Vijftig jaar dood en nóg leeft Elsschot

(Trouw)

Het is een halve eeuw geleden dat de Vlaamse schrijver Willem Elsschot stierf. Daarom is Antwerpen de komende vijf maanden meer dan ooit ’De Stad van Elsschot’. De expositie ’Dichtbij Elsschot’ vormt de basis voor een reeks festiviteiten en onthult nieuwe feiten.

Het miezert in Antwerpen en dat is wel zo toepasselijk aan de vooravond van een festival ter ere van Willem Elsschot. De romanticus die de Elsschotliefhebber meestal is, koppelt het beeld van de miezerige stad immers direct aan de sfeer in ’Het Dwaallicht’. Wie het wil, ziét de schrijver vandaag door de straten lopen.

Elsschot en Antwerpen. Weinig andere schrijvers in ons taalgebied voelden zich vermoedelijk zo met hun stad verbonden als deze Vlaming. Hoewel Elsschot Antwerpen niet altijd trouw was, hij werkte ook in Brussel, Parijs, Koksijde en Rotterdam.

Maar vooral in het korte verhaal ’Het Dwaallicht’, zijn laatste boek uit 1946, zwerft de lezer als het ware met Laarmans (een afsplitsing van Elsschot zelf) en de drie vreemdelingen mee door regenachtig Antwerpen. Op zoek naar Maria uit de Kloosterstraat. Op zoek misschien ook wel naar zichzelf.

Alfons de Ridder, zoals Willem Elsschot eigenlijk heette, is nog altijd een geliefd schrijver. Velen hebben zijn ’Verzameld werk’ in de kast staan en anders kent menigeen een roman als ’Villa des Roses’ wel als los exemplaar of van de boekenlijst op school. Verse Elsschot-aanhangers sloten aan nadat tekenaar Dick Matena ’Kaas’ en ’Het Dwaallicht’ verstripte.

Bij binnenkomst in het Letterenhuis voor de expositie ’Dichtbij Elsschot’ zien we dat er ook Engelse en zelfs Japanse vertalingen van zijn boeken liggen en dvd’s en luisterboeken.

Hoe laat zich die populariteit verklaren? Zoveel schrijvers zijn er niet die vijftig jaar na hun dood in zekere zin nog leven. „Elsschot wilde graag gelezen worden. Daarom maakte hij zijn taalgebruik toegankelijk”, zegt Elsschotexpert en samensteller van de tentoonstelling Wieneke ’t Hoen. „Het is Vlaams noch Hollands, maar Nederlands met soms een Vlaams woord dat hij behield. Het Vlaamse ’kleed’ in plaats van het Nederlandse ’jurk’, bijvoorbeeld. Ook bracht hij oorspronkelijk in het Frans geschreven teksten in ’Lijmen/Het been’ terug naar het Nederlands. In zijn tijd was de handelstaal in België Frans, maar Elsschot wist dat de mensen boven de Moerdijk die taal minder machtig waren.”

De neerlandica denkt verder dat de thema’s in Elsschots werk – het zakenleven en het gezinsleven – aanslaan: „Omdat die combinatie in de Nederlandse literatuur uniek is. Er zit ook iets aandoenlijks in zijn vertelstijl, iets tragikomisch.”

Als laatste verklaring voor zijn populariteit noemt ’t Hoen het gegeven dat het echte leven van Alfons de Ridder grotendeels parallel loopt met dat van zijn personages in zijn boeken. „De tentoonstelling laat zien dat het niet één op één loopt, maar dat biografische aspect maakt het wel interessant.”

In elk geval voor Wieneke ’t Hoen. Zij mocht (na veel juridisch gekonkel met de erven Elsschot) het vorig jaar door de Vlaamse overheid verkregen familiearchief doorspitten en zo de puzzel compleet maken. Met als voorlopig resultaat dus de expositie ’Dichtbij Elsschot’. Voorlopig, want het archief is nog niet volledig in kaart gebracht. Maar de topstukken zijn aanwezig. Zo kan de bezoeker Elsschot in een kroeg plat Antwerps horen ’klappen’ op audiofragmenten (terwijl hij nota bene tegen dialecten was) liggen er tal van documenten in de vitrines die de totstandkoming van zijn boeken verduidelijken, dan wel zijn werk als publiciteitsagent inzichtelijk maken. Daarnaast hangt de zaal van het Letterenhuis vol nooit eerder getoonde familiefoto’s.

Al deze relikwieën werpen een ander, vaak geheel nieuw licht op de persoon Elsschot. Zo is het een mythe dat hij ’Kaas’ in slechts veertien dagen schreef, zoals hij zelf altijd beweerd heeft. ’t Hoen: „Uit aantekeningen blijkt dat Elsschot daar echt wel langer over gedaan heeft.”

Ook de aanname dat de schrijver in het dagelijks leven beslist geen feestvarken was, wordt in gevonden brieven van naasten ontkracht. Hij was wel degelijk een gangmaker en hield van drinken.

Onbekend was tot voor kort ook dat Elsschot in 1945 ’namens de literatuur’ Churchill mocht toespreken toen deze de stad bezocht.

Zulk soort ontdekkingen vormen de drijfveer van ’t Hoen. „Ik heb bijvoorbeeld zes dozen met papieren van het reclamebureau waar Elsschot werkte doorgeploegd. Dat is heel spannend want je weet nooit wat je tegenkomt. Te weten komen wat de achtergronden van een schrijver zijn, geeft veel meer reliëf aan zijn werk. Zeker in het geval van Elsschot.”

De aankleding van de expositiezaal, met vier grote schemerlampen als centraal herkenningspunt, is geïnspireerd op het interieur van Alfons de Ridder: tamelijk sober, zoals de tijd – ruwweg tussen 1910 en 1950 – voorschreef. Zoals ook de levensvisie van de auteur en zakenman – ondanks die postume rol van gangmaker – dat voorschreef. Men kan gerust aannemen dat Willem Elsschot, dit alles van bovenaf overziend, deze opzet wel zou kunnen waarderen. Niet voor niets schreef hij in de inleiding van ’Kaas’: ’Wat niet nodig is dient geweerd en waar het met één personage kan is een menigte overbodig’.

(Trouw)
Een pagina van het manuscript van het korte verhaal 'Het Dwaallicht'. Rechts: Willem Elsschot. (AFBEELDINGEN ERVEN DE RIDDER EN HET LETTERENHUIS )
(Trouw)
(Trouw)
(Trouw)
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden