Opinie

Verzwijg geen behandelopties

Artsen moeten met hun patiënten praten over hun wensen. Beeld ANP
Artsen moeten met hun patiënten praten over hun wensen.Beeld ANP

Specialisten moeten open kaart spelen tegenover patiënten. De huisarts of ouderenarts kan vooraf meedenken om te voorkomen dat er eindeloos doorbehandeld wordt.

Cees Hertogh en hoogleraar ouderengeneeskunde en ethiek van de zorg aan de Vrije Universiteit te Amsterdam

Als we de media moeten geloven, dan kampt de gezondheidszorg sinds enige tijd met een nieuw medisch-ethisch vraagstuk: het te lang doorbehandelen van patiënten in de laatste levensfase. Hoogleraar geriatrie Joris Slaets zei afgelopen najaar in NRC Handelsblad dat te veel dokters zich tegen kwetsbare ouderen aan bemoeien, die daar eigenlijk maar beter af kunnen blijven. Hij kreeg niet alleen bijval van collega-geriaters, maar ook van minister Schippers van volksgezondheid en AMC-bestuursvoorzitter Marcel Levi.

De laatste erkende dat specialisten geregeld uit therapeutisch enthousiasme niet van ophouden weten. In Trouw (19 mei) voegde hij daaraan toe dat voor patiënten min of meer hetzelfde geldt: ook zij gaan te vaak voor het uiterste. Om deze ontwikkeling te stoppen, bepleit hij dat artsen hun patiënten niet over alle behandelmogelijkheden informeren: je moet hen niet belasten met keuzes die in de ogen van de dokter niet re-eel zijn. Deze aanbeveling van Levi zweemt enigszins naar paternalisme en dreigt daarmee in ethisch opzicht de klok terug te zetten.

Het gaat hier namelijk niet om een nieuw medisch-ethisch vraagstuk, ook al dringt een en ander wat laat door tot de ziekenhuisgeneeskunde. Het debat over eindeloos medisch doorbehandelen, is meer dan veertig jaar oud en ontstond in een tijd, waarin artsen zelden met hun patiënten overlegden over hun medische aanpak. De Leidse hoogleraar J.H. van den Berg liet in zijn pamfletachtige publicatie 'Medische macht en medische ethiek' (1969) in woord en beeld zien tot wat voor deerniswekkende resultaten de maximale inzet van medische technologie in staat was. Met de vraag 'mag alles wat kan?' wierp hij de vraag op, of alles wat medisch mogelijk is ook wel ethisch geoorloofd is.

Achteraf gezien markeerde dit boekje het begin van de moderne medische ethiek. Die zoekt het antwoord op de door van den Berg opgeworpen vraag in twee richtingen. Enerzijds wijst zij erop dat bij medisch handelen de kwaliteit van leven belangrijker is dan louter levensverlenging. Anderzijds leert zij, dat niet de arts, maar de patiënt op grond van voldoende informatie, mag beslissen of hij een bepaalde medische behandeling wenst of niet. Respect voor de autonomie van de patiënt, vormgegeven in de doctrine van informed consent, vormt sindsdien het onvervreemdbare uitgangspunt van de medische ethiek. Daarin past dus niet het onthouden van informatie aan de patiënt, zoals Levi nu lijkt voor te stellen.

Maar het feit dat het vraagstuk vandaag opnieuw lijkt te worden uitgevonden, wil niet zeggen dat er in veertig jaar niets zou zijn veranderd, integendeel. De patiënten die van den Berg opvoerde, waren relatief jong; vandaag gaat het debat vooral over ouderen en wordt het gevoerd in een context waarin vergrijzing op ongemakkelijke wijze verbonden wordt met oplopende zorgkosten voor de samenleving. Echter: waar het gaat om individuele behandelbeslissingen staat niet het kostenaspect voorop, maar het inzicht dat de gezondheidsproblemen van kwetsbare ouderen om een ander soort geneeskunde vragen, zowel medisch-ethisch, als zorginhoudelijk.

Ik geloof niet, dat (oudere) patiënten van hun artsen verlangen dat zij hen alles aanbieden wat de geneeskunde aan levensverlenging in petto heeft, integendeel. Wat patiënten vooral verwachten van hun arts, is een zinnig medisch advies dat aansluit bij hun voorkeuren en waarden. De insteek van de arts moet dan ook niet zijn om behandelmogelijkheden voor de patiënt te verzwijgen, maar om in gesprek te gaan over de wensen van de patiënt voor de laatste levensfase en om vervolgens op basis hiervan afspraken te maken over diens huidige én toekomstige medische zorg.

Het resultaat daarvan is een proactief of anticiperend zorgplan, waarin voorafgaand behalve doelen ook nadrukkelijk grenzen voor het medisch handelen kunnen worden vastgelegd. Het opstellen van zo'n plan vooronderstelt een persoonlijke relatie van arts met de patiënt en een goed inzicht in het geheel van diens gezondheidsproblemen. Daarvoor komen medisch generalisten, zoals de huisarts en de ouderenarts, in aanmerking, zeker niet de medisch (deel)specialist.

Een dergelijk anticiperend zorgplan, zo blijkt uit onderzoek, voorkomt zinloze levensverlenging en daaraan verbonden ziekenhuisopnames. En mocht ziekenhuisopname toch noodzakelijk zijn, dan biedt dit plan een leidraad voor de ziekenhuisspecialist bij de behandeling. Die maakt het verzwijgen van behandelopties overbodig.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden