Vijf keer bijna sterven

Zestig jaar geleden stierf George Orwell op de manier die hij altijd gevreesd had. Daniël Rovers beschrijft vijf eerdere momenten in het leven van de schrijver waarin de dood zeer nabij was.

Veel geheimen had de dood niet meer voor George Orwell, toen hij op 21 januari 1950 zijn laatste adem uitblies. Zesenveertig jaar oud was hij. Tijdens zijn leven had hij van nabij anderen een voortijdige dood zien sterven, en zelf was hij een aantal keer aan dat lot ontsnapt.

Van Orwell is gezegd dat hij het gevaar welbewust opzocht, om zichzelf te testen, zoals kostschooljongens dat plegen te doen. Dat zou verklaren waarom hij na Eton – lezend verspilde hij een studiebeurs – in Birma diende als officier in het koloniale leger, in Londen en Parijs in de goot leerde leven, en in de Spaanse Burgeroorlog granaten wierp naar Franco’s fascisten.

Ook is van hem gezegd dat hij gewoonweg suïcidaal was – een stelling die evengoed in haar tegendeel kan worden omgezet. Omdat Orwell steeds opnieuw wilde ervaren dat hij leefde, moest hij telkens weer ontsnappen aan het mogelijke einde.

Orwell leefde in een tijd die allang niet meer de onze is. Zijn openhartigheid kan nu preuts lijken, zijn antikolonialisme komt inmiddels paternalistisch over. Om maar te zwijgen van die wel zeer oneigentijdse eigenschap: moed. Wie doet het Orwell nog na, afreizen naar een stoffig, oncomfortabel buitenland om daar met het repeteergeweer een staatsgreep te voorkomen?

Moulmein, Birma, 1925

Een olifant is in razernij ontstoken, dorpsbewoners roepen de verantwoordelijke officier van de Indian Imperial Police. Dat is Eric A. Blair, tegenwoordig beter bekend onder zijn pseudoniem George Orwell. De olifant heeft danig huisgehouden. Een hut is verwoest, een koe verminkt, een fruitstalletje geplet en een boer doodgetrapt. Orwell gaat op verkenning uit en ziet een man liggen in de modder, zijn armen als Christus gespreid, de huid van zijn rug geschuurd door het geweld van de olifantenpoot. Zijn gezicht is één grijns van ondraaglijke pijn. De dood heeft het gezicht van de duivel, zal Orwell later schrijven in ’Shooting an Elephant’.

De dader wordt snel gelokaliseerd, en Orwell gaat erop af met een geleend olifantengeweer. Zodra hij het beest ziet weet hij dat doodschieten niet meer nodig is; het heeft de voor olifanten zo typische ’grootmoederachtige kalmte’ over zich. Maar nietsdoen is geen optie. De dorpelingen verwachten actie van de lange Engelsman met het grote geweer. Als Orwell nu niet optreedt, dan verliest hij zijn gezicht. De koloniale macht is gebaseerd op een aura van onfeilbaarheid. En dus gaat hij door zijn knieën en legt aan. Als hij het eerste schot lost, klinkt er gejuich op uit de massa. De olifant is geraakt, maar stort niet ter aarde, en dat doet hij ook niet bij het tweede, derde, vierde en vijfde schot. Evenmin wordt het beest uit zijn lijden verlost door de schoten die Orwell met zijn reguliere wapen lost in de bek en het hart van de olifant. Het beest ligt daar maar te creperen – tot de schutter het niet meer kan aanzien en vertrekt.

In dezelfde periode is Orwell een aantal maal de officiële getuige bij een terechtstelling. Als hij op een keer ziet hoe de ter dood veroordeelde de moeite neemt om, op weg naar de galg, een modderplas te ontwijken, beseft hij pas hoe wreed de doodstraf is. Tijdens het beulswerk, waarbij het slachtoffer hardop en hijgend blijft bidden, kan Orwell maar aan één ding denken: maak er snel een eind aan, breng hem snel ter dood, stop dat vreselijke geluid. Na afloop wisselen de aanwezigen anekdotes uit, giechelen als op een schoolplein. Het is de overtreffende trap van leedvermaak: de neiging om het eigen bestaan te vieren als je van voldoende afstand getuige bent geweest van het definitieve einde van een ander.

Hôpital Cochin, Parijs, 1929.

Met bijna veertig graden koorts wankelt Orwell Hôpital Cochin binnen. Eerst moet hij een lange vragenlijst invullen, vervolgens wordt hij na het verplichte bad in een nachthemd de binnenplaats opgestuurd, op blote voeten de winterse kou in naar de ziekenzaal. Slippers krijgt hij niet mee, die zijn er niet in zijn maat. Het ruikt er zoetig en naar stront, er staan drie rijen bedden.

Orwell ziet hoe tegenover hem een dokter en zijn assistent een serie kleine glazen verhitten, die ze op de naakte rug en borst van een patiënt zetten, waardoor er prompt enorme blaren ontstaan. Voor hij beseft wat er gebeurt, staat de dokter met dezelfde, nog niet gedesinfecteerde glazen aan zijn bed. Ondanks zijn zwakke protest krijgt de Engelse patiënt ze ook op zijn lichaam gezet.

Orwell brengt zijn dagen voornamelijk door met het observeren van zijn medepatiënten. Een aantal van hen komt te overlijden. Als het zover is, geeft de man in het bed naast Orwell telkens een vast teken. Hij steekt zijn handen in de lucht, maakt een fluitend geluid en roept het betreffende nummer door de zaal. Zo ook bij patiënt nummer 57, een man die sterft aan levercirrose. Een natuurlijke, zogenaamd zachte dood, bedenkt Orwell in ’How the Poor Die’, is even verschrikkelijk als afgeslacht worden in een bloedige oorlog. Misschien is dat laatste lot zelfs te prefereren: niet te oud sterven, in de hitte van het gevecht, in één klap. Over twintig, dertig of veertig jaar, zo weet hij, zal het voor hem ook voorbij zijn. En hij mag hopen dat het niet zal gebeuren in een ziekenzaal, eenzaam wegzakken in de eeuwigheid.

Wigan, Engeland, 1936

Afdalen in een mijnschacht is afdalen in de hel. De hitte, de herrie, de duisternis, de stank, de krappe ruimte – alleen een verschroeiend vuur ontbreekt. Orwell kan amper voor zich uitkijken, zo dik is de kolendamp. Links en rechts van hem bevinden zich beroete, halfnaakte mannen, die met een schop kolen scheppen op de lopende band. Dit loodzware werk, bijna acht uur per shift, doen ze knielend, waardoor ze alleen hun arm- en buikspieren kunnen gebruiken. Klompen, kniebeschermers en een onderbroek, meer dragen ze in deze hete duisternis niet.

Voor Orwell, zowat twee meter lang, betekent alleen al de afdaling een marteling. Hij moet zijn hoofd een half uur lang in een scherpe hoek gebogen houden, en ondertussen afrekenen met een ondraaglijke pijn in zijn dijen. De mijnwerkers doen dit dagelijks. Betaald krijgen ze louter voor het scheppen van de kolen, niet voor de afdeling ernaartoe; de lamp die ze dragen moeten ze huren van de kolenmaatschappij.

Eén op de zeven mijnwerkers raakt tijdens zijn loopbaan gewond, één op de twintig zal sterven. Spectaculaire mijnexplosies halen het nieuws, maar de meeste mijnwerkers komen om bij ’normale’ ongevallen. Steenbrokken die losspringen, een ingestorte gang, de lift die niet op tijd tot stilstand komt. Een van de vreselijkste manieren om aan je einde te komen, stelt Orwell zich voor. Terwijl je in een stalen doos in de aarde wordt geschoten, besef je dat er iets is misgegaan. Een mijnwerker vertelt Orwell dat hij zo’n situatie heeft meegemaakt. Toen hij naar buiten stapte, merkte hij dat hij een tand gebroken had. Zo hard had hij zijn kaken opeengeklemd in afwachting van de klap.

Huesca, Spanje, 1937

Als Orwell vanuit Barcelona vertrekt naar het front in de bergen, vreest hij de goorheid, de stank, de overvliegende kogels niet. Hij is vooral bang voor de winter. Tijdens de wacht telt hij op een avond hoeveel lagen hij over elkaar draagt. Hij noteert in zijn dagboek: een vest, een flanellen hemd, twee pullovers, een wollen jas, een jas van varkensleer en een trenchcoat – en nog heeft hij het koud.

Een leven zo regelmatig en saai als dat van een kantoorklerk, vindt Orwell zijn maanden aan het front. Patrouilles lopen, de wacht houden, kuilen graven. De fascisten bevinden zich op zevenhonderd meter afstand, op de flank van een naburige berg. Af en toe wordt er lukraak wat geschoten, maar de meeste energie besteden de troepen aan woordenwisselingen. De fascisten schreeuwen dat de buitenlanders die meevechten met de anarchisten naar huis moeten gaan. De anarchisten roepen dat de jongens aan de overkant tegen hun eigen klasse vechten, dat ze niet meer zijn dan speelgoed van het internationale kapitaal. Volgens Orwell is dit ’bekeren in plaats van beschieten’ een behoorlijk succes.

Tijdens een ijskoude februarinacht klinkt er opeens mitrailleurvuur: een verrassingsaanval van de fascisten. Orwell grijpt naar zijn geweer en rent naar zijn post. Het is aardedonker, af en toe ziet hij groenige flitsen. Ook hij opent nu het vuur, en als hij ziet dat de vijand weigert dekking te zoeken, beslist hij om hetzelfde te doen. Het is de eerste keer. En tot zijn spijt moet hij achteraf bekennen dat hij doodsbang is geweest. Niet zozeer om door een van de kogels geraakt te worden, maar omdat hij niet wist wáár hij geraakt zou worden. Diezelfde nacht schrijft hij: „Je vraagt je de hele tijd af waar die kogel je zal bijten, wat je hele lichaam een zeer onplezierige gevoeligheid bezorgt.”

Chagford Street, Londen, 1940

’As I write, highly civilized human beings are flying overhead, trying to kill me.’ (Terwijl ik dit schrijf, vliegen boven mijn hoofd hoogbeschaafde mensen die proberen mij te doden) De eerste regel van het essay ’England Your England’, geschreven tijdens de bombardementen op Londen, mag als Orwells bekendste citaat gelden.

Gedesillusioneerd was hij uit Spanje teruggekeerd. Stalin had, omdat hij geen revolutie op het Iberisch schiereiland wilde, de anarchisten aan hun lot overgelaten, sommigen zelfs laten ontvoeren en vermoorden door zijn geheime dienst. De Sovjet-Unie zette in op de status quo, terwijl Italië en Duitsland Franco’s fascisten de wapens verschaften waarmee ze de oorlog zouden winnen.

Orwell zou zich steeds meer laten kennen als antifascist én anticommunist. En als een loyaal vaderlander, die niet alleen de Engelse keuken verdedigde, maar ook diende bij het provisorische Britse reserveleger, de Home Guard. Niettemin bleef hij altijd socialist. Hij streefde naar een democratisch Engels socialisme, waarvoor een radicale breuk met de dictatoriale Russische variant geboden was. Zijn grote angst, vanaf het moment dat duidelijk werd dat Hitler de oorlog verloren had, gold de opkomst van almachtige totalitaire staten. Zijn laatste romans, ’Animal Farm’ en ’1984’, zouden ervan getuigen.

Tot en met de Tweede Wereldoorlog was Orwell als schrijver niet bijster succesvol geweest. Van het briljante ’Homage to Catalonia’ werden in de eerste tien jaar een paar honderd exemplaren verkocht. Maar het anticommunisme van vooral ’Animal Farm’ vond gretig aftrek in de Verenigde Staten. Orwell werd plotseling bestsellerauteur. Nog decennialang figureerde hij op de verplichte leeslijsten van middelbare scholieren.

Op het einde van zijn leven schreef hij dat zijn slechtste proza ontstond als hij geen duidelijk politiek doel voor ogen had. Dat zal zo zijn, maar juist de zoektocht naar een dergelijk doel leverde zijn scherpste proza op. De noodzaak om te schrijven, de afwezigheid van ironie, de wil om te weten – het is een verademing om de reportages en essays van George Orwell te lezen.

University College Hospital, Londen, 1950

Hij stierf zoals hij gevreesd had.

De nacht dat hij overleed was zijn kersverse vrouw Sonia Brownell op stap met haar voormalige geliefde, de schilder Lucian Freud. Orwell lag al maanden in het University College Hospital. In 1948 was tuberculose bij hem vastgesteld, een ziekte die hij waarschijnlijk al met zich meedroeg toen hij in 1929 het Hôpital Cochin binnenwankelde. Twintig jaar waren hem nog vergund geweest, waarin hij een complete eeuw aan ervaringen had opgedaan. Maar dit was nu echt het einde.

En er was niemand die de gruwel tot in de details kon beschrijven.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden