Viel mijn broer of sprong hij?

Zijn jongere broer overleed op z'n 19de. Het leek volgens journalist Robert van Dijk een ongeluk, maar het kan ook suïcide zijn geweest. Nu, twintig jaar later, probeert hij het mysterie alsnog te ontrafelen.

Ik praat er nauwelijks nog over, het komt alleen ter sprake als iemand vraagt of ik broers of zussen heb. Omdat ik dan de sfeer niet meteen wil verpesten, geef ik schoorvoetend antwoord: "Ik heb een oudere zus en twee broertjes, een identieke tweeling, van wie eentje is overleden is." Een luchtig 'en jij?' is daarna geen optie meer.


Dat hij plotseling is overleden en de toedracht schimmig is, maakt het vervolg extra ongemakkelijk. Terwijl de ander aan mijn gezicht probeert af te lezen hoe ver hij kan doorvragen over deze geheimzinnige kwestie, ben ik bang dat hij misschien denkt dat ik zijn dood in nevelen hul om mysterieus over te komen.


De neiging om door te vragen, neem ik niemand kwalijk. Het is curieus dat je niet weet hoe je broer overleed. Doodgaan onder vage omstandigheden kennen we eigenlijk alleen van muzieklegendes.


Vooral de vraag of de dood zelfgekozen was, is voor veel mensen cruciaal. Dat was ook wat fans zich afvroegen toen Kurt Cobain in Rome in coma raakte. Of toen Chet Baker uit een raam op de derde verdieping van het Amsterdamse Hotel Prins Hendrik tuimelde; 'Jump, Fall or Push?' heette het artikel dat een New Yorkse krant eraan wijdde. Een paar lijvige biografieën verder is dit nog steeds een onuitgemaakte zaak.


Mijn drie jaar jongere broer woonde sinds kort op kamers in een studentenflat. Op een avond nam hij een meisje mee naar huis, niet iets romantisch, ze waren bevriend. Eenmaal thuis is hij zich merkwaardig gaan gedragen. De details laat ik uit piëteit achterwege, maar het eindigde ermee dat hij het raam opende en in het venster ging staan. Het was november. Het had eerst geregend en daarna was het gaan vriezen. Alles was glad.


'Gesprongen, gevallen of geduwd?' vroeg ook de politie zich af en het meisje werd meegenomen voor verhoor. Al snel bleek dat ze onschuldig was, maar haar verklaring maakte weinig duidelijk over wat er in het hoofd van mijn broer was omgegaan. Hij probeerde niet stoer of grappig op haar over te komen. Maar wat dan wel zijn beweegredenen waren, was ook voor haar een raadsel. Ze verklaarde dat hij per ongeluk viel. Hij gaf geen antwoord op haar vragen, maar schreeuwde om hulp toen hij uitgleed. Zijn vingers hebben de hare nog geraakt. De politie noteerde desalniettemin 'zelfdoding' en dat is ook wat ze kwam vertellen aan de deur.


De vergelijking met de jong gestorven Jim Morrison drong zich op. Van hem is bekend dat hij zijn leven lang gefascineerd was door de dood. In de filmbiografie 'The Doors' van Oliver Stone doet het personage uitspraken als 'I feel most alive confronting death' en tart hij het noodlot door beneveld op de richel van een flat te balanceren.


Dat mijn broer fan was van The Doors en zong in een band die nummers van hen coverde, verklaarde voor sommige nabestaanden afdoende zijn gedrag en de noodlottige dood die erop volgde. In mijn ogen is het geen verklaring, maar een excuus om zijn prozaïsche dood nog wat heroïek toe te dichten en vervolgens snel weg te zappen.


Mijn broer was opgewekt en levenslustig, zeker niet somber, laat staan suïcidaal.


Ik, maar ook zijn tweelingbroer, met wie hij intensief contact onderhield en lief en leed deelde, kan het weten. Bovendien: iemand die zich van het leven wil beroven, wacht meestal wel even tot het bezoek naar huis is.


Politievoorlichter Klaas Wilting zei in 1988 na de val van Chet Baker: "Misschien was hij rare dingen gaan doen. Hij schoof zelf het raam open en viel of sprong eruit." Rare dingen doen, doet alcohol of andere drugs vermoeden. Bij figuren als Jim Morrison en Chet Baker nogal wiedes, maar een bloedtest wees uit dat het alcoholpromillage van mijn broer zo laag was dat hij nog had mogen autorijden. En hoewel hij dat geregeld deed, had hij die avond niet geblowd. Waar kwam dan dat vreemde gedrag vandaan, dat hem die avond fataal werd?


Het zou misschien verstandig zijn er gewoon niet meer aan te denken, maar daarvoor was de uitwerking te groot. In de woorden van publicist Arthur van Amerongen: 'Het verdriet van mijn ouders tekende de rest van hun leven en verscheurde ons gezinnetje.'


Ik probeerde te berusten in een: het is nu eenmaal zo gelopen. De natuur kan erg gemeen zijn, maar daar kan ze niets aan doen. Ze doet het niet met opzet, het zij haar vergeven.


Waar 'natuur' staat kun je ook 'God' lezen, zoals mijn ouders doen. Maar God doet de dingen wel opzettelijk. Waarom, kun je je dan verbitterd blijven afvragen. 'No parent should have to bury a child', schreef Stephen Adly Guirgis. Waarom neemt God je kind dan 'tot zich'? Om je geloof op de proef te stellen, is het standaard antwoord van theologen. Blijkbaar twijfelt God er soms aan of je wel genoeg in Hem gelooft en is zijn manier om dat te testen niet bepaald subtiel.


Zelf ben ik een man van de wetenschap. Maar ook de wetenschap bood geen aanknopingspunten. Dat veranderde toen ik onlangs 'Haperende hersenen' op het nachtkastje van mijn vriendin zag liggen, geschreven door Iris Sommer, hoogleraar psychiatrie aan het Universitair Medisch Centrum in Utrecht. Ik begon erin te grasduinen en las in het zevende hoofdstuk: '...cannabis vergroot de kans om later een psychose te ontwikkelen. Hoe meer cannabis je gebruikt en vooral hoe jonger je ermee begint, des te groter de kans op een psychose. (...) Tijdens een psychose zie of hoor je dingen die er niet zijn (hallucinaties) en ben je overtuigd van ideeën die niet kloppen (wanen). (...) Stemmen hebben in een psychose een nogal stereotiepe inhoud. Het zijn vaak gemene sneren, opdrachten of bedreigingen. Zo'n opdracht luidt niet zelden om zelfmoord te plegen.' Ik schrok. Het was alsof er na twintig jaar eindelijk een psychisch autopsierapport boven water was gekomen. Hier stond het zwart-op-wit: mijn broer was psychotisch geworden, omdat hij regelmatig cannabis consumeerde.


Of greep ik nu vrij willekeurig naar elke strohalm die mij meer zekerheid bood? Je kunt geen drugspsychose krijgen op een moment dat je geeneens drugs gebruikt, zou je zeggen. Maar nu ik eindelijk een spoor had gevonden, wilde ik het volgen ook. En hoewel ik besefte dat een psychiater moeilijk een diagnose kan stellen bij een patiënt die hij of zij nooit heeft gezien, besloot ik toch contact op te nemen met Sommer.


Allereerst wilde ik weten of iemand die een drugspsychose doormaakt op dat moment altijd onder invloed is, of dat er ook enige tijd tussen consumptie en psychose kan zitten. 'Een drugspsychose start in aansluiting op drugsgebruik', mailde ze mij terug. 'Daar kan enige tijd tussen zitten, maar niet meer dan enkele dagen. Cannabisgebruik is echter tevens een risicofactor voor psychoses waarvan later blijkt dat ze deel uitmaken van schizofrenie, vooral als het op jonge leeftijd wordt gebruikt. In dat geval kunnen er maanden of jaren tussen zitten. Trouwens: veel mensen denken dat schizofrenie iets te maken heeft met een gespleten persoonlijkheid. Maar met schizofrenie bedoelen we een hersenaandoening waarbij je af en toe psychotisch bent.'


Mijn broer was enkele maanden daarvoor verhuisd en aan zijn studie begonnen. 'Zijn dat ook risicofactoren voor het ontwikkelen van een psychose?', vroeg ik. 'Zeker, ingrijpende levensgebeurtenissen kunnen een psychose triggeren, daaronder vallen niet alleen vervelende dingen als het kwijtraken van je baan. Ook gebeurtenissen die mensen als positief ervaren, zoals een verhuizing en aan een opleiding beginnen kunnen stress met zich meebrengen en risicovol zijn. Ook is het zo dat schizofrenie zich bij mannen meestal openbaart tussen het 15de en 25ste levensjaar.'


Kan iemand die gezellig met een vriendin wat aan het drinken en kletsen is zo snel veranderen in een verwarde, psychotische man? 'Een drugspsychose begint acuut. Het is wel zo dat mensen die een drugspsychose ontwikkelen vaak een zekere aanleg hebben waardoor er soms al eerder kortdurende klachten waren, bijvoorbeeld na een nacht doorhalen.'


Dat was inderdaad het geval. Kort voordien was mijn broer ook in het ouderlijk huis 's nachts in het open venster geklommen. Duidelijk geen zelfmoordpoging; zijn kamer was op de eerste verdieping. Mijn ouders hebben hem de volgende ochtend naar de huisarts gestuurd. Die heeft aan zijn relaas kennelijk niets alarmerends opgemerkt, want er is geen vervolgafspraak gemaakt en hij is niet doorverwezen naar een psychiater.


Had hij typisch psychotische gedachten? Hoorde hij stemmen? We zullen het nooit weten. Maar in retrospectief zie ik dit voorval bij mijn ouders thuis als zeer verontrustend. Nooit zal het met zekerheid te zeggen zijn, maar de kennis van nu heeft mij ervan overtuigd dat hij overleden is door toedoen van een psychose.


Met deze veronderstelling is er twintig jaar na dato eindelijk een aannemelijke verklaring voor de toedracht van zijn dood. Zijn leven krijgt de vorm van een verhaal, en een verhaal, hoe dramatisch ook, is altijd draaglijker dan het onbegrijpelijke of ongewisse. De moraal: pas op met drugs, zeker als je nog niet volwassen bent en je brein nog niet is volgroeid. Een psychose zit in een klein hoekje.


Overigens zijn psychoses goed te behandelen, leer ik van Sommer. Antipsychotica zijn de effectiefste medicijnen van de psychiatrie. Bij 15 procent van de mensen komt na de eerste psychose geen volgende meer. Soms is er alleen haast geboden om een psychose als psychose te herkennen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden