VICOENJAS DE MOOISTE WOL VAN MOEDER AARDE

Vol overgave vieren de boeren hoog in de Andes het oeroude ritueel rondom het scheren van de fijnste en korstbaarste wol, die van de vicoenjas. De ranke roestbruine dieren waren bijna uitgestorven, maar nu dijen de kuddes weer uit en kunnen de boeren er ook nog iets aan verdienen, al is dat nog steeds maar een deel van wat de wol werkelijk waard is. En de stropers loeren.

De kudde vicoenjas, kleine ranke lama-achtigen, die in paniek de kraal naderen waar ze van hun waardevolle vacht zullen worden ontdaan, telt bijna vijfhonderd dieren. Dat het er over vijf jaar vijfduizend mogen zijn, wenst Flavio Chipana Luque wanneer de houten omheining zich heeft gevuld met nerveus blatende roestbruine wollige dierenlijven. Vicoenjawol is de fijnste en kostbaarste wol ter wereld. Alleen rupszijde is fijner.

Flavio is voorzitter van het vicoenja-comité van Cala Cala, het gehucht vierduizend meter hoog in de Andes op drie uur rijden van het Titicaca-meer, waar het scheer-feest is. Het is een belangrijk moment. Voor de eerste keer in vele jaren kunnen de comuneros rekenen op een deel van de opbrengst van de wol. Het gaat voor deze straatarme boeren om een groot bedrag, bijna 450 dollar (ruim 720 gulden) per kilo wol, al strijkt de handel veel meer op. Flavio: “Nu weten we in ieder geval waarvoor we werken. Nu offeren we ons tenminste niet meer voor niets op.”

Jarenlang was de handel in vicoenjawol verboden. De dieren, familie van de lama en alpaca, dreigden uit te sterven doordat stropers ze voor hun vacht bij duizenden afmaakten. Of de staat eiste de wol op, waarna corrupte politici en ambtenaren er een slaatje uit sloegen.

Twee dagen duurt het feest in Cala Cala. Als op de eerste dag alle dieren rond de middag binnen de omheining zijn, is het tijd om te dansen en om de autoriteiten, die speciaal voor deze gelegenheid per vliegtuig en daarna per hossende jeep uit Lima zijn gekomen, de kans te geven hun toespraken af te steken.

De fanfare schettert vals over de pampa, de plaatselijke hoogwaardigheidsbekleders rommelen onwennig met een bij hun functie behorend blikkerig stafje, en vrouwen met gelaagde pollerarokken, bolhoedjes, en sandalen van oude autobanden, wervelen verlegen giechelend in het rond. De autoriteiten nippen van de chica en werpen heimelijke blikken op hun horloges. Voor het donker; als het op deze hoogte in deze tijd van het jaar ijzig koud wordt, willen ze terug zijn in het hotel in Puno.

De volgende dag, zonder bekijks vanuit Lima en als de met water en kruiden aangelengde pure alcohol van gisteravond is uitgewerkt, begint het scheren. Maar niet zonder nog een korte dankbetuiging, de pagapu, aan Pachamama, Moeder Aarde, en aan de door goden bewoonde bergen op de achtergrond: Inca Tiana, Teccllacocha, Torine, en Koyotkollo.

Nog een keer worden dan het door de bezoekers uit Lima meegebrachte elektrische scheerapparaat en ook de generator die het apparaat aandrijft, met cocablaadjes bestrooid en met cider besprenkeld, evenals de aarde als offer aan de doden. Dan zoemt de tondeuze.

In heel Peru lopen naar schatting nu 65 000 vicoenjas rond. In de tijd van de Incas waren het er twee miljoen. Gewaden van ragfijne vicoenjawol, vervaardigd op de weefgetouwen van de mamaconas, de door de Inca uitverkoren vrouwen, waren alleen bestemd voor de adel en de curacas (priesters).

De Spanjaarden verbaasden zich over de kwaliteit van de gewaden, die zelfs geen water doorlieten. In zijn Cronica de Peru schreef kroniekschrijver Pedro Cieza de Leon rond 1553 dat de kwaliteit ervan die van Spaanse weefsels overtrof.

Het resultaat was dat de vicoenjas vanaf die tijd ten prooi vielen aan massale jachtpartijen. Want het voor het scheren bijeendrijven van de in het wild levende dieren, zoals de Incas om de drie jaar deden (de chacu), vonden de Spanjaarden teveel werk. Neerschieten kostte minder tijd. Een serie verbodsbepalingen op de jacht door de eeuwen heen, met als eerste een decreet van Filips II in 1577, verhinderden niet dat er in 1960 nog maar zesduizend vicoenjas over waren.

Maar vooral met hulp van Duitsland, België en het Wereld Natuur Fonds (WWF) kwam er in 1967 in het zuiden van Peru een vicoenja-reservaat: Pampa Galeras. In het openingsjaar telde het amper duizend dieren.

Twee jaar later volgde er via het Verdrag van La Paz een algeheel verbod op de handel in vicoenja-wol voor 10 jaar. Ook Bolivia, Chili en Argentinië, waar ook vicoenjas voorkomen zij het veel minder dan in Peru, ondertekenden dit akkoord.

En sinds 1975 is Peru mede-ondertekenaar van de Internationale Overeenkomst over Handel in Bedreigde Dier- en Plantensoorten (CITES). Dit akkoord verlengde het handelsverbod tot 1987. Sinds dat jaar is de handel in wol van levend geschoren Peruaanse vicoenjas wel weer beperkt toegestaan.

Maar dat er tot nu toe niets van die legale handel terecht kwam, was de schuld van Sendero Luminoso (Lichtend Pad), de guerrillabeweging die jarenlang de streken, waar vicoenjas voorkomen, in zijn greep had.

Het kwam ook doordat de boeren nauwelijks een cent aan de handel in de wol verdienden, en dus geen belang hadden bij het beschermen van de dieren tegen stropers. Volgens de wet was de wol namelijk eigendom van de staat, en kregen de boeren alleen een geringe vergoeding voor het hoeden van de vicoenjas.

Flavio Chipana in Cala Cala: “Dat geld moesten we in Lima gaan innen, maar was zo weinig dat het niet opwoog tegen de reiskosten. Dus gingen we niet. Jaren werkten we zo voor niets”.

Maar de privatiseringsijver van de huidige regering van president Alberto Fujimori bereikte ook de kale hooglanden waar de vicoenjas aan het stugge ichu-gras knabbelen. Een wet van 1991 bepaalt dat de dieren nationaal bezit blijven, maar dat de boeren moeten meedelen in de opbrengst van de wol.

Na een lange strijd voor een zo hoog mogelijke opbrengst door de boerengemeenschappen, is het alleenrecht op de commercialisering van de wol onder de merknaam Vicuandes onlangs via een openbare aanbesteding voor twee jaar in handen gekomen van een Italiaans-Zwitsers-Peruaanse groep. Ook Engelse textielbedrijven toonden grote belangstelling. Maar deze haakten af, toen bleek dat Peru alleen de export van vicoenjaweefsels toestond en niet van de onverwerkte wol.

Dat de Engelse weverijen menen veel beter zelf de wol te kunnen verwerken, komt omdat ze dat al anderhalve eeuw doen. Al in 1851 verwerkten Engelse textielbedrijven de peperdure wol in kostuums voor de Britse aristocratie. Koningin Victoria was naar verluidt dol op een sjaal van vicoenjawol, net zoals Madonna nu op een cape à raison van 25 000 dollar.

De Engelsen zijn er ook medeschuldig aan dat de illegale jacht al die tijd bleef voortduren. In de jaren zestig ondernam Peru herhaalde pogingen om de Engelse import van Vicoenjawol te stoppen, maar telkens tevergeefs. Maar ook Franse en Italiaanse modehuizen als Cardin, Chanel en Armani bleven na het van kracht worden van het handelsverbod vicoenjawol kopen, en droegen zo bij aan de bijna-uitroeiing van dit dier.

De boeren krijgen voor de wol driehonderd dollar per kilo, plus tien procent van de opbrengst van de verkoop van de stof en nog eens vijf procent van de verkoop van vicoenja-kleding. Totaal levert het contract hun 443 dollar per kilo wol op.

Een goudmijn voor de boeren is dat nu ook weer niet, want een volwassen vicoenja produceert per twee jaar niet meer dan tweehonderd gram wol (een schaap wel 6 kilo). De scheer-partij in Cala Cala leverde met tweehond geschoren dieren 38 kilo wol op, ofwel 16 834 dollar.

Dezelfde partij wol brengt als geweven stof op de wereldmarkt 76 000 dollar op. Het grootste deel van de winst verdwijnt naar de Italiaanse partners in het consortium: Loro Piana uit Quarona en Agnona uit Borgosesia. In het laatste bedrijf zit ook Zwitsers kapitaal. De Peruaanse weverij Condor Tips participeert slechts voor tien procent, en Agnona heeft ook een belang in dit bedrijf.

Toch zijn de straatarme inwoners van Cala Cala opgetogen. Deze maand komt er al 25 000 dollar voor de wol die ze de afgelopen drie jaar hebben verzameld en die ook onder het contract met het consortium valt. In Lima ligt er zo vanuit het hele land een voorraad van 2 000 kilo, evenals 400 meter geweven stof.

De voorzitter van de betrokken overheidsinstantie (CONACS), Alfonso Martinez Vargas, deelt op de eerste feestdag in de vreugde van de boeren in Cala Cala. “Ik ben niet van de partij van Fujimori, maar de president biedt jullie dit toch maar aan. Eerst leek het dat jullie maar 50 dollar per kilo zouden krijgen. Maar nu is toch bijna 500 dollar, ook al is dat nog lang niet de echte waarde van het produkt.” Vargas is zoon van een vicoenja-boer in de streek van Pampa Galeras, en zegt dat zijn vader ook jarenlang is beduveld. In Cala Cala stond vroeger een welvarende vicoenja-hacienda. Terwijl het volk er voor een grijpstuiver zwoegde, trok eigenaar Francisco Paredes er baantjes in een verwarmd zwembad.

De hacienda werd onteigend bij de landhervormingen van eind jaren zestig. Later plunderde en vernielde Sendero het complex. Nu staan er alleen nog ruïnes. Maar Vargas meent dat er een hotel van kan worden gemaakt, zodat de toeristen naar de vicoenjas kunnen komen kijken. Gunstig noemt hij het dat de verenigde boerencomité's voor de vicoenjawol rechtstreeks zaken doen met de industrie. De boeren verkopen hun alpaca-wol ieder afzonderlijk aan de tussenhandel, waardoor ze tegen elkaar worden uitgespeeld. Vargas: “De handelaren rijden nu in mooie auto's, maar jullie hebben niets. Maar nu hebben jullie je verenigd. Jullie zijn nu ondernemers. Steek dat goed in jullie koppen.”

Een echt plan voor wat ze met al het geld willen gaan doen, hebben de boeren van Cala Cala nog niet. Vargas: “Jullie moeten zelf beslissen, maar pas goed op voor verspillers.” Dat al het geld voor projecten voor de gemeenschap zal worden gebruikt, staat volgens Flavio Chipana buiten kijf. Hij vindt dat met een deel van de eerste inkomsten de plaats waar de vicoenjas worden geschoren moet worden opgeknapt. Ook dit was tot en met twee jaar geleden een paar keer het doelwit van aanvallen door Sendero. Verder denkt hij aan een medische post en aan meer waterputten. En de vijilantes die in het veld wachtlopen om stropers te betrappen, verdienen nu volgens hem te weinig en zijn ook onvoldoende uitgerust. Ze hebben meestal wel een verrekijker, maar geen radio-apparatuur om alarm te slaan, of een geweer om zich tegen de goed bewapende jagers te verdedigen. De afgelopen jaren zijn er in de streek acht boeren door stropers vermoord.

Uwe Heiko, co-directeur van Pampa 1, een hulpprogramma ter waarde van ruim 36 miljoen gulden van de Europese Unie voor duizende agrarische bedrijfjes rond Puno, is fel tegen het bewapenen van de vijilantes. “Gebeurt dat, dan trekken wij ons onmiddellijk terug, en investeren we het geld voor Cala Cala ergens anders, aldus de Duitser in Puno. Sendero is volgens hem in de streek nog steeds niet helemaal uitgeschakeld, en bewapende vijilantes zullen, vreest hij, nieuwe aanvallen uitlokken. Ook is hij bang voor zijn eigen mensen. Op 25 maart ontplofte er nog een bom bij het kantoor van het project in het dorp Huancane.

Na een oproep over de radio, kan het leger nog snel genoeg ter plaatse zijn, meent Heiko: “De legercommandant hier is zeer voor de verdediging van de vicoenjas. Hij behandelt een stroper net zo als een terrorist.” Maar ook Heiko erkent dat de illegale jacht nog steeds een groot probleem is. Na een toename van het aantal vicoenjas in de jaren tachtig tot ruim tachtigduizend in 1988, nam hun aantal de afgelopen jaren weer gestaag af.

In Puno speelt naar verluidt de politie onder een hoedje met de jagers, in Pampa Galeras het leger. En Sendero joeg - en jaagt mogelijk nog - op vicoenjas, om de wol te kunnen ruilen voor wapens.

Ook opereren de jagers, waaronder ook hele families van dorpen zonder vicoenjas, in opdracht van wolmaffia's in Chili en Bolivia. De vicoenjawol gaat dan verstopt in partijen alpacawol de grens over. Vicoenja geschoren, vicoenja gered, luidt volgens de comuneros het antwoord op de jacht. Het CITES-akkoord verbiedt het scheren en verhandelen van vicoenjawol nu nog in 90 procent van Peru. De boeren hopen dat deze beperking op de bijeenkomst van de CITES-landen in november in Florida wordt opgeheven.

Maar ook al komt het zover, vicoenjawol, met volgens de overlevering de kleur van bloed vermengd met goud, blijft voorlopig een zeer exclusief produkt. In de huidige situatie bedraagt de jaarproduktie tweeduizend kilo. Door het scheren in het hele land toe te staan, zou zich dat kunnen verdubbelen tot vier of hooguit vijf ton. Maar ook dat stelt nog niets voor bij de 2000 ton-jaarproduktie van kasjmier, na vicoenja de fijnste wol en een stuk goedkoper (50 dollar per kilo). Of het moet zijn dat Peru de jacht onder de knie krijgt en dat ook Chili (met nu 24 000 vicoenjas) en Bolivia (10 000) het aantal dieren met het oog op de wol-export fors weten uit te breiden.

Wellicht heeft C & A dan over een paar jaar vicoenja-truien in de aanbieding, zoals nu zijdehemden. Dat zou in ieder geval een hele geruststelling zijn voor wat betreft het voortbestaan van deze planeet. “Want”, stelden de Inca's, “als de vicoenjas vergaan, vergaat de aarde.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden