Vijf giganten in magisch Oostende

'Van Ensor tot Delvaux' t/m 2 februari in het Provinciaal Museum voor Moderne Kunst, Romestraat 11 in Oostende, geopend di-zo van 10-18 uur, ma en 1 jan. gesloten. Cat. 1200 frank (ca. ¿ 66). Toegangskaarten zijn telefonisch te reserveren, vanuit Nederland nr. 0032 59 56 45 99.

Zo niet Willy Van den Bussche, de in België niet geheel onomstreden hoofdconservator (dat is daar hetzelfde als directeur) van het PMMK, dat ooit stond voor Provinciaal Museum Moderne Kunst, maar het tegenwoordig meer moet hebben van de titel PMMK Museum voor Moderne Kunst Oostende. Want het begrip 'provinciaal' slaat niet zo zeer op de aard van de getoonde kunst (doorgaans van hoog niveau), maar op het geografische gegeven dat het museum wordt betaald door de provincie West-Vlaanderen. Van dat laatste feit plukt Van den Bussche zowel de rijpe als de wrange vruchten, want in het in communiteiten opgedeelde België bestaat niets landelijks meer.

Van den Bussche heeft de door hem als 'provinciaal geschenk' georkestreerde expositie een landelijk tintje kunnen geven. Hij vond het namelijk wel aardig om in zijn provinciale museum de 'Vijf Groten van de Belgische schilderkunst' uit de laatste honderd jaar te laten zien. Dat zijn James Ensor, Léon Spilliaert, Constant Permeke, René Magritte en Paul Delvaux. Het hadden er ook zes kunnen zijn, want Fernand Khnopff (1858-1921) ontbreekt in dit rijtje. In zijn figuur heeft het symbolisme in de Belgische kunst een heel eigen accent gekregen. Maar deze vijf, die elk met veertig werken zijn vertegenwoordigd in het PMMK aan de Romestraat in Oostende, vormen tesamen al een ruim bemeten overzicht van de Belgische schilderkunst dat je zelden in deze omvang te zien krijgt.

Van den Bussche moest voor deze ambitieuze expositie uiteraard met diverse andere Belgische musea samenwerken. Die kwam er van vele kanten, maar niet uit Brussel. Waarschijnlijk om hem te laten merken dat zijn Oostendse museum 'maar' een provinciale instelling is, kwam er uit de koninklijke Brusselse musea geen enkel werk van Magritte los. Terwijl er daar toch zo'n 150 schilderijen van deze vermaarde kunstenaar zijn, deed het Brusselse museum of zijn neus bloedde. Erger nog, Brussel gaat in de komende jaren alles over doen. Omdat het volgend jaar honderd jaar geleden is dat Paul Delvaux werd geboren, brengt Brussel in 1997 nog maar eens een uitgebreide retrospectieve. Een jaar later is het een eeuw geleden dat René Magritte werd geboren en dus moet er dan een tentoonstelling komen. 'Mede door de belangrijke schenkingen en legaten is het Museum voor Moderne Kunst de publieke instelling geworden met de rijkste Magritte-verzameling ter wereld', zo schrijft het museum zelf. Om het rijtje overbodige exposities uit te breiden, werd dezer dagen bekend dat James Ensor in 1999, vijftig jaar na zijn dood, nog eens uitgeluid moet worden. Terwijl er tegen die tijd toch de nodige retrospectieves zijn geweest. Maar Oostende, Antwerpen noch Gent zijn Brussel - en liever dan samen te werken met een Vlaams museum wil men in de Belgische hoofdstad zijn eigen gang gaan.

Het gebrek aan samenwerking, zeker in het geval van Magritte, heeft Van den Bussche met veel inventiviteit opgelost. Van Magritte toont hij veel onbekend werk, werk dat vooral uit particuliere collecties komt. Je kunt je afvragen of er op deze expositie, die elke schilder het zijne geeft dat hem rechtens zijn plaats in de Belgische kunstgeschiedenis toekomt, niet wat meer sleutelstukken uit zijn oeuvre aanwezig konden zijn. Maar als je tot de conclusie komt, dat Magritte vrijwel al zijn thema's een aantal keren heeft herhaald, dan blijkt het allemaal reuze mee te vallen. De dromer Magritte, dromer van ongehoorde situaties die langzamerhand clichés zijn geworden (de bolhoedmannetjes, de ontluikende seksualiteit), die moet je in Oostende er maar bij denken. Wat je te zien krijgt zijn niet zozeer de visionaire beelden, alswel de wijze waarop Magritte met de schilderkunst omgaat. Geen 'Ceci n'est pas une pipe', maar een aantal abstracte werken, uit 1920 en 1923, zijn op De Chirico lijkende manier van het verwerken van symbolen uit diezelfde jaren '20, de opnieuw abstracte periode uit 1928 en thema's als de vrijstaande tors in het landschap, de overgang van blad naar boom en de 'vermenselijkte' muziekinstrumenten.

Vooral de vroege, nog abstracte werken toen Magritte nog allerminst de naar een verfijnd palet zoekende schilder was, openen de met clichébeelden gebombardeerde kijkersogen. Plotseling bedenk je hier in Oostende dat een Nederlandse schilder als Carel Willink dezelfde weg is opgegaan. Willink was rond 1924 immers ook hard op weg een abstracte schilder te worden, een pad waar hij binnen enkele jaren weer van af week om gaandeweg veel aandacht aan het realistische aspect van zijn gedroomde verhalen te besteden. De vroege jaren van het surrealisme vragen eenvoudig om eens geëxposeerd te worden.

Wat Van den Bussche op deze expositie graag wil laten zien, is dat de moderne Belgische kunst in deze twee eeuwen uit twee belangrijke poten voortkomt die haar het aanzien hebben gegegeven dat ze tot ver na de Tweede Wereldoorlog heeft gehad. Tegenwoordig is de Belgische kunst (om het even of ze nu uit Vlaanderen, Wallonië of Brussel komt) op Europees niveau geassimileerd, maar er zijn tijden geweest dat Delvaux, Magritte en Permeke de toon gaven. In díe tijden leefden ze trouwens: Magritte stierf in 1967, Permeke in 1952 en Delvaux was bijna 97 jaar toen hij in 1994 overleed. Alleen Spilliaert, wiens invloed meer vóór de oorlog ligt, stierf in 1946, met 65 jaar de jongst gestorvene van dit kwintet. Daarmee kan de verdeling gemaakt worden: het magisch en fantastische realisme van Magritte versus het surrealisme en magisch realisme van Paul Delvaux onder de noemer van wat maar even de 'verwondering' moet worden genoemd, als de ene poot van de Belgsiche kunst, terwijl aan de andere kant de expressionist Permeke staat.

In Spilliaert, die nog kortgeleden in hetzelfde PMMK in Oostende met een retrospectieve (die ook in het Haagse Paleis was te zien) aandacht kreeg, kan een voorloper van het surrealisme worden gezien. Spilliaert wordt in Oostende op weer heel andere momenten in zijn ontwikkelingen getoond dan in Den Haag het geval was. Nu is hij deels realist/expressionist en deels symbolist, die echter minder wordt lastig gevallen door zijn avondlijke angsten. Weinig gezichten op Oostende (waar hij grote delen van zijn leven werkte), weinig nachtgezichten van deze stad (waar hij als spook vermomde bezoekers onder de arcaden van de zeedijk liet wegvluchten), maar wel veel portretten van soms behoorlijke verknipte vrouwen. Ook de experimenterende Spilliaert komt nu in Oostende meer aan bod: figuren die wegstappen uit een baaierd van licht, terwijl het toch al herfstig oktober is ('Avond in oktober', 1912) of de naar abstractie neigende strandgezichten (waar onder 'Strand met personages' uit 1928). In zijn beste portretten doet Spilliaert op de Oostendse tentoonstelling nog het meest aan Edvard Munch denken, een referentie die in Den Haag allerminst opviel. Meer nog dan in Den Haag laat het PMMK zien wat een groot, visionair schilder Léon Spilliaert is geweest.

Om het expressionisme van Permeke (en deels van Spilliaert) en de verschillende realismes en surrealismes met elkaar te verbinden, heeft Van den Bussche een goede keus gedaan, door niet zozeer naar hun invloeden te zoeken, alswel een voorloper, een voorbode te brengen die beide stromingen in zich verenigt. Die vond hij in de figuur van James Ensor, de oudste van dit gezelschap (hij leefde van 1860 tot 1949, was daarmee 21 jaar ouder dan Spilliaert, 26 jaar ouder dan Permeke en zelfs 38 jaar ouder dan Magritte die pas in 1898 werd geboren) die zowel het expressionisme als het surrealisme in zijn werk heeft aangekondigd. In de catalogus merkt Joost de Geest daar over op: “Toen Spilliaert begon te schilderen (halverwege de jaren '10 toen hij al in de twintig was-red.), had Ensor al het grootste van zijn oeuvre achter de rug. Permeke heeft hij gekend als jong en nog zoekend artiest, in Oostende. Permeke groeide immers op in Oostende waar zijn vader, ook schilder, restaurateur van het kunstpatrimonium en eerste conservator van de stedelijke verzameling was geworden. In de jaren 1905 tot 1907 moeten de twee kunstenaars in Oostende dezelfde tentoonstellingen gezien hebben, ingericht door de Société Littéraire, Salon des Beaux-Arts en het Centre d'Art. Spilliaert”, zo vervolgt De Geest, “is daar in de ban gekomen van Ensor (...) maar hij gaat dadelijk aan de slag in een eigen stijl. Permeke, die niet zo vroegrijp is, moet wat langer zoeken eer hij die vindt.”

Ensor, Spilliaert en Permeke, ze hadden alledrie wat met Oostende. Spilliaert heeft de stad in zijn diepste wezen meerdere keren trachten te verbeelden, Ensor deed dat met de bourgeoisie, het milieu waaruit hij voortkwam en Permeke zocht meer de mensen van het omringende land. Magritte had, als Brusselaar, eigenlijk niets met deze stad, maar wel met Ensor. De relatie Ensor-Magritte is nog niet veel onderzocht, maar Xavier Tricot komt in de catalogus tot interessante opmerkingen. Zo duidt hij onder meer op het volgende: “In meerdere werken beschouwen Ensor en Magritte het doek als een toneelscène waarbij de scène als een metafoor is voorgesteld. Ze verbeelden zich scenario's: het doek waarop zij hun tafrelen afbeelden staat gelijk met het doek dat de toneelscènes inluidt.” Om deze woorden kracht bij te zetten, had het PMMK eigenlijk dat meest toneelmatige schilderij van Ensor laten zien dat zich nu in het Getty Museum in Malibu bevindt: 'De intocht van Christus in Brussel'. Daar is het niet van gekomen, sterker nog, ook 'Geraamten die zich willen warmen' en 'De zonderlinge maskers' ontbreken in Oostende. Al krijg je weer wel 'De verwondering van het masker Wouse' uit 1889 en 'De intrige' uit 1890 te zien, die wonderlijke optochten van gemaskerde burgers.

En de Franstalige Paul Delvaux, wat had hij met Oostende? Delvaux woonde en werkte in Sint Idesbald, niet ver van Koksijde op een dertigtal kilometers van Oostende. Je hoeft niet alleen te kijken in zijn nog steeds in tact zijnde woonhuis annex atelier en museum om te weten te komen dat Delvaux in zijn begintijd onder invloed van Permeke stond. Met de krachtige, weerbarstige en donkere schilderstoets die veel van Breitner weghad, schiep hij aanvankelijk een stijl die veel met het expressionisme van doen had. Pas halverwege de jaren '30 schilderde hij de eerste naakte meisjes die later zo veelvuldig in zijn droomsteden, -stations en antieke paleizen gingen figureren. Het verhaal wil dat Delvaux met het thema van het reine, nooit aangeraakte meisje wilde afrekenen met een jeugdtrauma. Op jonge leeftijd had zijn vader hem eens meegenomen naar een bordeel om hem daar op het grote leven voor te bereiden. Het eerste schilderij dat hij naar aanleiding van deze gebeurtenis heeft geschilderd is sterk autobiografisch. Het heet 'Het scherm' en laat een jonge vrouw zien die zich reeds heeft uitgekleed, terwijl een jongeman op de (blote) rug achter een kamerscherm staat. Door deze ervaring steeds maar weer te schilderen, poogde Delvaux er mee af te rekenen. Gaandeweg werd het een vast thema, zoals hij ook zijn angsten uit zijn jeugd voor skeletten steeds maar weer repeteerde, skeletten die hij op de lagere school eens had ontdekt.

Van den Bussche heeft in zijn zelf bedacht cadeautje de stad waar zijn museum staat een onverwachte kenschets gegeven. Dat vooral moet ze in Brussel niet lekker hebben gezeten. Want was het PMMK bovenal niet een provinciaal museum?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden