Vier redenen om Twitter geen Nobelprijs voor de Vrede toe te kennen

Voormalig adviseur Nationale Veiligheid van president Bush, Mark Pfeifle, nomineerde Twitter al in 2009 voor de Nobelprijs voor de Vrede, wegens de cruciale rol die Twitter dat jaar in de De Groene Revolutie in Iran speelde. Politicoloog Sebastiaan van der Lubben wijst vier goede redenen aan waarom sociale media niet bevrijden.

1. Versnippering

Er is geen land waar elite en leger plus geheime dienst tegenover politiek activistische bloggers staan. Wie in het Midden-Oosten internet bezoekt, doet dat om met dezelfde motivatie als wij in het Westen, met dezelfde verschillen in politieke overtuiging en persoonlijke behoeften. 'De' blogosphere bestaat helemaal niet. Uit onderzoek van het Berkman Center naar de blogosphere van de Arabische wereld (in 2009) bleek vooral de versplintering ervan. Onderzoekers vonden in de Arasche wereld verschillende clusters - bloggers verenigd onder eenzelfde thema. Alleen in Egypte waren dat er al vijf.

De jeugd is actief, zeker. En de Moslimbroederschap (voor de revolte formeel verboden, maar op internet wel degelijk aanwezig). Verder heb je Egyptische islamisten en seculiere reformisten (van bijvoorbeeld de Kefaya-beweging, de felste critici van Moebarak). Een bredere, pan-Arabische, links-georiënteerde oppositie (die bijvoorbeeld over aids en homorechten schreef) was er ook.

De onderwerpen in de ruim 4.000 blogs die het Berkman Center in de hele Arabische wereld onderzocht, bleken zeer divers en niet enkel gericht tegen het bewind. Ze waren ook niet allemaal op democratisering uit. Eenvijfde van alle posts ging over terrorisme. Eén procent spreekt zijn steun voor islamisme als politieke ideologie, bijna eentiende bekritiseert die politiek juist. Een divers beeld, concluderen de onderzoekers. Zo divers dat internet niet het instrument is voor haatzaaien jegens het Westen noch jegens het eigen bewind.

2. Versuffing

Als er al kritiek op het regime is, rijst de vraag of deze ook aankomt. De populariteit van online games, video's en muziek is ook onder onderdrukten vele malen groter dan politieke blogs. Niet religie, schrijft Evgeny Morozov in zijn pamflet The Net Delusion - How Not To Liberate The World, maar media zijn opium voor het volk.

In Rusland maken internetgebruikers zich geen zorgen over het democratisch gehalte van hun bestuur, maar zoeken ze elke avond naar de beste borsten in de nachtclubs van Moskou; The Tits Show is de best bekeken video op het Russische net, aldus Morozov. Internet, stelt hij, versuft.

Hij baseert die vaststelling op onderzoek van Holger Lutz Kern en Jens Hainmueller naar mediagebruik in de DDR, voor de val van de Muur.

Wie in de DDR toegang had tot westerse media stond niet afwijzend tegenover het regime, maar was juist minder kritisch dan landgenoten die door een geografisch noodlot woonden in de Vallei der Onwetenden. Dat was een glooïing in het landschap rond Dresden waar de signalen van de West-Duitse tv niet doordrongen; de valleibewoners moesten zich avond aan avond tevredenstellen met communistische programma's. Toch hadden zij meer op het bewind aan te merken dan de kijkers van westerse tv. De propaganda kreeg geen vat op hen. Beter gezegd: die propaganda werd al irritanter. Informatie uit de 'vrije wereld' inspireerde DDR-burgers niet om in opstand te komen, maar bleek een escape voor het dagelijks leven in het arbeidersparadijs. De West-Duitse programma's boden de noodzakelijke geestelijke ontspanning van burgers onder een dictatoriaal regime.

De informatie over en uit de vrije wereld inspireerde niet tot opstand, maar nam die behoefte juist weg. Het paradoxale is dat in de Vallei der Onwetenden - verstoken van westerse media, ondergedompeld in communistische propaganda - de eerste protesten tegen het regime ontstonden, in 1989.

Volgens Morozov is dit media-effect de reden dat veel autoritaire regimes internet oogluikend toestaan. Gebruikers raken vooral verslingerd aan de geneugten van games, porno en weinig diepgaand gechat over muziek of celebs, waardoor ze niet toekomen aan het beramen van een opstand, het schaven aan democratisering of het verspreiden van kritiek.

3. Verbinding

Wie zijn weg heeft gevonden in de versnipperde meningen op internet en de verleidingen van een avondje borsten kijken heeft weerstaan, treft tussen internet en de werkelijkheid een kloof. Het derde argument tegen de al te optimistische stelling dat internet bevrijdt, is het gapende gat tussen sites en straat.

Dat fenomeen kennen wij, in het vrije Westen, trouwens ook. Hoe kek de sites voor verkiezingen van gemeenten en provincies ook zijn - we zijn niet vooruit te branden om ook echt onze stem uit te brengen. Hoe makkelijk ze het ook maken. Stel dat u onder minder gunstige (politieke en sociale) omstandigheden, in een uiterst vijandige omgeving, wordt opgeroepen om te demonstreren tegen een heerser die moeiteloos mensen laat verdwijnen, pakt u dan de handschoen op, klapt u uw laptop dicht om met uw smartphone in de hand stenen te gooien naar een tot-de-tanden-toe bewapende politiemacht?

Dat gebeurde wel in Iran in 2009 toen het regime niet wilde instemmen met een hertelling en de opstandelingen, beroofd van hun enige leuze die alle partijen tot een eenheid smeedde, zich moesten bezinnen op nieuwe acties. Ze besloten de laptop achter te laten en de straat op te gaan. Wat volgde was een krachtmeting met veiligheidstroepen. De afloop daarvan kennen we. Du moment dat sociale media opriepen om daadwerkelijk actie te gaan voeren, waren de demonstranten eigenlijk geen partij meer voor het regime. In de maanden die volgden trouwens ook niet - waarover later meer.

De bejubelde Egyptische Google-voorman Wael Ghonim werd gevangengezet om zijn rol in het verzet tegen Moebarak; hij had de mogelijkheden van Facebook optimaal benut. Ghonim, die werkt aan een boek onder de titel 'Revolution 2.0', zei voor CNN: "Wie een samenleving wil bevrijden, moet haar internet geven".

Maar juist voor Egypte gaat de omgekeerde redenering op. De massale protesten breidden zich uit toen internet eruit ging. Er was geen toegang meer tot informatie over het lot van familie en vrienden. Niemand nam zijn telefoon op omdat de providers eruit lagen. Om die onzekerheid weg te nemen, zochten mensen elkaar op, op straat. Net als vroeger gingen ze naar de dorpspomp, naar het Tahrirplein, op zoek naar elkaar en plaatsen waar nog wel, spaarzaam, informatie was te vinden.

Overigens leidden eerdere oproepen om te demonstreren, ook al op Facebook, niet tot hetzelfde resultaat. Het Tunesische voorbeeld en de sociaal-politieke omstandigheden werkten veel motiverender. Ze brachten in ieder geval meer mensen op de been.

Sociale media hebben de kosten om dissidente bewegingen te coördineren tot nul gereduceerd. De mogelijkheden om met veel anderen in contact te komen, zijn zeer eenvoudig. Dat is pure winst. Maar de tools zelf laten de straten niet vollopen. Tussen virtuele mobilisatie en fysieke strijd zitten barrières die het succes (of falen) van elke vrijheidsstrijd bepalen.

Precies als bij ons - ook wij zijn niet te mobiliseren met een oproep op internet alleen. Om in beweging te komen is meer nodig dan een pagina op Facebook. Dat 'extra' is moed. Heel veel moed. En daar is nog altijd geen tool voor.

4. Vervolging

Ten slotte is er één factor die het succes of het falen van Revolutie 2.0 in de Arabische twitterlente bepaalt: vervolging door de staat.

Het was tijdens de opstand in Tunesië dat Facebook in San Francisco aan den lijve ondervond wat de staat vermag. Op Eerste Kerstdag merkte Joe Sullivan, verantwoordelijk voor de bedrijfsveiligheid van Facebook, iets vreemds. Gebruikers van Facebook meldden dat hun account was verdwenen nadat iemand anders dan zijzelf waren ingelogd. Pagina's met politiek getinte kritiek op het regime losten, hoe toevallig tijdens het hoogtepunt van de opstand, op in het niets.

In The Atlantic Monthly beschrijft Alexis Madrigal wat er gebeurde: voor Tunesiërs waren de mysterieuze verdwijningen het werk van 's lands censor, liefkozend Ammar genoemd. Voor Sullivans team bleef het een mysterie. Totdat nader onderzoek uitwees dat Ammar op grote schaal de wachtwoorden van Tunesische onderdanen met een Facebook-account had gestolen. Het regime was in de tegenaanval gegaan. De strijd had zich uitgebreid naar het digitale slagveld.

Zoals Egyptenaren lessen hadden getrokken uit de opstand in Tunesië, zo leerde het Tunesische regime van de maatregelen die Iran nam. In december 2009 publiceerde Raja News 38 foto's met daarop 65 gezichten, rood omcirkeld, en later nog eens 47 foto's met ongeveer honderd personen met een rode cirkel eromheen. Vraag aan het volk: wie zijn dit? Er volgden, op basis van vele tips, zo'n veertig arrestaties. Het regime had gebruik gemaakt van het zo geprezen crowdsourcing- als je een vraag stelt aan de massa heb je een grotere kans op een slim antwoord dan wanneer je die vraag alleen tot wat experts richt.

Dat was vroeger tijd- en geldrovend. Sociale media bieden ons (gratis) platforms waarop we wel eenvoudig met veel mensen in contact kunnen komen. En precies van die kracht maken ook regimes gebruik. Onze particuliere bezwaren tegen KPN en Vodafone, die zo nauwkeurig ons internetgebruik in de gaten houden, zijn tot daaraan toe. Maar de techniek die ze gebruiken, dient niet alleen hun marketing. Die kan ook ingezet worden voor opsporing. Ook door minder prettige overheden. Die kunnen bloggende dissidenten traceren, de revolutionair 2.0 dus. Zo wordt een marketingtool die in verkeerde handen valt een levensbedreigend middel om tegenstanders op te sporen en te vervolgen. Of gewoon te laten verdwijnen.

De nadruk die Amerikaanse en Europese overheden leggen op internet als democratiserende kracht, zet de mogelijkheid om het medium daar ook voor te gebruiken, paradoxaal genoeg, alleen maar verder onder druk. Bloggers die met de beste bedoelingen uit de anonimiteit worden gehaald, lopen ongekende risico's. De sociale platforms zijn ideale middelen in de handhaving van een status quo in dictaturen. Het regime hoeft alleen maar mee te kijken om te weten waar de knooppunten van verzet zitten. Wie veel volgers heeft, is een potentieel of werkelijk gevaar en kan op basis van zijn virtuele populariteit uitgroeien tot een echte uitdager van het systeem.

In dat virtuele domein kan de geheime dienst dissidenten optimaal in de gaten houden met een minimum aan inspanning; met luttele muisklikken brengt ze een dissident netwerk in kaart. En als die virtuele werkelijkheid ergens de straat of een plein raakt, noodzakelijk om daadwerkelijk een regime omver te werpen, pakken ze direct mensen op of, erger, vallen er doden. Zoals in Syrië, in Tunesië en Egypte. Zoals bij elke revolutie.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden