Vijfentwintig levens voor een Rembrandt

In ruil voor een Rembrandt mochten David Cohen en zijn Joodse familie Nederland ontvluchten in de Tweede Wereldoorlog. Uit schuldgevoel zweeg hij jarenlang over zijn onbezorgde oorlogsjaren in het Caribisch gebied.

David Cohen dankt zijn leven aan een schilderij van Rembrandt. Overigens niet als enige. Op het moment dat in Nederland de razzia's op Joden in volle gang waren, slaagde zijn ooms Nathan en Benjamin Katz erin om een schilderij van Rembrandt bij de nazi's te ruilen voor 25 uitreisvisa voor familieleden. Pas nu, ruim zeventig jaar later, kan David Cohen over die gebeurtenis vertellen.

Het verhaal gaat over hoe hij als tienjarig jongetje die krankzinnige reis in een geblindeerde trein richting Spanje beleefde, en over de angst dat de ruil op het allerlaatste moment toch zou spaak lopen. Lang worstelde Cohen met een dubbel schuldgevoel: hij overleefde niet alleen de Holocaust, maar in plaats van de verschrikkingen van het onderduiken of een concentratiekamp, leidde hij op de Cariben een luxeleven.

Het boek dat onlangs over zijn leven verscheen, 'Eén Rembrandt voor vijfentwintig levens', is opgedragen aan zijn twee ooms. Zij dreven in de Gelderse plaats Dieren de Kunsthandel Katz, die rond 1900 door hun vader David was begonnen. Wat ooit een bescheiden winkeltje was, bouwden de twee broers uit tot een bloeiende handel waarin zij zich vooral toelegden op zeventiende- en achttiende-eeuwse meesters. Exposities in de Spoorstraat bevatten werken van Rembrandt, Frans Hals, Van Goyen, Rubens, Ruysdael en Van Ostayen.

De firma had een koninklijke onderscheiding en opende filialen in Bazel en New York, en op 1 mei 1940, ruim een week voor de Duitse inval, ook een in Den Haag. In de laatste jaren voor de Tweede Wereldoorlog bloeide de kunsthandel, vooral dankzij de Oosterburen. Duitsers waren fanatieke verzamelaars en de verzamelzucht nam na het uitbreken van de oorlog alleen maar toe. De firma Katz liet zich daarbij niet onbetuigd. De broers deden ook tijdens de oorlog zaken met mannen die nauwe banden onderhielden met de nazitop, wat hen na 1945 zeer kwalijk werd genomen.

David was de zoon van Mina Cohen-Katz, de jongste zus van de twee kunsthandelaren. Vader Cohen werkte bij de firma en het gezin woonde ook in Dieren. David merkte voor het eerst dat er iets was veranderd, toen hij in februari 1942 niet meer naar school mocht. Later kwamen de razzia's steeds dichterbij en moest het gezin onderduiken bij een dominee. Oom Nathan was met zijn gezin Nederland toen al ontvlucht en vanuit Bazel regelde hij de uitreisvisa voor zijn andere familieleden.

Hoe de ene oom contact onderhield met de andere oom, weet David Cohen niet. Later werd duidelijk dat rijksminister Hermann Göring zijn Führer een cadeau wilde geven dat was bestemd voor Hitlers zogeheten heldengalerij in het Oostenrijkse Linz. De Duitsers bleken bereid om 25 uitreisvisa te ruilen voor Rembrandts 'Portret van een man, lid van het geslacht Raman'. Hoe de onderhandelingen zijn verlopen, is nog een raadsel.

Onbekende bestemming
Cohen ziet zichzelf nog zwijgend de auto instappen die hem, zijn ouders en broer en zusje naar Amsterdam zou brengen. "Ik voelde dat dit geen vakantiereisje was. Dit keer zouden we ver van huis gaan en misschien nooit meer terugkomen", zegt hij. Er werd geen woord gesproken. "Maar de vragen spookten door mijn hoofd. Waar gingen we naartoe? Mijn ouders hadden er geen idee van. Oom Bij (Benjamin) had alles geregeld."

In Amsterdam verbleef de familie twee nachten in een hotel en vertrok vroeg in de morgen naar het Centraal Station. Daar stond een trein klaar met twee voor hen gereserveerde coupés. "De reis die daar begon, was een nachtmerrie", zegt Cohen. De ramen waren geblindeerd en alleen oom Bij wist wat de eindbestemming was. "Hij stond in nauw contact met hoge SS'ers die wij in het gangpad af en toe voorbij zagen lopen. Mijn ouders en onze andere familieleden zaten met gespannen gezichten voor zich uit te staren." Hij ziet nog voor zich die zwart gepoetste laarzen met daarboven de zware grijzen jassen van de SS, waarvan een enorme dreiging uitging.

Het enige wat in die pikdonkere trein geruststellend was, was de beleefde behandeling van oom Bij door de Duitse officieren. "Speelden zij een dubbelhartig spel met ons, of konden wij daaruit opmaken dat we voor een donker onheil behoed bleven?" Volgens Cohen bleek uit alles dat zij een voorkeursbehandeling kregen.

In Parijs moest de familie overstappen en bleek dat er twee hoge gasten aan boord waren: de oorlogsmisdadigers Aus der Fünten en Willy Lages. Cohen heeft nooit hun aanwezigheid kunnen verklaren. Bij de Spaanse grens gingen de sterren van de kleding af en volgde een onbegrijpelijk verzoek. Of de familie met Aus der Fünten en Lages wilden poseren voor de militaire fotograaf. De foto genomen op 21 oktober 1942 is in geen enkel archief teruggevonden.

Daarna ging de reis verder naar Bilbao en vandaar naar het havenplaatsje Vigo waar een passagiersboot lag die hen naar Jamaica zou brengen. Ook die reis was niet ongevaarlijk vanwege Duitse torpedobootjagers. Op Jamaica werd de familie in een interneringskamp opgevangen.

David Cohen onderging het leven op het eiland als een grote roes. "Ik hield van het tropische klimaat. Je zou kunnen zeggen dat de lente mijn leven was binnengekomen. De oorlogsgeluiden waren weggestorven en muziek kwam daarvoor in de plaats. Dat onbezorgde gevoel verdween niet toen we later op Curaçao terechtkwamen. Integendeel. Ik bewaar aan die tijd mijn beste herinneringen."

Eind 1945 meldde de familie zich weer in Dieren. Het dorp had niet verwacht dat de Cohens nog zouden terugkeren. Inmiddels was bekend wat er met Joden in de oorlogsjaren was gebeurd. Het huis was geconfisqueerd en niet meteen beschikbaar. "Daar stond ik dan. Weldoorvoed, gezonde kleur op mijn gelaat en mooie kleren aan mijn lijf, terwijl mensen om mij heen de sporen van de Hongerwinter droegen."

Steven Spielberg
Hoewel David op de mulo niet vervelend werd behandeld, vond hij het op school verschrikkelijk. Het ontheemde gevoel verdween niet en bovendien overleed zijn vader in 1948 aan een ernstige ziekte. Over de vlucht naar het vrije westen werd halsstarrig gezwegen. Het verleden werd verdrongen.

"Ik zat vol met schuldgevoel en schaamte. Ik worstelde niet alleen met de vraag waarom ik de Holocaust had overleefd, maar ook over de manier waarop. Ik was er zonder trauma's doorgerold. Ik wist dat ik de verschrikkingen van een kamp niet zou hebben overleefd. Heel veel andere Joden konden vertellen over het onderduiken of over de vernietigingskampen. Over mijn eigen geschiedenis zweeg ik het liefst. Op directe vragen gaf ik ontwijkende antwoorden. Zelfs aan mijn eigen kinderen durfde ik het aanvankelijk niet te vertellen."

Dat veranderde pas nadat hij had meegewerkt aan het video-project van filmmaker Steven Spielberg in 1994, waarbij Joden vertelden hoe zij de oorlog hadden overleefd. Pas toen doorbrak hij het grote zwijgen en gaf hij aan zijn kinderen openheid van zaken. Zijn vrouw Steffi hoefde hij niets te vertellen. Zij ontliep vervolging doordat de Duitser Hans Calmeyer haar niet-Joods verklaarde, waardoor zij in hetzelfde schuitje als haar man had gezeten.

Het originele schilderij van Rembrandt waaraan hij zijn leven dankt, heeft hij nog nooit gezien. Na de oorlog is het meteen teruggegaan naar oom Nathan in Bazel. Na lange omzwervingen - het hing ook enkele jaren in een Wassenaarse villa - is het terechtgekomen in het County Museum of Art in Los Angeles.

Na de oorlog is Benjamin Katz aangehouden op verdenking van fraude en collaboratie. Uiteindelijk is de zaak geseponeerd en kwam hij op vrije voeten. Vlak voor zijn dood is hij gerehabiliteerd, maar de slechte naam bleef. Zo noemde wijlen Jacques van Doorn de broeders Katz in zijn column in Trouw 'ordinaire collaborateurs' die een aanslag hadden gepleegd op Nederlands kunstbezit. Vervolgens barstte er in 2007 opnieuw een bom doordat erfgenamen van Nathan Katz een nieuwe claim indienden bij de Nederlandse staat en 227 schilderijen terugeisten.

"Spijtig", zegt David Cohen, dat de erven van zijn grootvader ruziën over de schilderijen. Al snel bleek dat menig teruggeëist schilderij al voor de oorlog door de gebroeders Katz was verkocht. "Ik wil daar niet al te veel meer over zeggen. Het is gênant. Ik ervaar zo'n claim als een smet op mijn levensverhaal. Het schilderij van Rembrandt heeft mijn leven gered."

Het boek 'Eén Rembrandt voor vijfentwintig levens' is verschenen bij uitgeverij Aspekt.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden