Viervoeters met een hondenbaan

Bij het uitbreken van de oorlog verschepen de Britten 140.000 paarden naar Frankrijk. Het is het begin van een massale paardenverhuizing die twee continenten beslaat.

ROMSEY - De aarde van Romsey trilt. Het slaperige stadje in Zuid-Engeland maakt een spektakel mee dat het nog nooit heeft gezien. Het is de lente van 1915 en een bonte stoet van honderden trekpaarden, boerderijpaarden, renpaarden en zelfs wilde Amerikaanse prairiepaarden is zojuist afgeleverd bij het treinstation. De dieren trekken dwars door de straten, op weg naar een verzamelstation dat even buiten de stad is geopend. Voor de inwoners van Romsey is de Great War zojuist voor hun deur beland.

Romsey is een cruciale schakel in een kolossale logistieke operatie van de Britten. Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog beschikken de Britse strijdkrachten over slechts tachtig motorvoertuigen en 25.000 paarden. Ze hebben al snel in de gaten dat ze veel meer nodig hebben. Al in 1912 geven ze de opdracht voor een landelijke 'volkstelling' van alle paarden en muilezels. Alles wordt genoteerd: leeftijd, geslacht, functie en ras. Bovendien doen de Britse autoriteiten iets slims. Ze maken op voorhand prijsafspraken met eigenaren in het geval de overheid de dieren wil vorderen.

"In de geschiedenisboeken staat dat de Britse politiek in 1914 lang getwijfeld heeft of we wel mee moesten doen met de oorlog op het continent", vertelt Phoebe Merrick, een amateurhistorica die uitgebreid onderzoek heeft gedaan naar het paardenstation in Romsey. "Maar de paardentelling laat zien dat onze generaals wel beter wisten. De Europese grootmachten maakten zich op voor een enorme knokpartij en de strijdkrachten wilden zich niet laten verrassen."

Die nauwkeurige voorbereidingen betalen zich uit. De paardentelling en prijsafspraak stellen de Britten in staat om bij het uitbreken van de oorlog in tien dagen tijd 140.000 paarden te verzamelen en te verschepen naar Frankrijk. Het is het begin van een massale paardenverhuizing die twee continenten beslaat. Tijdens de oorlog zullen de strijdkrachten 468.000 Britse paarden en muilezels vorderen en nog eens 688.000 dieren uit Amerika halen. Het verzamelstation in Romsey neemt 120.000 dieren voor zijn rekening. De dieren worden er getraind en verzorgd en vervolgens op de boot naar Frankrijk gezet.

De Eerste Wereldoorlog opent het tijdperk van industriële oorlogsvoering. Nieuwe, krachtige wapens doen hun intrede. Militaire innovaties zoals vliegtuigen en tanks maken een stormachtige ontwikkeling door. Maar de oorlog is niet mogelijk zonder de inzet van paarden, al millennia strijdmakker van de mens. "We kunnen het belang daarvan niet onderschatten", stelt Merrick. "Het was de laatste grote oorlog waarin paarden de belangrijkste manier van transport vormden aan het front. Zonder de paarden hadden de geallieerden de oorlog nooit kunnen winnen."

De rol van het paard verandert wel tijdens de Eerste Wereldoorlog. De statische loopgravenoorlog maakt de aanvallen met de cavalerie vrij zinloos. Met de wapens die steeds zwaarder worden, is de voornaamste functie van de dieren het verplaatsen van materieel, munitie, goederen en gewonden. De geallieerden beschikken weliswaar over gemotoriseerde voertuigen, maar in de modderblubber van het front is hun rol vrij beperkt.

Kwispelend in de loopgraven

Terwijl de paarden na de Eerste Wereldoorlog langzaam hun militaire rol verliezen, doet een ander dier juist zijn intrede in de Britse oorlogsmachine: de hond. De viervoeters zijn het Britse leger niet helemaal vreemd. Tal van officieren nemen hun hond mee naar het front en vele regimenten adopteren zwerfhonden. Voor soldaten zijn de dieren een afleiding van de verschrikkingen van het front en ze verhogen de moraal.

Befaamd is Prince, de Ierse terriër die danig van slag raakt als zijn baasje James Brown in september 1914 naar het front in Frankrijk vertrekt. Prince blijft achter bij diens vrouw in Hammersmith, maar op een dag verdwijnt hij spoorloos. Tot ieders verrassing duikt hij enkele weken later op in Armentières, waar hij zijn baasje wild kwispelend in de loopgraven bespringt. Het is nog altijd een raadsel hoe de hond de oversteek naar Frankrijk heeft gemaakt. Browns commandant vindt het verhaal zo ongelooflijk dat hij Brown en hond voor de troepen laat paraderen. Prince zou niet meer van de zijde van zijn baasje wijken en tot het einde van de oorlog aan het front blijven.

Honden als Prince zijn niet meer dan een mascotte die verder geen functie vervult. Landen als Rusland, Duitsland en Italië gebruiken dan al langer getrainde honden in de strijdkrachten, maar als de Eerste Wereldoorlog in 1914 uitbreekt hebben de Britten welgeteld één patrouillehond aan het front. Dat verandert als kolonel Richardson in 1916 de opdracht krijgt om de War Dog School op te zetten. Richardson, een hondentrainer, had al jaren gepleit voor de inzet van honden, maar de legertop achtte het onmogelijk honden te trainen voor gerichte taken.

Maar de massaslachtingen aan het westerse front brengen de bevelhebbers op andere gedachten. De strijd is in een loopgravenoorlog veranderd en de gebruikelijke manieren van communicatie via telefoon en radio vallen steeds vaker uit. Een van de gevaarlijkste taken hebben de zogeheten 'runners', soldaten die te voet boodschappen overbrengen van de frontlinies naar de brigadehoofdkwartieren, die vaak enkele kilometers achter het front liggen. In het open terrein en met voortdurende beschietingen door machinegeweren en kanonnen komen veel runners om het leven. De honden bieden een oplossing, zo ziet de legertop eindelijk in.

Aanvankelijk experimenteert Richardson met twee honden, maar die blijken zo'n succes te zijn dat de vraag naar 'messenger dogs' snel toeneemt. Richardson heeft wel een probleem: er zijn niet genoeg viervoeters beschikbaar. De Britten hebben bij het begin van de oorlog duizenden honden laten afmaken, omdat ze na de instelling van voedselrantsoenen niet genoeg eten hebben voor de dieren. Opvangtehuizen voor zwerfhonden worden leeggehaald, maar ook die kunnen niet aan de vraag voldoen.

De overheid besluit zich tot de Britse burgers te richten met advertenties. Het is een wonderbaarlijk succes. Al na de eerste oproep geven hondeneigenaren 7000 honden aan het leger. Een hond arriveert bij het trainingscentrum van Richardson met een briefje rond zijn nek. "Mijn man is al vertrokken naar het front, mijn zoon is al vertrokken. Neem alstublieft deze hond om een einde te maken aan deze wrede oorlog." In een centraal register houdt Richardson de prestaties van de honden bij. Hij roemt de inzet van de dieren, die in minder dan een uur soms twintig kilometer afleggen in moeilijk begaanbaar en gevaarlijk terrein.

Victoria Cross

Een speciale vermelding krijgt Dick, een zwarte retriever, die onvermoeibaar berichten overbrengt aan het front bij Villers-Brettoneux. Bij een missie raakt hij zwaargewond, maar na een korte herstelperiode gaat hij weer aan de slag. Uiteindelijk valt hij letterlijk om. Bij een autopsie ontdekken de hondenbegeleiders dat Dick dagenlang heeft rondgerend met een kogel in zijn ruggengraat en een granaatscherf in zijn schouder. 'Deze hond is een Victoria Cross waard', schrijft Richardson. 'Hoewel hij erg geleden moet hebben, bleef hij zijn taken trouw uitvoeren totdat hij dood ging.'

Honden krijgen uiteindelijk een veelheid aan functies. Niet alleen brengen ze boodschappen van de frontlinie naar de commandocentra, ook gaan ze mee op patrouille en dienen ze als vroeg alarm. De honden worden zo getraind dat ze niet blaffen, maar grommen als de vijand in aantocht is. De 'ratters' jagen op de ratten en muizen in de loopgraven. Extra geliefd zijn de 'mercy dogs' die gewonde soldaten in het niemandsland tussen de vijandelijke linies opsporen, hen voorzien van water en medicijnen en de reddingsteams alarmeren om de gewonden op te halen. Om de dieren te beschermen tegen gifgasaanvallen worden speciale maskers ontwikkeld voor de honden.

Van de 1,3 miljoen paarden die de Britten naar het front sturen, keren 62.000 terug naar het Verenigd Koninkrijk. Negen van de tien paarden komen om in de Eerste Wereldoorlog. De paarden die wel overleven, zijn vaak te zeer uitgeput voor transport. Ze worden verkocht aan Franse boeren en paardenslagers. Met de honden loopt het beter af. Honden die de oorlog overleven, worden omgeschoold tot begeleiders van soldaten die blind zijn geraakt.

De Britten eren sindsdien hun oorlogsdieren. De strijdkrachten reiken tegenwoordig de Dickin-medaille uit, vergelijkbaar met de Victoria Cross, 's lands hoogste onderscheiding voor militairen. In Londen staat bij Hyde Park een oorlogsmonument waar alle gesneuvelde dieren uit de twintigste eeuw worden herdacht. 'Dit monument is een krachtig en ontroerend eerbetoon aan de dieren die dienden, streden en stierven aan de zijde van Britse troepen.'

Amateurhistorica Phoebe Merrick vindt dat de Britten de oorlogsdieren niet genoeg kunnen eren. In 1921 kreeg Romsey al een herdenkingsmonument voor gesneuvelde inwoners van het plaatsje. In april volgend jaar zal Romsey een paardenstandbeeld onthullen. "De paarden verdienen ons respect. Wij mensen hebben nog altijd een keuze. Toen mijn grootvader werd opgeroepen voor dienstplicht in de Eerste Wereldoorlog, weigerde hij. Hij belandde weliswaar in de gevangenis voor dienstweigering, maar het was zíjn keuze. De paarden hebben die keuze nooit gehad."

Dieren in de Eerste Wereldoorlog

Paarden en honden waren zonder twijfel de belangrijkste dieren voor de Britse strijdkrachten, maar ze waren zeker niet de enige. De geallieerden gebruikten 100.000 postduiven om boodschappen over te brengen. De Britse regering voerde strenge wetten door om te voorkomen dat burgers postduiven neerschoten. Op het neerschieten van een postduif stond 100 pond boete en een gevangenisstraf van zes maanden. Britse tanks hadden standaard een postduif aan boord, omdat die bij afwezigheid van radiozenders de enige manier van communicatie waren. Gloeiwormen werden gebruikt bij het lezen van kaarten. Katten werden ingezet om op ratten en muizen te jagen in de loopgraven. Kanaries kregen dezelfde functies die ze al in de mijnen vervulden: het vroeg signaleren van gas, in dit geval gifgas. Op het strijdtoneel in het Midden-Oosten gebruikten de Britten 50.000 kamelen, voor transport maar ze werden ook ingezet in de cavalerie. Daarnaast hadden de verschillende regimenten een kleurrijke verzameling dieren die ze als mascotte gebruikten, zoals beren, geiten, varkens, apen, antilopen, kangoeroes, wallaby's, orang-oetangs en zelfs een jonge leeuw.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden