Vijftig jaar schrijven op één typemachine

Vijftig jaar geleden verschenen in het augustusnummer van de Kroniek van kunst en kultuur de eerste twee gedichten van Jan Wolkers. Vijftig jaar lang oogstte hij bewondering en afkeer. „Ik heb de mensen wel kwaad gekregen, maar toch ook bijgedragen aan de vrijheid van taal en denken. Ik heb Nederland vooruit geholpen.”

Op 1 februari 1957 zat Jan Wolkers, 31 jaar oud, in de trein van Amsterdam CS naar het Gare du Nord in Parijs. De jonge kunstenaar had een beurs gekregen om een half jaar te gaan studeren aan de Académie de la Grande Chaumière van de fameuze en door hem bewonderde beeldhouwer Ossip Zadkine. Op het moment dat de trein het Zuiden van Nederland doorkruiste werd in aanwezigheid van honderden Zeeuwen het Watersnoodbeeld onthuld dat Wolkers had gemaakt voor Kruiningen. Het monument verbeeldde een vrouw die onder een omgeslagen deken haar verdronken kindje met zich meedraagt.

Als twintiger, vers van de Academie, oogstte Wolkers al roem voor zijn beelden, en kreeg hij prestigieuze opdrachten. „Ik bakte al poppetjes van klei in de kachel zolang als ik me kan herinneren,” zegt Wolkers, 81 inmiddels, in zijn huis op Texel. „Kleine duiveltjes. Als ik ze vergat, kwamen ze uit de asla tevoorschijn. Dan zei mijn vader: ’Ik heb weer een paar van die opstandige wezentjes van je tussen de sintels gevonden.’”

Het schilderen zat Wolkers eveneens in het bloed. Als jongen zat hij uren lang in het bos van Kasteel Poelgeest, aan de rand van zijn geboortedorp Oegstgeest, te tekenen en schilderen.

„De mensen hielden me op straat staande om te kijken wat ik had gemaakt. Een buurman zei over een woest doek van mij: ’Dat heb je er verdomd potig opgezet.’”

Ook door de literatuur was Wolkers al vroeg gefascineerd. Samen met zijn jeugdvriend Wim de Kler en de iets oudere Jan Vermeulen lagen ze in het park aan elkaar romanfragmenten en gedichten voor te lezen, van Gorter, Perk en Boutens. „De meisjes uit de buurt waren zelfs niet in staat om met frivool gehuppel onze aandacht van de literatuur af te leiden.”

Tijdens de oorlog werkte de jonge Jan op het distributiekantoor van Oegstgeest. Daar tikte hij in 1943, tussen het uitschrijven van distributiebonnen of een stel fietsbanden door, zijn allereerste gedicht: ’Uit Parijs’.

Het was een echt jongensgedicht. De destijds zeventienjarige dichter deed het voorkomen alsof hij in Parijs terugdacht aan een oude liefde, een meisje met wie hij ’eens’ in het hoge gras had gelegen: ’En ik denk in een verre stad aan haar, / Die eens, een herfstseizoen, m’n liefste was, / En aan de teerheid van elkanders monden.’ Toen hij dit gedicht aan Jan Vermeulen liet lezen, schimpte die: ’Schei toch uit met die onzin! Parijs! Je bent nog nooit verder geweest dan de Morspoort in Leiden!’

De dag voordat Wolkers in 1957 daadwerkelijk een half jaar naar Parijs vertrok - vlak na de bevrijding was hij al eens een paar dagen naar Parijs gelift, met louter een rijksdaalder op zak en een canvas legertas vol scheepsbeschuiten - kocht hij zijn eerste eigen typemachine. Een Olivetti Portable, model lettera 22. „Voor 295 gulden, in die prachtige winkel op het Rokin in Amsterdam.” Het grijze apparaatje staat nog altijd op de tafel in het schrijfhuisje in de tuin. Vrijwel zijn gehele oeuvre is erop ontstaan. „Ik heb hem goed onderhouden, en ik kan nog altijd nergens anders op werken. Hoe de computer aanmoet, dat zou ik niet weten. Gelukkig kan Karina dat allemaal.”

In Werkkleding schreef Wolkers dat hij in Parijs eigenlijk niet van plan was om op de schrijfmachine te gaan schrijven. „Is dat niet wonderbaar? Ik heb het ding in een opwelling gekocht. Zoals je gedreven kan worden om een wapenwinkel binnen te lopen en een karabijn aan te schaffen. Even later zie je de man lopen voor wie het schot bedoeld is dat je met de karabijn zal lossen.”

Eenmaal in Parijs tikte Wolkers op de Olivetti de twee titelloze gedichten die gelden als zijn officiële literaire debuut. „Ik stuurde ze naar De kroniek van kunst en kultuur, het blad van de beeldend kunstenaars.” Het ene gedicht is ook een echt kunstenaarsgedicht, sensitief, en vol vormen en kleuren. De eerste strofe luidt:

’toch zijn er tuinen die openwaaien / waar de poëzie zich als chinese zijde laat grijpen / en knippen in stukken.’

Het andere gedicht ging over de dood van zijn broer Gerrit, die in augustus 1944 overleden was aan difterie. Het gedicht begint met de regels: ’je bent gewoon maar doodgegaan / achter het gras / terwijl de herfst voor de deur stond.’

En het beschrijft - in vrijwel gelijke beelden als in de ontroerende sterfscène van de broer in Terug naar Oegstgeest - hoe de doodzieke broer zijn witte hand opsteekt, ’als een meeuw die de kust verlaat’, en eindigt met de woorden: ’zo hangen vanavond / mijn betraande ogen / in je afscheid.’

„Ik had”, zegt Wolkers, „de meeste beelden uit dit gedicht al in 1944 opgeschreven, vlak na de dood van Gerrit. Daar heb ik toen niets mee gedaan, misschien omdat ik ze te sentimenteel vond. Maar in Parijs tikte ik ze op en deed ze op de bus.” In Parijs liep Wolkers elke dag van het Institut Néerlandais aan de Rue de Lille, waar hij een zolderkamertje bewoonde, naar de Rue de la Grande Chaumière, waar zich Zadkine’s atelier bevond. „Ik heb meer geleerd van het dolen door de stad dan van Zadkine, dat magere mannetje met zijn witte kuif. Alle leerlingen probeerden de meester na te volgen, dus al hun beelden zaten net zo vol gaten als Zadkine’s monument in Rotterdam. Maar daar had ik helemaal geen zin in. Ik koos mijn eigen weg.”

Ook in de literatuur zou Wolkers zijn eigen weg kiezen, al duurde het nog anderhalf jaar voordat hij opnieuw iets publiceerde. In februari 1959 verscheen ’Het tillenbeest’ in Tirade. Dat bleef niet onopgemerkt. Dick Hillenius, de schrijver-bioloog die hij op het Institut Néerlandais had leren kennen, schreef hem een briefje dat hij verbaasd was een ’zo maar uit het niets verschijnend, ongewoon goed brok proza’ van zijn hand te lezen. „Gerard Reve was ook laaiend enthousiast. Alleen Geert van Oorschot was bevreesd dat mijn werk hem abonnees zou gaan kosten.”

Helemaal ongelijk had Van Oorschot niet. Na publicatie van ’Gevederde vrienden’, een verhaal over een man die zijn vrouw in een ijskast opsluit, haar lijk in stukken zaagt en aan de meeuwen voert, zegden zestig lezers van Tirade hun abonnement op. En toen Wolkers in april 1963 een scabreuze passage uit het verhaal ’Kunstfruit’ voorlas, ontstond een rel. Volgens De Telegraaf omdat de schrijver ’de grens van het toelaatbare met betrekking tot de openbare orde en goede zeden verre overschreed’. Maar toen in 1961 zijn debuutbundel Serpentina’s petticoat was verschenen was Wolkers’ unieke talent onmiddellijk herkend. ’Een groot schrijver’, oordeelde Trouw.

Tot op de dag van vandaag roept Wolkers tegengestelde reacties op. „Ik heb de mensen wel kwaad gekregen, maar toch ook bijgedragen aan de vrijheid van taal en denken. Ik heb Nederland vooruit geholpen. Daarom benauwt mij de regering van Balkenende ook zo. Die man probeert ons terug te brengen naar de jaren vijftig!” Wolkers lacht. „Nu ja, de strijd van deze gereformeerde jongeling is hopeloos achterhaald. Nederland is vergelijkenderwijs een paradijs. Als je ziet hoe de mensen in andere landen, waar andere godsdiensten heersen, onderdrukt worden, dan zijn we hier toch aanzienlijk beter behuisd.”

Thuis zit tussen de post een kaart van een anonieme bewonderaarster. ’Een dikke kus voor de mooiste man van Nederland,’ staat achterop. „Zolang ik dit soort kaartjes krijg leef ik nog,” zegt Wolkers. „Al ben ik natuurlijk nooit op onzedelijke voorstellen van vrouwen ingegaan. Dat is toch zo, hè, Karina?” Dat Wolkers leeft, blijkt ook uit het feit dat hij nog elke dag een paar uur naar zijn atelier gaat om ongestoord te werken. Daar, in het atelier, staat een schitterend cadmiumgeel doek van twee bij twee meter, waaraan hij onlangs de laatste hand legde. Zo’n groot schilderij zal hij nooit meer maken, omdat zijn fysieke gezondheid het hem niet langer toestaat. „Ik heb wondroos aan mijn voet,” zegt Wolkers. „Balkenende had dat ook, maar die had het verdiend.”

Het irriteert hem wel, af en toe, dat zijn lichaam niet meer kan doen wat hij graag zou willen. „Als je dertig bent dan raas je heen en weer voor het doek, klim en spring je erin. Nu moet ik dat allemaal heel bedachtzaam doen. Dat zie je ook wel aan dit schilderij: het heeft iets bedachtzaams.” Ook het schrijven gaat hem minder vanzelfsprekend af dan vroeger. „Het wonderlijke is dat mijn gedachten nu soms hun eigen gang gaan. Mijn gedachten verbrokkelen tot losse beelden. Net alsof ik materiaal voor een gedicht noteer.” Enkele brokstukken van dat materiaal liggen op een papiertje tussen de tubes olieverf: ’Het besef: Wij waren / Er even bij - / Een voetstap / Die geen echo achterlaat.’

Laatst stond er per abuis bij een gedicht van Wolkers dat in de Volkskrant stond afgedrukt dat het zijn ’laatste gedicht’ was. „De mensen dachten dat ik gestopt was met schrijven,” grinnikt hij. „Maar daar is natuurlijk geen sprake van. Wist je dat Frans Hals zijn mooiste werk maakte toen hij de tachtig al gepasseerd was?” Het is even stil. Dan zegt Wolkers: „Je laatste gedicht schrijf je pas als je de kist hoort knarsen.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden