Verzet

Ergens aan het voeteneinde van mijn bed zit die vervloekte engelbewaarder die op mijn nachten waakt en deze soms bruusk afbreekt.

In het notitieboekje dat hij in zijn handen vastklemt, dansen verse zinnen en gedachten. Af en toe zuigt hij die gulzig op. Vervolgens bolt hij zijn wangen en blaast hij langs mijn gesloten ogen een brij van warme letters uit. Hoeveel nachten heeft hij al niet verstoord met zijn eigenaardige manie? Maar hoe vaak heeft hij ook niet de definitieve aanzet voor een stukje gegeven?

Eergisternacht, om precies 3 uur 13, voelde ik opnieuw de zachte turbulentie: ’Communist ben je nooit geweest en protestant zult je nooit worden. Altijd ondergronds, als een vreemde eend in de bijt.’ Het kostte me niet al te veel moeite om de cryptische boodschap te ontcijferen. Wel zeker een uur van mijn slaap.

Bijna 40 jaar geleden begon ik als adolescent mijn journalistieke zwerftocht. Bij het communistische dagblad La Marseillaise. Twintig jaar later schreef ik mijn eerste stuk voor Trouw. Een hobbelende weg die van Das Kapital naar de Bijbel lijkt te voeren, terwijl ik geen van deze lijvige boeken echt heb gelezen. De communistische vakbroeders omarmden me toen met een zekere argwaan, de persmuskieten van protestante signatuur verdragen me nu al jaren zuchtend. Dag, vreemde eend!

Met enige trots zal ik vandaag de 20.000 ste editie van Trouw vieren. Dat wil zeggen met een stuk van mijn hand in dit magische nummer. En dit hoewel ik met God ietwat ben gebrouilleerd. En ook ondanks al die boze lezersbrieven, soms hier en daar door opzeggingen verzwaard, die ik als een Klein Duimpje achter mij heb gestrooid. De communisten vroegen me toen uitdrukkelijk met de signatuur van de krant rekening te houden. Af en toe hield de Chef d’agence een paar blaadjes met mijn naam eronder streng in zijn bovenste la. Te subversief, jongen.

In die 18 jaren bij Trouw heeft nog nooit een stuk van mijn hand de stempel ’retour Ephi’ gekregen. Een totaal gebrek aan censuur dat van mij ook best mag worden gevierd vandaag. Ja, er waren natuurlijk dagen dat je door mijn geprinte regeltjes het tandengeknars van de hoofdredactie bijna kon horen.

Ik kan altijd tegenwerpen dat ik me netjes aan de gulden regel heb gehouden die een Trouw-redacteur mij had voorgeschreven: geen schuttingtaal. We zaten samen in een hoek van een café waar het gevloek ons om de oren vloog. Schuttingtaal? Deze vreemde Fransman in de bijt kende die uitdrukking amper.

Op 6 maart 1992 kwam ik binnen met als eerste zinnen: ’Zoveel nijd, rancune, wrok, getreiter! Zoveel hectoliters inkt vermengd met gif, gal en haat!’ Achter de nette schutting zat al de onrust. Mijn binnenkomst moet rond het nummer 14.000 zoveel zijn geweest. En nu ik aan het tellen en het rekenen ben geslagen, merk ik dat zowel La Marseillaise als Trouw in het oorlogsjaar 1943 voor het eerst zijn verschenen. Twee verzetskranten die de ankers in mijn leven vormen. ’Ondergronds’ zei mijn cryptische engel afgelopen nacht. Hij bedoelde zeker verzet. Te allen tijde.

Sylvain Ephimenco (Jorgen Caris)
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden