Vette zwarte stippen op een bruin vlak

“Ik las in de krant dat er een huis in Spanje te koop stond, in de streek die ik zo mooi vind, vlak bij de zee en vlak bij de bergen. En hoewel ik mijn heimwee naar mijn geboorteland altijd goed heb kunnen weren, vloog het me plotseling aan. Ik moest dat huis zien. Ik moest zeker weten, dat ik het niet kopen zou.”

door Maya Zielinski Rasker

In een brief aan haar dochter beschrijft de essayiste Maya Zielinski Rasker de weg naar haar droomhuis. Amsterdam, december 1998

Het is nog steeds herfst. De wolken aan de hemel zijn vol en grijs en ze regenen de hele dag hun druppels op je kop. Het zijn niet de tranen van engeltjes, zoals iemand jou ooit wilde wijsmaken. Zo verdrietig zijn engelen niet, dat weet jij ook, al huilen ze soms wel een beetje. Maar het is wel veel regen deze herfst, en de boom achter ons huis is allang weer kaal. Vanuit je bed kun je nu de maan zien, dat kan niet in de zomer met al die bladeren ervoor.

Afgelopen zomer werd je vier, en we reisden samen naar Spanje af. Je verheugde je er al maanden op om vier te zijn. Vier was voor jou een magisch getal, de afronding van je kleine-kinderjaren, dat had je zo bedacht. Bij het naderen van je verjaardag werd je wat stiller, alsof je voorvoelde dat met die nieuwe leeftijd ook een nieuwe status samenhing. Met vier loop je niet meer te pas en te onpas in je blote billen door het huis; met vier mag je naar school; met vier zou je leren lezen en schrijven, ook dat had je je zo voorgenomen.

Maar voordat het zover was reisde ik naar Spanje en nam je met me mee. Je verjaardag moest uitgesteld, je feestje ook en zelfs de eerste schooldag zou je missen. Toch heb je het me niet kwalijk genomen. Althans, ik heb het niet gemerkt.

We reisden naar Spanje omdat ik daar geboren ben. Niet alleen daarom, maar wel een beetje. Ik ben geboren in Malaga, die warme stad waar wij ook zijn geweest. Mijn ouders woonden er voor het werk van mijn vader. Toen ik in de buik zat, lagen ze al in scheiding. Ze hebben nog even gewacht totdat ik er was omdat het, zeker in Spanje, wel zo netjes is om geboren te worden met een mama én een papa. Daarna is mijn moeder snel naar Nederland teruggegaan. Ik heb er maar een paar maanden gewoond, en lag in een mandje onder de boom van ons Spaanse huis. Het Spaans kende ik slechts van de telefoongesprekken tussen mijn mama en papa, als ze het over geld hadden. Dat het daarover ging hoorde ik pas veel later, maar de taal heeft op mij een diepe indruk gemaakt. Daarom heb ik de taal geleerd, om ook zo heftig te kunnen praten, heel anders dan het Nederlands, dat gorgelt meer.

Twaalf jaar geleden was ik er voor het laatst, ik kende je papa nog niet en jij was ook nog niet geboren. Ik was met een Nederlands meisje meegereisd naar Salamanca, ook zo'n warme en stoffige stad, en van daar nam ik de bus naar M laga, een tocht van elf uur. Er waren alleen maar Spanjaarden in de bus, toen wilde nog niemand het binnenland zien en iedereen ging naar zee. Het was ook wel erg warm onderweg. In de bus was een televisie waarop 'Het Monster van Frankenstein' werd vertoond, zes keer achter elkaar. De chauffeur had blijkbaar geen andere films. De televisie stond heel hard zodat de mensen achterin de bus de film ook goed konden volgen.

Er was een vrouw met een boel kippen aan boord, in een rieten kooi waarmee wij de poes naar de dierenarts brengen, en een andere met een jonge geit aan een touwtje. Er waren bijna alleen maar vrouwen in de bus. De meesten waren zo oud als jouw oma nu, of nog ouder; velen droegen zwarte jurken en ze waren allemaal misselijk. Gelukkig had de chauffeur een heleboel papieren zakjes bij zich.

De bus stopte bij bijna ieder dorpje. Als je op de kaart kijkt, lijken het er niet zo veel, maar als je in zo'n hete bus zit met allemaal misselijke vrouwen zijn het er toch een hoop. Bij die busstops zagen we soms verschrikkelijk arme mensen. Kinderen met klompvoeten die houtsnijwerk verkochten, en mannen zo mager als de zwerfkatten bij ons in het park, en meisjes in rafelige jurkjes met een kist sinaasappels onder de parasol. Dat was niet leuk. Wij denken altijd dat Spanje een net land is zoals Nederland, waar iedereen genoeg geld heeft voor eten en schone kleren. Wat ik toen zag leek wel een film: 'Los Santos Inocientos'. (Als je groot bent moet je die maar eens gaan zien, nu zou je er alleen maar verdrietig van worden. Ik ook trouwens.) Maar dat is twaalf jaar geleden en er is intussen veel veranderd, daar heeft de koning van Spanje hard aan gewerkt.

Toen de bus in Malaga aankwam, laat op de avond, heeft de buschauffeur me geholpen een taxi te vinden. Ik moest er wel voor betalen. Maar ja, ik sprak de taal niet en kende de stad niet en kende trouwens helemaal niemand daar in de buurt, dus ik had niet veel keus. De taxichauffeur zette me af bij een klein hotelletje en de receptionist droeg heel aardig mijn koffers naar boven. Op mijn kamer sloeg hij het bed open en vroeg of er nog iets van mijn dienst was (of zoiets, want ik verstond hem natuurlijk niet). Daarna kneep hij grijnzend in mijn bil. Ik had wel gezien hoe de taxichauffeur en hij naar elkaar knipoogden toen ik daar op de stoep stond met mijn koffers, maar ik vond mezelf heel avontuurlijk en wilde nu niet meteen bang gaan doen. De rest van de nacht heb ik me in de badkamer opgesloten, omdat ik vreesde dat hij weer zou komen om te vragen of alles naar wens was.

Zoveel herinnerde ik me nog. Vandaar dat ik, toen wij samen naar M laga vlogen, in Nederland een autootje had geregeld dat op ons stond te wachten in de parkeergarage van de luchthaven.

Omdat in Malaga de feria was, de jaarlijkse kermis, was in de verre omtrek van de stad geen kamer meer te vinden. Ik besloot de nacht in te rijden, op weg naar ons droomhuis. Want daar was deze reis om begonnen: ik las in de krant dat er een huis in Spanje te koop stond, in de streek die ik zo mooi vind, vlakbij de zee en vlak bij de bergen. En hoewel ik mijn heimwee naar mijn geboorteland altijd goed heb kunnen weren, vloog het me plotseling aan. Ik moest dat huis zien. Ik moest zeker weten, dat ik het niet kopen zou.

En stiekem, denk ik, wilde ik jou mijn land laten zien voordat je je vleugels uit zou slaan. Añoranza noemen ze dat, iets dat het midden houdt tussen heimwee en hysterie. Het is een typisch Spaans woord, zoals wij in Nederland 'gezellig' kennen, waarnaar je ook alleen maar verlangt als je lang bent weggeweest. Ik wilde je laten kennismaken met de kleur van de aarde en de geur van het eten en de warmte en de taal - als tegenwicht voor de wereld waarin jij weldra je eerste eigen stappen zou zetten.

De eerste tientallen kilometers van M laga in de richting van Almería was de weg breed en goedverlicht en ik was blij dat ze de kust helemaal hadden geasfalteerd. Maar na een tijdje was het op: de weg op, het licht op (het geld waarschijnlijk op) en reden we op een onverlichte en hevig slingerende kustweg die ongetwijfeld prachtig is bij dag, maar angstaanjagend in de nacht. Achterin de auto lag jij te slapen en die nacht was ik me pijnlijk bewust van het spanningsveld tussen avonturieren en verantwoord ouderschap.

(Dat leg ik je later nog wel uit, wanneer ik het zelf ook wat beter begrijp.)

Het was al ver na middernacht, en we hadden nog vele uren te gaan. Eerst langs de kust, later de bergen in. Vaak moest ik stoppen om de weg te vragen, en naarmate het later werd vreesde ik dat we er alleen voor zouden staan. Maar het werd één uur en halftwee en twee uur en in alle dorpen waar we doorheen kwamen stonden de mensen te babbelen onder de sterrenhemel.

Spanjaarden hebben een heel ander idee van dag en nacht. Ze slapen als wij werken; ze werken als wij rusten en ze feesten als wij slapen. Hun middagdutje, siësta, is onuitroeibaar, wat de fabriekseigenaren er ook tegen proberen te ondernemen. En omdat ze 's middags allemaal slapen, eten ze 's avonds veel later dan wij en gaan ze ook weer erg laat naar bed. Jaren geleden heeft de regering bepaald dat cafés om twaalf uur 's nachts moeten sluiten. Dat was omdat de arbeiders in de ochtend vaak zo slaperig op het werk verschenen. Maar de regering had een foutje gemaakt. Want ook de café-eigenaren zijn Spanjaarden, die's middags willen slapen en 's avonds laat gaan leven. Het plannetje is hopeloos mislukt en de Spanjaarden staan weer iedere ochtend slaperig aan de lopende band. Ik was er blij mee. Tot diep in de nacht wisten we ons verzekerd van beschermengelen die ons, van dorp naar dorp, de richting wezen van onze bestemming.

Om drie uur 's nachts parkeerde ik de auto op de Plaza Mayor van het dorp en strompelde met jou op de arm over het steile pad naar het huis. Toen ik voor de grote, blauwe deur stond, beslagen met oud smeedwerk in de wit gekalkte muur wist ik: hier wil ik wonen.

'Felicidad, kom je buiten spelen!' We hebben je een Spaanse naam gegeven, in Nederland weliswaar handzaam afgekort maar in Spanje in vol ornaat uit de kast gehaald: 'Felicidad!' klonk het door de straten - en daar ging je. Vier jaar en dapper, onder de hoede van de oudere meisjes van het dorp: op weg naar de beek om kikkers te vangen, het varken te aaien, naar de amandelboomgaard om noten te rapen. In de ochtend stonden we tussen de andere vrouwen in de rij te wachten op het brood, in de late middag zaten we op het terras van de Plaza Mayor en keken naar de intocht van de herder en zijn schapen, die we even tevoren nog in de bergen hadden gezien.

Nu we toch in de buurt waren, nam ik je mee naar een klein bergdorp waar ik twaalf jaar geleden ook ben geweest. De huizen zijn er wit, de straten zo steil dat alleen een ezel er gemakkelijk doorheen wandelt. In het midden van het dorp is een plein. Op mijn vorige reis moest ik hier stoppen; het plein, het dorp en de doorgaande weg waren afgezet omdat een meisje en een jongen gingen trouwen. Op het plein stonden lange tafels; er werd muziek gemaakt en gedanst en omdat ik niet verder kon, feeste ik mee. Er was een fontein op het plein, onder een grote boom. “Cantan los niños en la noche quieta: Arroyo claro, fuente serena!” (De kinderen zingen in de stille nacht: heldere straal, serene bron!). Tot diep in de nacht speelden de kinderen op hun blote voeten in de afwateringsgoot van de smalle stegen, en hoorde je het roepen van moeders over de daken.

Terwijl het huwelijksfeest op de Plaza Mayor in volle gang was, maakte ik een wandeling door het verlaten dorp. De deuren stonden aangeleund; de luiken waren gesloten om de warmte buiten te sluiten. Voor één van de huizen zat een vrouw; ze was de enige die ik er tegenkwam. Ik vroeg haar waarom ze niet op het feest was. Ze zei: “Ik ga er zo naar toe, ik wacht tot mijn soep klaar is.” Het was haar huwelijksgeschenk voor de bruid, een pan pompoensoep.

Dat is waarheen ik je wilde meenemen. Niet alleen dat dorp, maar ook die fontein; het koele bergwater dat door de straten sijpelt, de geur van hammen en die van de ezels. Pompoensoep als cadeautje.

Ik wilde je een wereld laten zien, die niet bestaat. Een wereld net zo werkelijk als de sprookjes zijn. Ik wilde je zeggen: de wereld die jij weldra zult betreden, is maar één kant van de zaak - vergeet dat niet! Sprookjes bestaan, en blijf erin geloven.

Onder de boom naast de fontein dronk ik koude wijn en las het gedicht van Federico Garcia Lorca:

Los ninos: Quién te enseño el camino de los poetas?

Yo: La fuente y el arroyo de la cançion aneja.

Los ninos: Te vas lejos, muj lejos del mar y de la tierra?

Yo: Yo me iré muy lejos, mas alla de esas sierras, mas alla de los mares, cerca de las estrellas, para pedirle a Christo Señor que me devuelva mi alma antigua de niño.

(Wie toonde je de weg van de dichters? De fontein en de stroom van het oude lied. Ga je ver, heel erg ver, van de zee en het land? Ik zal heel ver gaan, verder dan deze heuvels, verder dan de zeeën, dichtbij de sterren, om Jezus te vragen, de Heer, mij mijn oude kinderziel terug te geven).

Je sandalen stonden naast de karaf wijn op mijn tafeltje. In de verte hoorde ik je gillen van plezier, terwijl je op je blote voeten door de afwateringsgoot van het dorp rende.

Terug in Nederland begon jouw eerste schooldag. Je zat op een stoeltje in de kring, en om beurten mochten jullie iets vertellen. In de hoek van het schoollokaal stond een bed, voor zieke kinderen die toch naar school gebracht worden, omdat hun ouders moeten werken. Tijdens de middagpauze wilde je niet meer in de zandbak spelen, omdat je bang was je kleren vuil te maken. Je bent nog nooit bang geweest voor vuile kleren, maar je was je plotseling bewust van de blikken van anderen - dat meisjes schone kleren hebben, en gekamde haren en schone nageltjes. Als ik je op kwam halen, liepen jullie twee aan twee de trap af, de juf voorop, met je rechterhand aan de leuning. De tekeningen die je mee naar huis nam waren de tekeningen die je moest maken: een auto of een olifant, een kleurplaat van de Teletubbies. Thuis maakte je woeste taferelen van verf met dikke lijnen en veel kleuren. Dat was Spanje: de bergen, de slingerwegen, en geiten: vette zwarte stippen op een bruin vlak.

Je was nog geen maand op school, en toch wist je je al helemaal aan te passen aan het systeem dat grote mensen voor jou hebben bedacht. En ik dacht: ik moet dat huis in Spanje kopen, dit is niet de wereld waarin ik je wil laten gaan.

Na vijf dagen in ons Spaanse huis werd je onrustig. Je beleefde veel plezier met de kinderen op straat, maar werd verdrietig omdat ze je niet begrepen en jij hen niet. Je vond het eten vies en wilde alleen maar brood en appeltjes. De aandacht van de vrouwen in het dorp begon je zelfs te vervelen, ook al kreeg je snoep en lollies. Waar is papa, waar mijn zusje? Houdt Bozo van ezels, en wanneer zie ik opa en oma weer? Je zocht naar de verbanden in je leven, en tekende vriendjes en vriendinnetjes en je pasgeboren neefje. Met lego bouwde je een huis op wielen, dat nu hier, dan daar kon staan en waarin wij zouden wonen. En je vroeg: Mama, wat gaan we doen? Blijven we hier, of gaan we terug? En ik zei: ik weet het niet.

In een droom kun je niet wonen. Maar hoe weet je of iets een droom is, of een mogelijkheid? Hoe weet je of je op een keerpunt staat, en wat dat keerpunt dan wel betekenen mag?

Terwijl jij sliep belde ik je papa en we praatten over het huis. Hij zei: doe maar. Het is alles waarvoor we staan: de eenvoud, het gezinsverband, het avontuur, de dorpsgemeenschap. En ik zei: doe maar niet. Ik weet nu wat belangrijk is, wat onze waarden zijn en onze dromen. De opdracht is om dat in ons eigen leven in te passen, niet om ons leven naar die droom te verhuizen.

We hebben het huis niet gekocht, maar de twijfel is gebleven. Nog weken erna had ik liefdesverdriet om het verlies van een droom. Ik zag je getemd worden op je schooltje, je huid werd weer bleek, en we speelden in de speeltuin met de schommel en de wip en in de andere speeltuin met een andere schommel en een wip. Ik zou je een ander leven willen geven, maar dit is wat we zijn: geworteld in de natte Hollandse aarde, met een gorgelende taal en 'gezelligheid'. En voor het slapen gaan vertellen we verhalen over verre landen en schapenhoeders in de bergen en over een zon die altijd schijnt. En ik weet: ook die verhalen hebben nu wortel geschoten, want je hebt gezien dat sprookjes bestaan.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden