Vijf kilo goud voor Soeharto

Het christendom in Indonesië: dat zijn formeel de protestantse kerken. Onder Soeharto werkten ze gretig samen met het regime. Nu moeten ze zich op hun positie beraden. Adriaan Breukelaar, dominee, bezocht ze in het kader van een studieverlof.

De christenen hebben hun ziel aan de duivel verkocht.'' Martin Sinaga, docent islamologie aan de theologische hogeschool te Jakarta (STT), bekent onomwonden schuld. Hij doelt op de meeste protestantse christenen in Indonesië die zich op de een of andere manier met het Soeharto-regime hebben ingelaten.

We zijn te gast in het STT. Met negen andere predikanten van de Hervormde en Gereformeerde Kerken besteed ik een studieverlof aan de situatie van de christenen in Indonesië. Vier weken lang trekken we langs kerkelijke instituten, gemeenten en gemeenteleden op Java en Sumatra, om kennis te maken met hun leven en werk in deze turbulente tijden.

Sinaga houdt een inleiding over de hedendaagse crisis. Hij stelt dat christenen mede verantwoordelijk zijn voor de economische, sociale en politieke crisis die Indonesië ondergaat. Als symbool van hun houding noemt hij het geschenk van vijf kilo goud dat de Indonesische Gemeenschap van Kerken (PGI) in 1997 als bewijs van loyaliteit aan Soeharto heeft gegeven. Het was de tijd dat Soeharto zwaar onder het vuur van de studentenprotesten lag.

Ons bezoek aan het bestuur van de PGI verandert weinig aan het beeld, dat de top van de Indonesische kerk zich op zijn zachtst gezegd weinig kritisch opstelt tegenover de centrale overheid.

De club bestaat uit een aantal oude mannen, die in Soeharto's tijd al presideerden en dus voor hem acceptabel waren. Habibies presidentschap stellen zij niet ter discussie, hoe ondemocratisch diens benoeming ook was.

Geen spoor ook van wezenlijke kritiek op de KKN, de methodiek van 'Kollusi (legermacht), Korrupsi en Nepotisme', waarmee het land wordt bestuurd en die de Indonesische samenleving tot in de verste uithoeken heeft vergiftigd. Geen enkele duidelijke visie ook op de toekomst van Indonesië.

Wel zegt de PGI voor Reformasi te zijn, maar wie is dat niet, als dat begrip zo is opgerekt dat zelfs Habibie voor is? Voor de rest meent men dat de kerk zich niet op het vlak van politieke actie dient te begeven, en gaat men voort met het politiek ongevaarlijke bedrijf van pastorale brieven schrijven en geestelijke adviezen geven.

De terughoudendheid van de PGI is verklaarbaar, behalve uit Javaanse omgangsvormen, uit het feit dat zij met handen en voeten gebonden is aan de centrale overheid. De PGI heeft een zetel in het door de president ingestelde staatsorgaan voor de godsdienst, waarin vertegenwoordigers van de vijf wettelijk toegestane godsdiensten zitting hebben (te weten: islam, hindoeïsme, boeddhisme, christendom, waarmee de protestantse variant wordt aangeduid, en katholicisme). Hierdoor heeft zij haar onafhankelijkheid verloren en behoort zij tot de instrumenten waarmee de president de bevolking onder controle houdt.

Sinaga heeft dus een sterk argument voor zijn constatering dat de christenen medeschuldig zijn aan de crisis. De PGI overkoepelt maar liefst 74 protestantse kerken, die samen grofweg tien miljoen protestanten tellen. Deze christenen bezetten door hun vanouds superieure scholing een onevenredig groot deel van de invloedrijke posities in de samenleving.

De Chinese Indonesiërs, bijvoorbeeld, zo'n zes miljoen, zijn grotendeels christen. Na het verbod op het communisme en het decreet dat alle Indonesiër een wettelijk erkende godsdienst moeten aanhangen, hebben vele Chinezen gekozen voor de kerk. Als christen hebben zij een betere opleiding gehad dan de islamitische meerderheid van de bevolking. Omdat zij uitgesloten zijn van openbare functies, hebben zij die voorsprong verzilverd in de handel en behoren nu tot de nieuwe rijken. Zij hebben het hunne bijgedragen aan de middelen waarmee de Nieuwe Orde van Soeharto werd bekostigd. Judaspenningen, zegt men nu op de STT.

Ook de Batak op Sumatra, van wie zo'n twee miljoen behoren tot de grootste protestantse kerk in Indonesië, hebben het hunne bijgedragen. Zij hebben een relatief groot aandeel in het bestuur, de administratie en de politiek van de staat. Hoewel de veertien miljoen protestantse christenen samen 6,5 procent van de Indonesische bevolking uitmaken, was naar schatting zeventien procent van het vorige parlement christen.

Het is dus niet verwonderlijk dat de ideologie van de Indonesische eenheidsstaat onder christenen breed gedeeld wordt. Het is vaak in hun eigen economische en politieke belang, dat de eenheid wordt bewaard, ook al is dat feitelijk slechts mogelijk door het gebruik van geweld door een repressieve overheid.

Toch is met Sinaga's schuldbelijdenis niet alles gezegd. De christenen blijken in hun politieke keuzes meer divers. Voordat Soeharto terugtrad waren er onder hen al scherpe critici van het regime.

De vakbondsleider Muchtar Pakpahan, die onlangs met een eigen arbeiderspartij meedeed aan de verkiezingen, is wel de bekendste exponent. Maar ook zijn zoon, Binsar, student aan de STT-Jakarta, leverde als een van de veldcoördinatoren van de studentenprotesten zijn bijdrage aan de verwezenlijking van de visioenen van zijn vader.

De docenten van de STT zijn er trots op dat hij en zijn medestudenten vanaf het begin actief zijn geweest in de protesten. Hun studenten deden als enigen mee van alle ongeveer veertig theologische opleidingen in de hoofdstad.

Aan tafel bij de familie Pakpahan blijkt hun hoop op een betere samenleving zo sterk, dat wij er als vanzelf in gaan geloven. Het terugtreden van Soeharto vierden zij als hun overwinning.

Hun vreugde daarover verwoorden zij in gepassioneerde kritiek op het oude en huidige regime. Met krachtige streken schetsen zij hun toekomstbeeld: democratie op grond van de mensenrechten, berechting van Soeharto en zijn clan en confiscatie van hun bezittingen, bestrijding van de armoede, het afstaan van één procent van de bedrijfswinsten aan de ontwikkeling van de regio, overheveling van zeventig procent van de staatsuitgaven naar de regionale overheden, verhoging van de salarissen van de ambtenaren om de corruptie tegen te gaan.

Dromen van een betere samenleving doen vrijwel alle christenen die wij hier ontmoeten. Het zal een samenleving zijn zonder KKN, waar de welvaart rechtvaardig is verdeeld, een werkelijke democratie heerst waarbij de mensenrechten worden gekend en gerespecteerd, en waarin christenen met islamieten samenwerken en vreedzaam samenleven. Wat het laatste betreft hebben christenen en islamieten in Indonesië het grote voordeel, dat zij hun God onder dezelfde naam aanbidden: Allah.

Voorlopig is echter van die gedroomde werkelijkheid nauwelijks een concreet voorteken te zien. Naast de armoede en de corruptie die vrijwel alle Indonesiërs ondervinden, gaan christenen nog extra gebukt onder toenemende intolerantie en discriminatie van islamitische zijde. Indonesië is het grootste islamitische land ter wereld, waar 85 procent van de bevolking (210 miljoen) moslim is. De mate waarin christenen gediscrimineerd worden verschilt regionaal. Het type islam dat de moslims aanhangen en de getalsverhouding tussen christenen en moslims spelen daarbij een rol.

Zo zijn de Toba-Batak rond het Toba-meer in Sumatra voor 95 procent christen en hebben alleen te maken met de legale discriminatie door de staat, zoals de afwijzing van bouwsubsidies voor kerken, de ophoping van eisen voor een bouwvergunning, het weren van christelijke onderwijzers uit de staatsscholen.

De christelijke minderheid onder de Angkola-Batak in Zuid-Tapanuli, daarentegen, wordt dagelijks geconfronteerd met onderhuidse en soms openlijke achterstelling en pesterijen. De moslims daar hangen de Moehammadiya aan, een grote en vrij agressieve islamitische emancipatiebeweging.

Toen ik in een doordeweekse dienst bij een gemeentelid van de Angkola-kerk thuis voorging, identificeerden de aanwezigen zich met de leerlingen die Jezus als 'schapen onder de wolven' zond. Voor de Angkola-christenen is het volstrekt duidelijk wie de wolven zijn. Een man vertelde hoe hij op zijn kantoor langzaam naar beneden gewerkt en uiteindelijk ontslagen was, hoewel hij zijn werk beter en sneller deed dan zijn islamitische collega's.

Een onderwijzeres vertelde hoe zij verstoken bleef van de bonussen die onderwijzers krijgen voor bepaalde lessen. De jongeren, die daar in groten getale aanwezig waren, voelen zich verraden door hun moslimvrienden. Thuis en onder vier ogen lijken die betrouwbaar, maar eenmaal onder elkaar en in het openbaar vallen zij hun christenvriend af. Op de vraag of zij mogelijkheden zien om die situatie te verbeteren, kregen wij als antwoord, dat alle pogingen tot gesprek of samenwerking worden afgewezen. Deze islamieten worden opgevoed in christenhaat.

Na afloop van de dienst merkten we de spanning aan den lijve op straat. Duidelijk herkenbaar aan zondagspak en bijbel en liedboek in de hand, hoorden wij allerlei scheldwoorden en verwensingen vanuit het duister. Ik vrees dat door ons bezoek de spanning is toegenomen. In hun verdrukking, maar ook in hun zelfbewustzijn, overtuiging en volharding doen deze moedige mensen denken aan de vroege christenen. Vanuit hun open woningen draagt hun zingen met volle sterkte tot in het zesde en zevende huis van hun islamitische buren.

Armoede, corruptie en spanningen tussen godsdiensten en ook stammen vormen de werkelijkheid waarin de christenen leven. Een betere samenleving is nog lang niet in zicht.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden