Vietnam-comite roept meer op dan heimwee

“Met alle respect”, zegt Anneke Oosterhuis, “maar de meeste vrijwilligers die zich nu aanmelden, kennen Vietnam alleen toevallig van 'Tour of Duty' of andere oorlogsfilms. Het zijn jongeren tussen de 22 en 25 jaar, de geschiedenis van Vietnam zegt ze niets.”

ESTHER BOOTSMA

Als jongste aanwinst in de staf van het Medisch Comite Nederland-Vietnam, belichaamt pr-medewerkster Oosterhuis (29) de moderne zakelijkheid van het comite. “Voor mij is dit gewoon een baan. Voordat ik hier een half jaar geleden werd aangenomen, wist ik nauwelijks iets over Vietnam. Het was voor mij een van de vele landen in de wereld”, zegt Oosterhuis nuchter.

Een van de oude rotten uit het comite, bestuurslid Raymond Feddema (42), vindt dat geen enkel bezwaar. “We hebben Anneke juist aangenomen om haar kennis van public-relations. We hadden ook iemand kunnen nemen die al jaren in het Vietnam-circuit meedraait. Maar wil je niet een stoffige bende van de oude nomenclatoera worden, dan moet je jonge mensen nemen die verfrissende vragen stellen.”

De docent Aziatische geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam verbaast zich overigens wel over de vele jongeren die zich voor hulp aan Vietnam willen inzetten. Vooral dit jubileumjaar (het comite bestaat 25 jaar), waarin allerlei festivals en tentoonstellingen worden georganiseerd, kostte het geen enkele moeite vrijwilligers te krijgen. “Jongeren hebben het imago egoistische houseparty-bezoekers te zijn. Maar hier krijg ik een ander beeld”, zegt Feddema. Ondanks de mode-revival van de jaren zestig, gelooft hij niet dat Vietnam speciale aantrekkingskracht op jongeren uitoefent, uit 'heimwee' naar de grote demonstraties tegen de Vietnam-oorlog en de teach-ins in Amsterdam.

Het was 1968, toen een groep idealistische artsen, Jaap de Haas, Nick van Rhijn en Fred Groenink, het Medisch Comite Nederland-Vietnam oprichtte. Feddema studeerde fysische chemie, volgens hem een van de radicaalste studierichtingen destijds. “Als je niet nadacht over Vietnam, hoorde je er niet bij.” Hij sloot zich al gauw aan bij het comite. Collecteren, pamfletten uitdelen. “Op zaterdagen stonden gauw zo'n 300 mensen in het centrum van Amsterdam te collecteren.”

Dat het comite zo snel uitgroeide tot een organisatie die jaarlijks zeven tot acht miljoen gulden kon besteden, heeft volgens Feddema veel te maken met de vrijgevigheid van de Nederlanders. “Je hoeft hier maar een gironummer te noemen en iedereen trekt zijn portefeuille en stort. Neem nou de actie 'Een voor Afrika'. Voordat Europa maar een cent had gegeven, was in Nederland al zestig miljoen opgehaald. In Frankrijk kwam maar een schamele paar miljoen binnen.”

Het Nederlandse comite was dan ook al gauw de grootste van de vele medische comite's voor Vietnam, die overal ter wereld werden opgericht. En het is de enige die nu nog bestaat: de rest is opgedoekt of verworden tot een eenmanscomiteetje van een oude activist. Oosterhuis heeft ze ontmoet, tijdens een congres. “Zo'n vrouw die vol trots vertelt dat ze 25 naaimachines voor Vietnam bij elkaar heeft gesprokkeld. Het is allemaal zo hap-snap.”

Het succes van het Medisch Comite Nederland-Vietnam ligt volgens Feddema en Oosterhuis in de brede samenstelling van staf, bestuur en vrijwilligers. “Nick van Rhijn schakelde al snel anderen in: fietsenmakers bijvoorbeeld. Fietsen waren ontzettend belangrijk voor de Vietnamezen”, vertelt Feddema. “Ze vervoerden zelfs kanonnen op de fiets. Schroefden de onderdelen uit elkaar en hingen ze tussen twee fietsen. De Amerikanen snapten er niets van hoe ze die kanonnen toch zo snel wisten te verplaatsen.”

Het medisch comite hielp niet alleen zieke en gewonde Vietnamezen, maar steunde dus ook min of meer de Noord-Vietnamezen en de Zuid-Vietnamese verzetsstrijders in hun oorlog tegen de Verenigde Staten. Toch stond de malaria- en tuberculose-bestrijding voorop. Het begon met het afstropen van apotheken, voor medicijnen en artsenmonsters; en een diacones die zelfs verband uit ziekenhuizen jatte.

In de hoogtijdagen van de internationale protesten, 1972 en 1973, kreeg het comite jaarlijks acht miljoen gulden binnen van tienduizenden donateurs en van de Nederlandse regering. Die laatste haakte echter af in 1984, nadat de regeringspartijen CDA en VVD geprotesteerd hadden tegen de 'flagrante schending van mensenrechten' in Vietnam.

Het communistische bewind dat na de overwinning in 1975 over heel Vietnam ging regeren, had zich internationaal immers weinig geliefd gemaakt. Zuidvietnamesen zaten jarenlang zonder proces in heropvoedingskampen, duizenden mensen ontvluchtten Vietnam in gammele bootjes, en in 1979 bezette het Vietnamese leger Cambodja (nadat het dat land van het gruwelbewind van de Rode Khmer had bevrijd). Er braken moeilijke tijden aan voor het comite; met veel interne discussies en kritiek van buitenaf. Feddema: “Maar ik heb me nooit verantwoordelijk gevoeld voor de fouten die de Vietnamese regering maakte.”

Dan verontwaardigd: “Iedereen had het altijd over de schending van mensenrechten. Maar op dat gebied zijn juist de Amerikanen grensverleggend geweest. Het Vietnamese volk is zoveel ellende aangedaan. Nu nog worden er kinderen met open ruggetjes geboren doordat de grond vol dioxine van de Amerikaanse bommen zit. Ik sprak laatst een vrouw die twee kinderen had met open ruggetjes, een aanblik waar je echt niet goed van wordt. Toch wilde ze graag nog een keer zwanger worden. En dat kind had ook een open ruggetje. Op zo'n moment heb ik met Hanoi helemaal niets te maken. Je kunt een toekomstige generatie mensen toch geen hulp ontzeggen op grond van een regime.”

Ontroerend

Het aantal donateurs dat diezelfde mening was toegedaan, bleef groot. Sinds 1984 heeft het comite jaarlijks zo'n drie miljoen gulden te besteden, afkomstig van 25 000 donateurs. Oosterhuis: “Heel ontroerend zijn de brieven van oude mensen die niet meer rond kunnen komen van hun AOW en het vreselijk vinden dat ze hun lidmaatschap moeten opzeggen.”

Van de inkomsten wordt maar twaalf procent voor de organisatie gebruikt, 88 procent is bestemd voor hulpgoederen of steun aan ziekenhuizen en projecten. De staf bestaat uit vijf medewerkers, het bestuur uit zeven vrijwilligers. De bestuursleden komen regelmatig voor hun eigen werk in Vietnam, en werken dan 'boodschappenlijstjes' voor het comite af.

Feddema: “We werken nauwelijks via de ministeries en bereiken daardoor veel meer dan de meeste organisaties. In een land als Vietnam moet je een uitgebreid netwerk hebben en gesprekspartners goed kennen. Weten dat je op sommige plekken niet de directeur moet aanspreken, maar juist een afdelingschef. Wij zijn ook nooit een vriendschapsvereniging Nederland-Vietnam geworden, wat andere comite's wel deden. Die werden daardoor de heraut van Hanoi.”

Het gevaar op de bureaucratie te stuiten is altijd groot. “Daarom werken we heel gericht. Zo hebben we laatst vijftien kuub medische boeken verscheept, die we hier allemaal gratis bij elkaar hadden verzameld. Maar als je daarvoor geen netwerk zou hebben, die zorgt dat het op plaatsen van bestemming komt, dan blijft de lading in de haven liggen. Dan denken de Vietnamezen: 'Ha papier' en verpakken ze hun cakejes in bladzijden uit dure boeken.”

Door de huidige overgang naar een vrije markteconomie in Vietnam is het werk van het comite volgens Feddema tien keer moeilijker geworden. Het netwerk aan contacten stort in doordat artsen, verplegers en projectcoordinatoren genoodzaakt zijn andere bijbaantjes te nemen. De privatisering van de gezondheidszorg is desastreus, aldus Feddema. Ziekenhuizen zijn leeg doordat mensen geen behandelingen kunnen betalen, voor medicijnen worden hoge prijzen gevraagd. “We moeten nu dus overal nog strenger controleren wat er met onze hulpgoederen gebeurt. Al onze mensen en Nederlandse vrienden die op toeristenbezoek gaan naar Vietnam, krijgen opdrachten mee. Ze moeten aan patienten vragen hoeveel ze voor medicijnen betalen. En in onze projecten kijken of de werknemers wel aan het werk zijn, en niet 'op een veldmissie'. Want dan zijn ze elders aan het bijklussen.”

Handelsgeest

Een sterk staaltje van Vietnamese handelsgeest trof hij onlangs aan in een van de ziekenhuizen die door het comite worden gesteund. “Er stond zo'n apparaat waarmee mensen zich laten scannen, een soort echo. Daarnaast een bordje met de prijs: 8000 dong, ongeveer anderhalve gulden. Zo ben ik over anderhalf jaar binnen, vertelde de arts die het apparaat beheerde. Pure afzetterij. Anderhalve gulden is heel wat op een maandsalaris van 35 gulden. Bovendien is zo'n echo bij gezonde mensen niet nodig. Over dit soort praktijken moeten we een fikse dialoog aangaan met de Vietnamezen. Maar ja, als zij tegen hun artsen zeggen: we willen allemaal gescanned worden, dan worden ze gescanned.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden