Vijfeneenhalf is voldoende

Leerlingen weten tot op het tiende punt wat ze moeten halen op het eindexamen. Het doel: een 5,5. Hoe ontstaat die vijfjescultuur – en wat doe je eraan?

Vier vijven staat ze nu, halverwege 5-vwo. Roos Paris (16), leerling op het Isendoorn College in Warnsveld, ligt er niet wakker van. „Ik moet gewoon een paar zevens halen, dan sta ik weer net voldoende.” Veel meer moeite om haar cijfers op te halen gaat ze niet doen, zegt Roos. „Waarom zou ik, als ik toch overga? Het is hartstikke veel werk: die tijd besteed ik liever aan dingen buiten school.” Gitaarspelen, sporten, dat soort dingen. „En nu ook uitgaan, dat kost best veel energie.”

Ze is niet de enige. Volgens Roos staat de helft van 5-vwo op zittenblijven. Dat komt gedeeltelijk doordat de stof moeilijker is dan gedacht. „Maar het maakt eigenlijk ook niet uit of je nu je examen haalt met een 6 of 9 gemiddeld”, zeggen Roos’ klasgenoten Annelie de Graaf (16) en Angela Menger (18). „Behalve als je geneeskunde wilt gaan studeren, dan letten ze op je cijferlijst.” En geneeskunde wordt het toch niet voor de drie.

Uiteindelijk zullen de meeste 5-vwo'ers op het Isendoorn heus wel overgaan en volgend jaar slagen, met behoorlijke cijfers; de school scoort een voldoende in de Schoolprestaties. In 2009 haalden de geslaagden op één vak lager dan een zes.

Maar op 20 procent van de scholen is het ernstiger gesteld: daar halen de geslaagde leerlingen op het eindexamen voor drie of meer vakken niet hoger dan een zes. Terwijl leerlingen officieel maar twee onvoldoendes mogen halen; anders zakken ze.

De meeste leerlingen worden gered door twee dingen. Ten eerste de schoolpraktijk, waarin een 5,5 wordt afgerond naar een 6. Ten tweede de schoolexamens, door de school verzorgde examens die voor de helft meetellen. Zo is het mogelijk dat een leerling die een onvoldoende op het centraal schriftelijk haalt, alsnog slaagt.

Toch moeten scholen met een onvoldoende op de Schoolprestaties zich nog eens flink achter de oren krabben, zegt onderzoeker Stan van Alphen. „Er moet iets heel drastisch aan de hand zijn, wil het gemiddelde van een heel examenjaar zo laag liggen.” De vraag is, zegt Van Alphen, of de leerlingen wel met voldoende kennis van school af komen.

Volgens Wim van de Grift, hoogleraar onderwijskunde en hoofd van de lerarenopleiding aan de Rijksuniversiteit Groningen, valt dat laatste wel mee. Hij kijkt liever naar de vorige week verschenen Pisa-cijfers, een internationaal onderzoek naar prestaties bij taal, rekenen en natuurwetenschappen, om het niveau van de Nederlandse leerling te bepalen. Wat blijkt? Nederland heeft in vergelijking met de omringende landen weinig laag scorende leerlingen, en best veel goed scorende.

Maar, zegt Van de Grift, dat wil niet zeggen dat de leerlingen op de middelbare school in Nederland allemaal het uiterste uit zichzelf halen. „Als we net zo goed willen scoren als de landen in Zuid-Oost Azië, moeten we onze vwo-leerlingen tot topprestaties brengen.” Een van de dingen die dat streven in de weg staat, zegt hij, is de calculerende leerling, die een 5,5 meer dan voldoende vindt.

Rector Erwin Lutteke van het Isendoorn College herkent dat beeld wel. „Scholieren berekenen tot op de tiende achter de komma nauwkeurig wat ze moeten halen om over te gaan, of om te slagen voor het eindexamen.”

Nu is het natuurlijk niet zo dat elke 6 het gevolg is van laks gedrag van leerlingen, benadrukt Lutteke. „Maar er is een groeiende groep onderpresteerders, die wel tevreden is met met een klein zesje”, zegt hij.

Dat calculerend gedrag van leerlingen is niet zo vreemd: we leren het ze zelf aan, zegt Toon van der Ven, voorzitter van de Vereniging van Leraren in Levende Talen (VLLT). „Vanaf de eerste klas rekenen de mentor en de ouders een leerling voor wat hij moet halen om over te gaan naar het volgende jaar. We zijn doorgeschoten in die miezerige cijfertjescultuur. We kijken niet, zoals op de basisschool, naar het geheel: hoort deze leerling wel thuis in havo 2?”

Gek eigenlijk, bedenken de leerlingen van 5-vwo. Want toen ze de middelbare school binnenkwamen, wilden ze best hard leren. Alles was uitdagend. En, zegt Roos: „Ik moest me ook meer bewijzen, naar mijn ouders toe.” Dat veranderde in de tweede en derde klas. „Dan ben je een streber als je hard leert. En laat je je minder onder druk zetten door je ouders.”

De vwo'ers doen nu vooral hun best als het duidelijk is wat ze aan de stof hebben. Annelie: „Ik wil psychologie gaan doen, en daar heb je statistiek voor nodig. Ik doe nu dus veel aan wiskunde.” Roos, die iets met sociologie wil doen, werkt hard voor maatschappijwetenschappen.

Vwo'ers kijken naar de lange termijn, en zijn geboeid door de stof. Op de havo en het vmbo is dat anders, zegt Lutteke. „Daar werken leerlingen hard vanwege de leraar. Hebben ze daar een goede band mee, dan willen ze wel.” De centrale vraag is, zegt Lutteke: hoe motiveer je leerlingen iets te doen waar ze niet direct het nut van inzien?

Dat blijft lastig, zegt hoogleraar Van de Grift. Volgens hem draait het om de passie van de leraar. „Als die met vonken in zijn ogen een verhaal vertelt, neemt hij de leerlingen wel mee.”

Daarnaast is het belangrijk om kortetermijndoelen te stellen, zegt Van de Grift. „Vertel je leerlingen wat ze aan het eind van de les moeten weten, dan behaal je enorme winst.”

Dat proberen ze op het Isendoorn ook te doen. Maar in de hoogste klassen, waar leerlingen zelf moeten plannen, is dat niet altijd even makkelijk. Een ander kenmerk van de bovenbouw van de middelbare school noopt ook niet tot hard werken: leerlingen hebben een breed vakkenpakket. „Ook al kiezen ze een profiel, er zitten altijd vakken bij die ze minder interesseren”, zegt Lutteke.

Dat blijkt maar weer bij 5-havo, dat Nederlands heeft. De klas moet eigenlijk een discussie voorbereiden die de leerlingen in de volgende les moeten voeren. Gediscussieerd wordt er wel, maar niet over de opdracht van volgende week. „Nu zitten we bij elkaar, dus kunnen we bijpraten”, legt Mara van Bel opgewekt uit aan juf Jacqueline Buhler. „In het weekend hebben we rustig de tijd, dan kunnen we beter aan die opdracht werken.” Buhler: „Jullie zijn 5-havo, het is jullie eigen verantwoordelijkheid.”

Hoe je ook je best doet, zegt Buhler, leerlingen vinden sommige onderwerpen gewoon saai. Ze pakt een bundel met Nederlandse poëzie van haar bureau, die de leerlingen moeten analyseren. „Dan vragen ze: waarom moet ik weten wat een litotes is? Ik probeer uit te leggen dat ze er teksten beter door begrijpen. En ik laat een stukje van cabaretier Jochem Myjer zien, als die een stijlfiguur gebruikt. Dat pakt ze al meer dan een gedicht van J.C. Bloem. Maar uiteindelijk doen ze het omdat het nu eenmaal moet.”

Buhler snapt de leerlingen ook wel. „Er is zoveel interessants buiten school; dat is ook de magie van de puberteit. De vraag is: is het erg, die berekenende cultuur? Is het erg dat ze niet weten wie Vasalis is? Ik vind het jammer, maar ik denk dat het vooral naar is voor de docenten die hun ziel en zaligheid in hun vak leggen.”

Uiteindelijk, denkt Buhler, gaat het niet alleen om die prestaties. „De leerlingen worden hier klaargestoomd voor het leven. En dan kun je beter de middelbare school verlaten met een 5,5 terwijl je een fantastische tijd had, dan dat je allemaal achten hebt maar elke dag met buikpijn naar school ging.”

Dat mag zo zijn, maar een paar uitschieters moeten er bij elke leerling wel bij zitten, vindt rector Lutteke. „Bij een leerling die alleen maar zessen heeft is er niet uitgehaald wat er in zit.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden