Chilcott in Willy Deckers fantastische enscenering van 'Katja Kabanová'. Diens 'Elektra', net als die van Kupfer vele jaren eerder trouwens, staat me nog levendig voor de geest. Net als Nikolaus Harnoncourt en Charlotte Margiono in 'Così fan tutte', Susan Graham in 'Werther', Robert Carsens inkervende regie van 'Dialogues des Carmélites' (vanaf morgen weer in reprise!) en het verschrikkelijke debacle van Nelly Miricioiù in 'Norma'. De lijst met in opdracht gecomponeerde wereldpremières (bijna 40!) in die 50 jaar is indrukwekkend, met daarbij vreselijke flops (Knaifels 'Alice in Wonderland') en emotionerende voltreffers (Van der Aa's 'After Life').

Sopranen

Er wordt weleens geklaagd dat DNO het eigen, vaderlandse talent geen kansen zou geven. Maar als we bijvoorbeeld naar de Nederlandse sopranen kijken dan moet dat beeld toch wat genuanceerd worden. Gré Brouwenstijn (jaren '50 en '60), Cristina Deutekom (jaren '70 en '80), Charlotte Margiono (jaren '90 en '00) en Eva-Maria Westbroek (vanaf 2006) kregen hier allemaal mooie kansen. Een indrukwekkend rijtje namen. Westbroek brak hier zelfs internationaal door met haar vertolking van de titelrol in 'Lady Macbeth van Mtsensk'. Dat was nóg zo'n onovertroffen hoogtepunt waarin alle elementen van opera op een zeldzaam voortreffelijke manier samenkwamen. Voor haar fans is de internationaal gevierde Westbroek hier misschien te weinig te horen, maar vanavond staat ze toch maar mooi op de bühne het feestje mee te vieren.

Opera Gala met diverse zangers en het Nederlands Philharmonisch Orkest onder leiding van Marc Albrecht en Tan Dun in een regie van Robert Carsen. Vanavond in Nationale Opera & Ballet. Een livestream is te volgen via http://bit.ly/live-streamoperagala

Onder de leiding van Truze Lodder en Pierre Audi werd DNO een echte wereldspeler

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden