Vijftig jaar AOW / Het lot van de oude of verminkte werklieden

Jarenlang werd er gesteggeld over de invoering van een basispensioen voor ouderen. Tot de nood van ouderen in de jaren vijftig zo hoog was dat geen politicus meer durfde te protesteren.

In de troonrede van 1891 werden maatregelen aangekondigd ’ter verzekering van het lot van oude of verminkte werklieden’. Pas 65 jaar later werd het pleit beslecht en kwam er een oudedagsvoorziening voor alle Nederlanders, de AOW. De wet zelf heeft als dagtekening 31 mei 1956, vandaag precies vijftig jaar geleden. Pas op 1 januari 1957 was het echt zo ver.

De 65 jaar tussen de troonrede en de behandeling van de wet in het parlement, in de Tweede Kamer tussen 15 en 22 maart 1956, zijn gebruikt voor ideologische scherpslijperij van politici: de confessionele partijen ter rechterzijde en de niet-confessionele partijen (liberalen en sociaal-democraten) ter linkerzijde.

Ondertussen nam de nood onder ouderen jaar op jaar toe. In de jaren vijftig moest de regering met iets over de brug komen. „Vooral na de bevrijding is wegens de waardedaling van het geld de behoefte aan een uitbreiding en verbetering van de oudedagsvoorziening sterk gevoeld”, zo opende de antirevolutionair Stapelkamp op 15 maart 1956 het debat over het wetsvoorstel van minister Suurhoff (PvdA) van sociale zaken en volksgezondheid.

De AOW was namelijk niet de eerste oudedagsvoorziening in Nederland. De voorganger, de Invaliditeitswet – in de eerste decennia van de 20ste eeuw werd ouderdom onder invaliditeit gerangschikt – bestond sinds 1919. Minister Talma van de ARP diende die in. Arbeiders in loondienst waren door die wet verzekerd van een zeer karig basispensioen. Voor zelfstandigen was er de ouderdomswet, waardoor zij zich vrijwillig konden verzekeren voor een basispensioen gelijk aan dat van de invaliditeitswet.

Voor- en tegenstanders van een staatspensioen bevochten elkaar op leven en dood. Moest het een voorziening zijn waar men zelf voor spaart tijdens z’n werkzame leven, of moest het een basisrecht worden? De liberalen en de sociaal-democraten zagen een volledig pensioen voor iedereen, zonder verband tussen premie en uitkering, en op te brengen uit belastingmiddelen als ideaal. Lijnrecht daar tegenover stonden de confessionele partijen, die een veel rechtstreekser verband tussen betaalde premie en uiteindelijke uitkering bepleitten. Dit om de eigen verantwoordelijkheid tot uitdrukking te brengen.

Talma’s wet uit 1919 was, uiteraard gezien zijn politieke achtergrond, gebaseerd op de verzekeringsgedachte. Alleen voor zeventig-jarigen, de pensioengerechtigde leeftijd in 1919, kreeg de invaliditeitswet een staatspensioen-achtig trekje. Mensen van die leeftijd hadden immers geen gelegenheid gehad via premies een pensioen op te bouwen en kregen een door de staat gefinancierde uitkering. Voor het overige moesten de confessionelen niets hebben van alles wat ook maar naar een staatspensioen riekte. „Dat is een stelsel der wanhoop, want, hoe men het ook keren of wenden moge, welke schone namen men aan de Staatspensionering ook geven moge, het is en blijft een stelsel van armenzorg en van bedeling”, stelde de toenmalige fractievoorzitter van de Rooms-Katholieke Staatspartij Nolens die het hartgrondig met Talma eens was.

De uitkering voldeed uiteindelijk niet meer. Zelfstandigen hadden de keuze of ze eraan mee wilden doen of niet. Dat was voor de confessionele partijen een groot bezwaar. Bovendien, de uitkering was vanaf het begin al laag en, anders dan de latere AOW zou zijn, niet waardevast. Enig verband met stijgende lonen en prijzen was er niet. De uitkering was na al die jaren uitgehold.

In 1947 werd Talma’s geesteskind vervangen door de Noodwet-Drees. De armoede onder ouderen was zo groot dat er iets moest gebeuren. Vrijwel alle mannelijke en ongehuwde vrouwen in Nederland boven de 65 jaar kregen een premievrij pensioen.

De uitkeringen werden betaald uit de belastingopbrengsten. Een staatspensioen dus. Gezien de ten hemel schreiende situatie van ouderen, durfden politici daar even geen principiële bezwaren over te opperen.

De doorbraak kwam door een advies van de toen nog piepjonge Sociaal-Economische Raad. De Ser pleitte ervoor om de vete over een staatspensioen versus verzekering te beslechten door een verplichte volksverzekering in te voeren.

Die moest de Noodwet-Drees definitief vervangen. Die rol is de Ser altijd blijven spelen: recentelijk gaf een Ser-advies ook de doorslag in de slepende discussies over de WAO en het nieuwe ziektenkostenstelsel.

De verplichte volksverzekering had van beide stelsels iets. Alle werkenden zouden een premie betalen, zoals bij een verzekering. Maar er was geen verband tussen die premie en de latere uitkering. De premie-opbrengst gaat bij de AOW immers naar de uitkeringen voor mensen die inmiddels ouder dan 65 zijn.

De voorstanders van het staatspensioen konden tevreden zijn over het feit dat iedere Nederlander, ongeacht inkomen of bezit, eenzelfde uitkering zou krijgen. 1338 gulden voor een echtpaar (niet-gehuwde partners werden in de jaren vijftig nog niet erkend) en 804 gulden voor een alleenstaande.

Om deze bedragen in perspectief te zetten: een gemiddeld inkomen destijds schommelde tussen 3000 en 4000 gulden.

De voorstanders van het staatspensioen kregen ook symbolisch hun zin. Aanvankelijk was het wetsvoorstel bij de Kamer ingediend onder de naam Wet Algemene Ouderdomsverzekering. Nog tijdens de kamerbehandeling werd de naam veranderd in Algemene Ouderdoms- wet.

Het grote compromis was daarmee geboren. Suurhoff nam het Ser-advies gretig over en de behandeling van het wetsvoorstel in de Kamer was, gezien het belang van de AOW en de jarenlange strijd die er aan voorafging, zeer mager. Geen principiële beschouwingen, geen politiek vuurwerk.

Geraadpleegde bronnen:

Het kabinet Drees III, Centrum voor parlementaire geschiedenis, Katholieke Universiteit Nijmegen.

Vijfendertig jaar Ser-adviezen, W. Dercksen. P. Fortuyn en T. Jaspers

Handelingen Tweede Kamer der Staten-Generaal, zitting 1955-1956.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden